anima


De Roes van Rousseau



IN ONS MAGAZINE VOOR DE ROES VAN ROMANTIEK, KUNST & WIJSBEGEERTE:


IN DIT NUMMER:


TEILHARD DE CHARDIN, DIEPER DE MATERIE IN



Geschiedenis van de geest



Eugène DUBOIS, over het ontstaan van de mens



Albert CAMUS, 'Koninkrijk & Ballingschap'



Jean-Paul SARTRE, 'C'est moi qui me tire du néant'



Jean-Jacques ROUSSEAU, in de roes van Romantiek, campagne, kunst & wijsbegeerte



Vanuit de Middeleeuwen, binnenwereld, symbolen & sublieme HOOFSE LIEFDE



Van VERLICHTING naar vervreemding



ABAELARDUS, over geloven, weten en logica



FRANCISCUS VAN ASSISI, over verbinding en vervreemding



SINT AUGUSTINUS, over verlangen, kennis en innerlijk weten



ARISTOTELES, over de ziel, het leven en het streven



PLATO en zijn ideeënwereld



PYTHAGORAS en het wonder van de wiskunde



GODENPAREN



ASTRONOMIE & ASTROLOGIE vanuit de Oudheid



Het OUDE EUROPA



De GROTTEN VAN LASCAUX




hirondelle




De grotten van Lascaux

De ontdekking

Montignac, september 1940.

Een klein plaatsje ergens middenin de Dordogne (Zuidwest-Frankrijk). Een jonge automonteur, Michel Ravidat, is net gewapend met zaklamp en mes teruggekeerd naar de plek waar zijn hond een paar dagen geleden plotseling in de grond was verdwenen. Was het een vossenhol? Een dassenburcht? Of een geheim gangenstelsel? We zijn op zo'n 500 meter afstand van kasteel Lascaux. Er gingen geruchten.
Michel buigt zich over een spleet die onlangs onder een reusachtige pijnboom vandaan was gekomen. De boom was in een stevige najaarsstorm met wortel en al uit de grond gerukt. De jonge Fransman schraapt en schraapt en glijdt 5 à 6 meter naar beneden, 17.000 jaar terug in de tijd. Een val een hele andere wereld in. In het licht van zijn zaklamp verschijnen gigantische grottekeningen. Michel moet compleet in shock zijn. Eerst in een 'esthetische shock'. Wat een overweldigende pracht! En daarna in een 'mystieke shock'. Een geheimzinnige geestenwereld lijkt hem vanaf de grillige grotwanden te beloeren. 'Waar ben ik terechtgekomen?!'Eenmaal terug in de 'gewone wereld' achtervolgen hem vele vragen. Wie? Wat? Waar? Wanneer? Waarom?

Onmiddellijk waarschuwt Michel een schoolmeester. En in een mum van tijd drommen hele legers journalisten en wetenschappers uit binnen- en buitenland rond de ingang van de grot. Van een klein ingeslapen dorpje verandert Montignac op slag in het centrum van de menselijke geschiedenis.Ou peu s'en faut. Of het scheelt niet veel tenminste.

Afbeelding 1: De ontdekking

Waar liggen de grotten van Lascaux?

We zijn in Frankrijk. Het is tijd om inspecteur Maigret te spelen. De zaak moet grondig worden uitgezocht. Laten we beginnen met de vraag 'waar?'. We zeiden het zo-even al, Michel Ravidat deed zijn ontdekking nabij kasteel Lascaux even buiten Montignac. Montignac ligt ergens in Zuidwest-Frankrijk, in het oude graafschap Périgord, in het huidige departement Dordogne en in de oude provincie Aquitanië (Aquitaine).

Vooral de naam Dordogne is hier van belang. Zij verwijst namelijk naar de gelijknamige rivier waarin de Vézère uitmondt. De Vézère, daar draait het om. De Vézère met haar water dat vanaf de hoge hoogtes van het Massif Central voortsnelt naar beneden. Water dat schuurt en slijpt. Water dat vormt en 'schept'. Water dat als een kunstenares het omliggende land beeldhouwt uit haar kalksteen. Water tot slot dat een heel karstlandschap heeft 'gecreëerd' en in het Vézère-dal vele grotten in het kalksteen heeft uitgeslepen. Vanwaar ook de naam Lascaux, van het Occitaanse 'las Coutz', om precies te zijn, waarmee een rotsachtige plaats wordt aangeduid.

De grotten rondom de Vézère bestaan meestal uit meerdere, opeenvolgende gangen en zalen die behoorlijk groot kunnen zijn. Zo is de eerste zaal van de grot van Lascaux, la Salle des Taureaux (de Stierenzaal), 17 meter lang, 6 meter breed en maar liefst 7 meter hoog. In veel van deze grotten tref je een oogverblindend mooie kristalwereld aan. Cascades kristal zijn er verstild in hun val. Een buitengewone, sprookjesachtige wereld. Magisch voor ons mensen, van vroeger en nu.

Wat vonden ze allemaal in de grotten?

Maar wat trof Michel Ravidat nu precies in de grot van Lascaux aan? En wat de vele wetenschappers die de tekeningen op haar wanden aan hun onderzoek onderwierpen? Geen bomen, geen planten, geen hemellichamen, geen landschappen en ook geen mensen, op één uitzondering na dan. Geen jachtscenes, geen oorlogsscenes en ook geen familiescenes. Liefdesscenes evenmin. Maar wat dan wel? In het licht van zijn lamp, en later in die van menig bewonderaar of onderzoeker, verschenen dieren op de wanden. Dieren en nog eens dieren. Een heel bestiarium.

Het zijn vooral zoogdieren, en dan vooral grote zoogdieren die er de wanden bevolken. Allereerst heb je er verschillende planteneters, bijna allen imposant en indrukwekkend van gestalte, zoals bizons, oerossen (aurochs), wilde paarden, rendieren, steenbokken en reuze herten. Sommige kunstwerken hebben reusachtige afmetingen en zijn maar liefst zo'n vijf à zes meter lang. Een stuk bescheidener in aantal zijn de carnivoren met hun katachtigen en de omnivoren met hun wilde zwijnen en holenberen.

Afbeelding 2: Bizons

Afbeelding 3: Oeros

Na die van Lascaux gingen er nog andere werelden voor ons open in het Vézère dal. Andere grotten werden ontdekt en andere dieren kwamen in het lamplicht tot leven. Honderden in aantal. Speciale aandacht verdient de grot Chauvet die in de kalkrotsen aan de linkeroever van de Vézère ligt. Precies op de plaats waar het water van deze rivier triomfantelijk voort trekt onder een hoge boogbrug door. Het is de Pont d'Arc waar geen mensenhand aan gebouwd heeft. Ere wie ere toekomt: Het is een waar kunstwerk van moedernatuur. In de 'kunstkelder' van Chauvet wordt een indrukwekkend bestiarium opengedaan. Apen, mammoeten, holenleeuwen en wolharige neushoorns vullen op de wanden de stoet dieren van Lascaux aan. Een hele optocht, al zijn de dieren niet keurig netjes in een lange rij afgebeeld. Naast een heel dierenrijk sieren meer abstracte tekens, zoals punten, strepen en handafdrukken de muren. De overweldigende, verpletterende aanwezigheid van vooral grote, indrukwekkende dieren op de wanden van de versierde grotten in het Vézère dal springt in het oog. Je hoort er bijna letterlijk de grond dreunen van de kudden oerossen en bizons en je voelt er bijna letterlijk de grond trillen van de mammoeten. De angstaanjagende nabijheid van imposante, sterke dieren, gewapend met slachttanden, horens en geweien, klauwen, kaken, trap- en stootkracht hangt er bijna tastbaar in de lucht. Je beleeft er de sensatie van een bezoek aan de safari, maar dan met een dimensie extra.

Afbeelding 4: Wolharige neushoorn

Afbeelding 5: Mammoet

Afbeelding 6: Holenleeuwen

Hoe staan de dieren afgebeeld?

Want hoe staan al deze wilde dieren eigenlijk afgebeeld? Ze lijken niet zomaar op een willekeurige plaats te zijn getekend. Met het reliëf van de grillige muren komen ze in beweging in het licht van fakkel of kampvuur. Op de grond zijn overal resten gevonden van kampvuren die klaarblijkelijk de tand des tijds hebben doorstaan. Maar hoelang eigenlijk? Daar komen we zo-meteen op terug. Niet alleen de grillige contouren van de wanden, maar ook het lijnenspel van de tekeningen zelf drukt op de meeste plaatsen een en al dynamiek uit. De dieren leven, bewegen. Zijn ze bezield?

De grotversieringen zijn gemaakt met houtskool of rode oker. Of ze zijn zomaar met een vinger in de klei getekend. Tot op de dag van vandaag zelfs zijn deze kleiwanden nog zo zacht als kwark of Franse kaas.

Lascaux. Grottekeningen. Grottekeningen alom. Links, rechts en boven je. Dubbel, dwars en over elkaar. Niet voor niets wordt de grot van Lascaux ook wel de Sixtijnse kapel genoemd. Je kijkt er niet naar een tweedimensionaal kunstwerk, gevangen in het platte vlak, maar je staat midden in een adembenemend panorama waar de dieren je als sterren in de nachtelijke hemelkoepel omringen. De configuratie van de tekeningen is meerdimensionaal.

Afbeelding 7: Dynamiek

Afbeelding 8:'Sixtijnse kapel'

Video: La Grotte aux merveilles

Maar hoe zit het met hun stijl? Zijn er evenzoveel stijlen als tekeningen? Of is er duidelijk sprake van gemeenschappelijke kenmerken? Hoewel een aanzienlijk deel van de grotversieringen stilistisch van aard is, valt er ook een ontwikkeling richting een zeker realisme ofwel een volledig natuurgetrouwe weergave van de dieren te ontwaren. Toch voeren de overeenkomsten de boventoon en lijkt een en dezelfde soort kunst vele grotwanden van het Vézère dal te sieren. Wat opvalt is dat de opzet van de diertekeningen overwegend dezelfde is: De tekenaars hebben de dieren weergegeven vanuit de nek-rug-lijn waaraan ze vervolgens duidelijke kenmerken hebben toegevoegd, zoals geweien, horens, slagtanden, slurven of manen.Wie de grotversieringen in de rotsen langs het Vézère-dal onder de loep neemt, kan het na alle overweldigende indrukken niet ontgaan zijn dat het stereotype dieren zijn die de wanden betoveren. Stereotype dieren die duidelijk op conventionele wijze op het grillige gesteente van de grot tot leven zijn gebracht.

Bewondering, verwondering, wie kan eraan ontsnappen? Bijna iedereen moet wel ervaren dat de holen rondom ons dal je meenemen in een droom. In dromen misschien die je trakteren op griezelpartijen - je voelt de loerende, geheimzinnige aanwezigheid van holenberen, leeuwen, mammoeten of andere mystieke dieren tot in je botten - of die je juist in vervoering brengen. Die je in een andere gemoedsstemming brengen. In een andere état d'âme. In extase.

Van wanneer zijn de grottekeningen?

Maar we moeten weer even op de rem trappen om de zaak als een Maigret grondig te kunnen onderzoeken en overpeinzen. Wat weten we? In de eerste plaats dat er in en rondom Lascaux volop dieren op de grotwanden zijn getekend, waaronder mammoeten, wolharige neushoorns, oerossen (aurochs), holenberen en holenleeuwen. Dieren die al duizenden of zelfs tienduizenden jaren geleden zijn uitgestorven. Bovendien treffen we er dieren aan die thuishoren in het hoge noorden zoals elanden en rendieren. En dat terwijl we in het zonovergoten Zuid-Frankrijk zijn! De kunstwerken laden dan ook meteen de verdenking op zich dat ze duizenden en duizenden jaren oud zijn. Dat ze stammen uit andere tijden en andere werelden. Tijden waarin Frankrijk in de greep was van sneeuw en ijs. IJstijden. En/ of periodes daar tussenin, de interglacialen, waarin het land van de Vézère even ontsnapte aan dit strenge klimaat. Vergeet niet dat ook de oude schoolmeester van Michel uit Montignac meteen al wist hoe laat het was. Letterlijk zelfs; millennia en millennia na de creatie van onze kunstwerken.

Afbeelding 9: Eland

Afbeelding 10: Rendieren

Verdere inspectie bevestigt ons vermoeden. In de grotten van Lascaux en omgeving slingeren overal botten en schedels rond van dieren die al heel lang geleden zijn uitgestorven of die er al heel lang niet meer thuishoren. Met enig natvinger werk kunnen we al vaststellen dat de grotversieringen minimaal 12.000 jaar oud moeten zijn - want toen eindigde de laatste ijstijd -, maar waarschijnlijk een stuk ouder, al was het alleen al omdat de afgebeelde holenberen meer dan 20.000 jaar geleden uitstierven. Wat vrijwel zeker lijkt, is dat we in de prehistorie zijn beland, ver voor het Oude Egypte en ver voor het Oude Griekenland.

Afbeelding 11: Holenbeer

Afbeelding 12: Schedel holenbeer

Maar wat zeggen de specialisten hier precies over? En op welke wijze hebben zij de grottekeningen gedateerd? De precieze datering is een lastig en bepaald niet onomstreden verhaal. Op basis van de koolstofdatering van houtskooltekeningen en die van rondslingerende botten en schedels wordt de leeftijd van de oudste werken in Lascaux op zo'n 15.000 jaar geschat. Daarmee zijn ze van veel later datum dan de kunstwerken van Chauvet die blijkens onderzoek met dezelfde dateringmethode maar liefst 33.000 jaar oud zijn. Meer dan tweemaal zo oud dus!

Tot voor kort waren de grottekeningen in Zuid-Europa (Zuid-Frankrijk en Spanje) de alleroudste werken van menselijke expressie die ons tot dusver bekend waren. Tot in 1991 in de Blombosgrot in Zuid-Afrika vondsten werden gedaan die een duikeling teweegbrachten in de tijd: Van zo'n dikke 30.000 jaar geleden moesten we plotseling nog eens 50.000 jaar verder terug in de tijd om uit te komen in het tijdperk van onze vroegste kunstuitingen. Kunstuitingen van zo'n 80.000 jaar oud dus! Dat daar ook nog eens een veelbetekenend verhaal aan zit, zullen we verderop bespreken.

Wie hebben de grottekeningen gemaakt?

Wat ons voor het moment interesseert is dat er in de IJstijd en/of in de interglacialen dieren en nog eens dieren op grotwanden werden geschilderd. Grofweg in de periode van 35.000 tot 10.000 jaar geleden. Dat brengt ons bij de volgende vragen: Wie leefden er in het Lascaux van weleer? En wie waren de kunstenaars en/ of kunstenaressen die de wanden versierden? Wie aan het Europa van de IJstijd denkt, denkt al snel aan Neanderthalers. Met hun robuuste, zij het gedrongen bouw waren deze mensachtigen goed uitgerust voor een leven in de kou. Waren zij soms de kunstenaars die wij zoeken? Uit het fossielenverslag blijkt echter dat zij al ruim 30.000 jaar geleden zijn uitgestorven. Bovendien zijn er in de Dordogne in het geheel geen Neanderthalerbotten of schedels gevonden die dateren uit bovengenoemde grottekeningentijd.

Maar als het geen Neanderthalers waren, wie waren het dan wél? Dankzij het fossielenverslag weten we dat er ten tijde van de grotkunst van alle menssoorten of mensachtigen die we hebben, er enkel en alleen cro-magnonmensen in de Dordogne leefden. Onze kunstenaars moeten dus cro-magnonmensen zijn geweest. Alleen wie waren zij? Cro-magnonmensen zijn mensen zoals jij en ik. Net als wij behoren ze tot de Homo sapiens. Ze hebben zich ongeveer 100.000 jaar geleden vanuit Oost-Afrika via het Arabisch-schiereiland en Iran verspreid tot in West-Europa, waar zij zo'n 40.000 jaar geleden aankwamen. Jagers-verzamelaars waren zij met Afrikaanse wortels.

De cro-magnonmensen moeten dan ook een waanzinnig grote kennis hebben gehad van de natuur. Iets dat maar al te zeer spreekt uit hun grottekeningen, waarin een fabelachtige dierenkennis wordt tentoongespreid. Het cliché bestaat dat het een soort holenmensen waren. Niets is minder waar: Zij leefden namelijk in tenten en trokken rond in het zeer dun bevolkte Europa waar zij als nietige wezentjes leefden, verloren tussen een overvloed aan imposante dieren. Dat deze nomaden bij voorkeur niet in holen leefden is maar al te begrijpelijk. Want holen waren vaak letterlijk het hol van de leeuw, van de holenleeuw wel te verstaan. Vele gevaren lagen er op de loer. Zoals dat van de reusachtige holenbeer, waarvan de mannetjes maar liefst 3,5 meter hoog konden zijn en duizend kilo konden wegen. Deze monsters stonden met stip bovenaan de lijst van meest dodelijke dieren voor de mens in de IJstijd.

Waarom werden de grottekeningen gemaakt?

Waarom werden de grottekeningen gemaakt? Nu we iets meer weten van het wie en wat omtrent de paleolithische kunst in Lascaux en omstreken, dringt zich de vraag op van het waarom. Want waarom maakten onze kunstenaars de grottekeningen in het Vézère-dal eigenlijk? Probleem is dat we het hun niet meer kunnen vragen. Daar komt dan nog eens bij dat ze ook al niets voor ons hebben opgeschreven. We kunnen met recht zeggen dat zij in de prehistorie leefden. Veel dingen zullen we daarom vast wel nooit te weten komen. Toch valt er heel wat af te leiden en te reconstrueren.

Laten we om te beginnen even ons voorstellingsvermogen gebruiken - een niet al te zekere bron van kennis die soms zelfs verraderlijk kan zijn, maar nuttig even goed -. Stel je bent een cro-magnonmens. Man of vrouw, maakt niet uit. Je leeft ergens met een klein groepje mensen, in klein-stam-verband, in de uiterst dunbevolkte Dordogne. Andere stammen kom je op je zwerftochten door de natuur zelden of nooit tegen. Wat om je heen beweegt en leeft zijn vooral dieren. Dieren die voedsel betekenen, tenten, kleding, warmte in de kou, leven. Dieren die inderdaad leven betekenen, maar ook vaak de dood. Dieren die je als nietig mensje op de horens kunnen nemen, wegwerpen, verscheuren, vermorzelen, vertrappen of verbrijzelen. Dieren die veel groter en veel sterker en ook nog eens veel zwaarder zijn dan jij en die je met hun dodelijke wapens een diep ontzag inboezemen. Kaken, klauwen, slagtanden, trap- en stootkracht, je moest als cro-magnonmens op je hoede zijn. En dan… als je al die overdonderende dierenpracht zag, al die wezens hoorde, voelde, rook, voelde leven, voelde zijn op een voor ons mensen indrukwekkende manier, is het dan verwonderlijk dat je die tomeloze drang in je voelde om ze te schilderen? Dat je op de wanden tekende waar je hart van overliep? De sensationele dierenwereld die zij inademden zullen zij zeker in hun kunstwerken op de rotswanden weer hebben uitgeademd. Want hoe kun je onbewogen blijven wanneer daar beneden je een kudde bizons als een rollende donder over de vlakte gaat?!

Wat valt er op aan de grottekeningen?

Toch mogen wij niet blindvaren op ons voorstellingsvermogen noch al te zeer vertrouwen op onze intuïtie. Niet zondermeer althans, omdat er - zoals we later zullen zien - vormen van intuïtie zijn die een bron kunnen zijn van - hoe verrassend! - exacte kennis. Opmerkelijk is, bijvoorbeeld, dat veruit het grootste en misschien wel meest imposante dier, de mammoet, relatief weinig en bovendien op bescheiden wijze, d.w.z. opvallend klein wordt afgebeeld. We zullen de grottekeningen dus aan een degelijker, wetenschappelijk verantwoorder onderzoek moeten onderwerpen.

Dan begint het monnikenwerk waar de Franse archeoloog en paleontoloog, André Leroi-Gourhan, internationale faam mee verwierf. Honderden grottekeningen moeten stuk voor stuk tot in de kleinste details worden geanalyseerd en in kaart worden gebracht. Wat in eerste instantie telt is wat zich stug en steeds maar weer blijft herhalen. Wat een wetmatigheid vormt, een patroon. Bezien juíst vanuit een dergelijk kader kunnen ongewone tekeningen en/ of details vervolgens van groot belang blijken te zijn. Wat Leroi-Gourhan daarbij opviel was dat paarden en bizons opmerkelijk vaak op de rotswanden verschijnen. Niet alleen in de grot van Lascaux, maar überhaupt in alle paleolithische 'kunstkelders' van Frankrijk. En dat ook weer niet alleen, want met de regelmaat van de klok vinden we bizon en paard zij aan zij, in het centrum van de voorstelling. Omgeven met hert en steenbok aan beide zijden en met leeuwen en neushoorns aan de randen van het vlak.

Afbeelding 13: André Leroi-Gourhan

Diersymboliek

Ons koppel draagt duidelijk betekenis. Maar welke? Volgens Leroi-Gourhan, en volgens de meeste vakgenoten met hem - hierover bestaat duidelijk consensus -, staat de bizon symbool voor het vrouwelijk en het paard voor het mannelijk. Vraag is natuurlijk hoe zij dat weten. Het feit dat zij een koppel vormen maakt het een voor de hand liggende aanname, maar wetenschappelijk gezien levert het natuurlijk ronduit een te povere bewijsvoering op. Bij het vaststellen van bovengenoemde symboliek hebben dan ook een aantal dingen een belangrijke rol gespeeld:


1) In de grottekeningen van het Vézère-dal (waaronder die van Lascaux en Chauvet) treffen we nauwelijks antropomorfe afbeeldingen aan. De schaarse exemplaren die we hiervan al vinden stellen óf hybride wezens voor, zoals mensen met bizon- of vogelkoppen, óf slechts losse lichaamsdelen. Onder deze lichaamsdelen hebben we handen, fallussen en vulva's. Het aantal mannelijke geslachtsdelen valt hier overigens vrijwel weg tegenover de hoeveelheid vrouwelijke.
2) Binnen genoemde paleolithische kunst hebben zich in de loop van de tijd bewegingen voorgedaan, schommelingen, van meer abstract naar meer natuurgetrouw en vice versa. Zo werden driehoeken vulva's en vulva's weer driehoeken. Alleen hoe weten we dat eigenlijk? Heel simpel: Op plaatsen waar je normaliter een vrouwelijk geslachtsorgaan hoort aan te treffen, vinden we plotseling een driehoek. Losse driehoeken kwamen dus van de ene periode in de andere in een betekenisvolle context te staan. De heren en dames wetenschappers mogen deze schommelingen wel dankbaar zijn! Want ze hebben hun een belangrijk houvast gegeven in het ontcijferen van de abstracte tekens.
3) Aan de dieren die veelal stilistisch, vanuit de nek-rug-lijn zijn afgebeeld, zijn vaak kenmerkende lichaamsdelen aangekoppeld, zoals slurven, slachttanden, hoorns, horens en geweien, maar ook primaire geslachtskenmerken (fallus of vulva). Betekenisvol hierbij is dat de bizon op herhaalde plaatsen van een vulva is voorzien terwijl het paard hier en daar een fallus toebedeeld heeft gekregen.
4) Uit vergelijkend onderzoek blijkt onder meer dat in de steentijd fallusvormige voorwerpen zoals speren en fluiten duidelijk werden geassocieerd met paarden. Speren kregen paardenhaar en op de lange buizen van fluiten verschenen afbeeldingen van deze viervoeters. Terwijl er bizons rond de gaten op symbolische wijze hun vrouwelijkheid benadrukten.

Afbeelding 14: Vulva's

Afbeelding 15: Nissen

Afbeelding 16: Vernauwingen

Mannelijk en vrouwelijk

Dat het mannelijk en het vrouwelijk met hun symboliek een grote rol speelden in de belevingswereld van onze kunstenaars en/ of kunstenaressen in het bijzonder en in die van de nomaden uit de Dordogne van toen meer in het algemeen valt tevens op te maken uit de verdeling van de verschillende dieren in de ruimte, ook wel de 'holentopografie' genaamd. Leroi-Gourhan merkt in deze op dat nissen en vernauwingen in de grot voor onze Fransen uit paleolithische tijden als zodanig al symbolen van het vrouwelijk waren en dat deze derhalve door symbolen van het mannelijk werden gecomplementeerd. Niet geheel en al toevallig duiken juist daar paarden, herten en steenbokken op. Sterker nog: In de meest vrouwelijke delen van de grot - die op zichzelf al een symbool is van het feminiene -, d.w.z. in haar binnenste en meest afgelegen plekken, zijn de krachtigste symbolen van het mannelijk binnengedrongen: Wie anders dan de neushoorn en de leeuw?!

De cro-magnonmens splitste de dierenwereld, of althans een deel daarvan, in mannelijke en vrouwelijke dieren. Vrouwelijk waren de bizon en de beer. Mannelijk waren het paard, het hert, de steenbok, de neushoorn en de leeuw. Zo hadden ze dus niet alleen symbolen, maar zelfs hele symbolische figuurverzamelingen. We zeiden het al: Het mannelijk en het vrouwelijk moeten in de belevingswereld van onze kunstenaars en/ of kunstenaressen een buitengewoon belangrijke rol hebben gespeeld. Want waarom zou je anders zo nadrukkelijk de symbolen van het mannelijk en het vrouwelijk op de rotswanden tekenen? Of waarom zou je anders van de mens hoofdzakelijk losse fallussen en vulva's laten zien? Of waarom zou je anders van vulva's driehoeken, punten of ovalen maken en van fallussen strepen? Of, korter gezegd, waarom zou je anders deze geslachtsdelen vangen in abstracte tekens?

Duizenden jaren later tasten we in het duister. Des te meer daar we niet over geschreven bronnen beschikken. Wat deze cro-magnonmensen precies bezielde zal voor ons wel altijd in hoge mate een raadsel blijven. Wat voelden zij? Wat dachten zij? Want een ding is wel duidelijk: Ze zaten niet zomaar de muren vol te krassen met wat schuttingtekeningen. Noch zaten zij zich wat plat te vermaken. Daarvoor zijn de kunstwerken immers te conventioneel en te kunstzinnig.

Leven en dood

Maar dan is er licht in het duister. In een onbereikbaar deel van de grot Chauvet legt een camera aan een lange steel een bizon-vrouw bloot. Op een langwerpig stuk steen dat als een soort reuze cocon aan het plafond van de grot hangt staat een hybride wezen afgebeeld. De benen en een uitvergrote vulva van een naakte mensenvrouw zijn er geïncorporeerd in een bizon. Vlak achter de bizon-vrouw staat een leeuw. Deze afbeelding is gericht naar een rotswand waarop een indrukwekkende jachtscene is te zien. Een groep leeuwen komt er tevoorschijn om te gaan jagen op een kudde bizons.

Afbeelding 17: Bizon-vrouw

Wat wil dit alles zeggen? We hebben hier duidelijk twee symbolen: Ten eerste de leeuw die alom gevreesd werd. Voor veel dieren, maar ook voor de cro-magnonmens vormde hij een levensgroot gevaar. De Fransen uit de tijd van de holenleeuw moesten deze schrik van het Vézère-dal en omstreken dan ook zeker geassocieerd hebben met de dood. Ten tweede hebben we de bizon-vrouw. We hadden al gezien dat de bizon symbool staat voor het vrouwelijk. Dus waarom zou onze kunstenaar of kunstenares ons 'koninginnelijke' dier dan ook nog eens sierlijke vrouwenbenen en een vulva hebben gegeven? Natuurlijk benadrukken deze de symbolische betekenis van de bizon. En natuurlijk betrekken ze deze betekenis ook nadrukkelijk op de mens.

Maar er is duidelijk meer. Dat de twee symbolen hier precies bij elkaar staan is veelzeggend. Ze worden hier duidelijk met elkaar in verband gebracht. Wat in verband staat met de dood laat zich makkelijk raden: Want wat kan dat anders zijn dan het leven? Op haar beurt zal het leven weer geassocieerd zijn met de reproductie, de reproductie met de vulva, de vulva met het vrouwelijk en het vrouwelijk tenslotte weer met de bizon. De bizon die staat voor een overweldigende natuurkracht. Een generatieve kracht. Een creatieve kracht. De levenskracht. Een hele keten associaties en verbanden schept hier een verhaal waarin het vrouwelijk centraal staat. Zij is er de grote overwinnaar die triomfeert over de dood.

De configuratie met de bizonvrouw tegenover de jachtscene lijkt een cirkel te suggereren. Laat je blik maar eens rondgaan. Eerst zie je de bizon-vrouw, de bron van leven. Dan zie je tegenover haar de leeuw. Je ziet de dood in de ogen. Vervolgens zie je het beeld van die leven-scheppende kracht weer voor je, de bizonvrouw. Leven - dood - leven: Een cyclus.

Filterende werking

Natuurlijk kun je van allerlei interpretaties loslaten op dergelijk bronnenmateriaal uit de prehistorie. Het is maar net hoe je pet staat of hoe het je uitkomt. Maar waar we hier mee te maken hebben is met beelden die in hun samenhang bij elkaar de betekenis bepalen. Vergelijk het met een tekst waarin de context filterend werkt. Waarin de context díe of díe interpretatie van een woord of zin onmogelijk of onwaarschijnlijk maakt. Of die juist díe of díe interpretatie afdwingt of plausibel maakt. Woorden hebben semantische velden. Beelden hebben dat ook. Zoals we hebben gezien, drukken de bizon-vrouw en de leeuw een stempel op elkaars betekenis.

Evenzo werkt hun rangschikking in de ruimte in op hun onderlinge verhouding of verband. Die rangschikking werkt enerzijds filterend. Vernauwend. Zij perkt het aantal mogelijke interpretaties in. Tegenover de leeuw krijgt de bizon-vrouw allereerst de betekenis van levensbron. Eerder dan die van vrouwelijke schoonheid, bijvoorbeeld.

Web van associaties en verbanden

Anderzijds werkt zo'n rangschikking juist associërend. Verbredend. Zij legt van allerlei (mogelijke) verbanden. En daarmee schept zij, creëert zij, smeedt zij een verhaal. Verhalen. Mythen.

Laten we, om dit te illustreren, voor het gemak eens even een sprong maken van het tijdperk van onze grotkunst met haar jagers-verzamelaars naar het oude Egypte met haar opkomst van de landbouw. Naar haar denkwereld althans. Of in ieder geval naar eentje die daarop geënt is. Stel je nu eens een koepel voor. Je staat als toeschouwer in het midden met links, rechts en boven je beelden om je heen. Rondom. En dan ook nog eens beelden voor en achter elkaar. Zoals in de Sixtijnse kapel. Je oog kan dan vallen op een schildering, als op een ster in de hemel van een kraakheldere vriesnacht. Je blik kan vervolgens rondgaan. Ronddwalen van ster naar ster of van beeld naar beeld.

Stel je vervolgens eens voor dat je een afbeelding ziet van een betoverend mooie volle maan, daar, ergens boven je. Daarna zie je rechts van je een schildering op de wand van een beeldschone vrouw. Je zult waarschijnlijk de maan nu gaan associëren met vrouwelijke schoonheid.

Van de vrouw glijdt je blik weer naar de volle maan. In een cirkel zie je een volle maan, een halve maan, een maansikkel en weer een halve maan, een volle maan, een maansikkel, een cyclus. Je weet dat ook de vrouw haar maandelijkse cycli heeft. Vrouw en maan raken steeds nauwer met elkaar verweven in je ideeënwereld. Of toch op zijn minst in je belevingswereld.

Van de maan gaat je visuele reis weer verder, naar de linkerwand. Daar zie je water. Water dat bewogen wordt door de maan; eb en vloed en eb en vloed en altijd maar weer eb en vloed: Alweer een cyclus. Cycli.

De maan blinkt hoog boven het water met haar overweldigende aantrekkingskracht. De vrouw is weer in beeld. Evenals de maan voor het water is zij onweerstaanbaar voor haar minnaar. Vrouw, man, maan, water, wolf. Recht voor je huilt een wolf naar de maan. Met de passie van een minnaar die naar zijn dame verlangt. Vanuit zijn diepste natuur. Wolf, water, man, maan, water.

De maan laat het water het land overstromen. Laag water, hoog water, overstroming. Vruchtbaar land. Kale aarde, zaden, kiemen, planten, bloemen, zaden: Cycli en alsmaar weer cycli. Koren wuift je tegemoet. Wuivend vanaf een wand van de koepel. Net als de maan wast, wast het water en groeit het graan.

Na het koren zie je horens. Groeiend, fier de hoogte in. Van de horens dwaalt je blik weer af naar het vruchtbare land, van het vruchtbare land naar het water, van het water naar de maan en van de maan weer naar de vrouw. En van de vrouw naar een godin met horens, waartussen een volle maan je meeneemt in haar verhaal.

Afbeelding 18: Hathor

En zo kunnen we nog wel even doorgaan. We zitten in een soort spinnenweb. Een web van verbanden en associaties. Vele draden lopen naar de maan (vanaf het koren, het water, de wolf en het vruchtbare land). En van de maan weer naar de vrouw. Vrouw en maan zijn met elkaar verweven in vele opzichten.

Gesloten tekens en open symbolen

Veel symbolen zijn echter minder complex. Denk, bijvoorbeeld, maar eens aan verkeersborden of wiskundige symbolen. Teken en betekenis staan (vrijwel) in een één op één verhouding: Bij het teken hebben we slechts een of een beperkt aantal (vrijwel) vaste betekenissen. Een voorrangsbord - om maar eens wat te noemen - betekent niets meer en niets minder dan dat je op een weg met zo'n bord voorrang hebt. Laten we dit soort statische, ééndimensionale en conventionele symbolen hier even gesloten symbolen noemen.

Maar in ons voorbeeld hebben we te maken met open symbolen. Open symbolen zijn meerdimensionaal, ze zitten in een web waarin van allerlei associaties en verbanden de symbolen met elkaar verbinden. Daardoor beïnvloeden ze elkaar en krijgen ze vele kanten en aspecten. Zo zelfs dat ze niet één of een beperkt aantal betekenissen hebben, maar dat ze een heel verhaal of hele verhalen scheppen. Verhalen die we in hun complexiteit niet meer precies kunnen uitleggen, maar die we wel intuïtief aanvoelen. Verhalen die leven in ons onbewuste. Verhalen die we dromen en die ons laten dromen. Verhalen die verder gaan en in beweging zijn. En verhalen die, tot slot, dynamisch zijn.

Open symbolen hebben een enorme generatieve, scheppende kracht. Want vele configuraties kunnen gevormd worden en met deze configuraties evenzo vele verhalen. We hebben hier te maken met een gigantisch potentieel. Welk deel hiervan daadwerkelijk benut oftewel geactualiseerd wordt is tijd en plaatsgebonden.

Mythogrammen

En dat is nu juíst het probleem voor wetenschappers die met man en macht proberen inzicht te krijgen in de symbolenwerelden uit vroeger tijden. Dát de grotwanden in Lascaux en Chauvet bevolkt worden met van dit soort open symbolen kan makkelijk worden vastgesteld. Dat blijkt onder meer uit hun rangschikking in de ruimte, en ten opzichte van elkaar. De grotschilderingen vormen overduidelijk - zoals Leroi-Gourhan dat noemt - een 'mythogram' of 'mythogrammen'. Dát ze een verhaal vertellen staat als een paal boven water, maar welk verhaal valt moeilijk meer te achterhalen. Dat is ook precies de reden dat we zo-even met ons voorbeeld een sprong hebben gemaakt in de tijd; van de prehistorie naar tijden waarin mythogrammen veelal zijn opgelost in geschreven bronnen.

ALLES OP EEN RIJTJE

Welk verhaal de mythogrammen precies vertellen zal zeker een mysterie blijven. Wat we echter wél weten is dat:

*in de grotcultuur dieren een centrale plaats innamen

*dieren er een taal vormden waarin de mensen dachten en waarin ze zich uitdrukten

*de mensen er geassocieerd waren met de wereld om hen heen, en zich deel voelden uitmaken van het geheel

*de mensen zichzelf een bescheiden plaats toerekenden in hun wereld, verloren als zij waren in een heel dierenrijk

*bepaalde dieren belangrijke symbolen waren

*deze dieren een belangrijke rol speelden in de mythen van die tijd

*het mannelijk en vooral ook het vrouwelijk in deze verhalen een centrale plaats innamen

*het mannelijk en het vrouwelijk voorname natuurkrachten vormden (die in de ogen van de cro-magnonmens waarschijnlijk veel bepalender waren voor wie of wat je was dan je dunne laagje mens-zijn)

*meerdimensionale symbolen bepalend waren voor de denk- c.q. belevingswereld van de cro-magnonmens

*thema's als het leven en de dood bepaald niet vreemd waren aan deze denk- c.q. belevingswereld

*in de belevingswereld van de cro-magnonmens de natuur boven de mens stond - wij mensen waren onderworpen aan haar krachtenspel -, en dat deze er misschien zelfs al bovennatuurlijke of goddelijke krachten kende

Religie

De vraag rijst nu of de cro-magnonmensen in Lascaux en omgeving inderdaad al een vorm van religie hadden. Die vraag valt moeilijk met zekerheid te beantwoorden. Noch kunnen we directe bewijzen hiervoor aanvoeren. Wel indirecte.

Laten we beginnen met de constatering dat de geschiedenis ons wel leert dat religie iets is van alle plaatsen en alle tijden. Als het gaat om de historie tenminste, maar níet als het gaat om de prehistorie. Het is namelijk niet geheel en al onmogelijk dat we in deze vroegere fasen van onze menswording het stadium van religieus bewustzijn nog niet hadden bereikt. Vanuit algemeen historisch perspectief lijkt het waarschijnlijk, maar bepaald geen vaststaand feit dat de cro-magnonmens een religieus wezen was.

Toch zijn er zeker enkele aanwijzingen die pleiten voor het idee dat de mensen ten tijde van de grotkunst wel degelijk een vorm van religie moeten hebben gehad. Laten we er een paar noemen:

*Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de cro-magnonmensen bepaalde begrafenisrituelen hadden. In veel religies ligt het bewustzijn van en de omgang met de dood diep verankerd. Dat diepe bewustzijn lijkt ook te spreken uit de afbeeldingen van de jachtscene en de bizon-vrouw in de grot Chauvet. En wat meer is: De bizon-vrouw heeft er alle schijn van de dood als een godin te overwinnen.

*De cro-magnonmensen waren - anders dan de clichéetjes doen vermoeden - geen holenmensen. In de grotten met hun holenberen was het niet goed toeven. Van de holen werd dus géén woonruimte gemaakt, maar deze werden wél omgetoverd tot een soort kunstkelders. Waarom eigenlijk? Waren het tempels? Plaatsen van verering? Van aanbidding? Van gebed misschien?

*In de belevingswereld van onze Fransen uit de grottijd moet het vrouwelijk een natuurkracht zijn geweest die diep ontzag inboezemde. Zo zelfs dat zij 'godinnelijke' dimensies leek aan te nemen. In dit licht is de keuze van een grot als kunstgalerij veelzeggend. (Al kun je daar tegenin brengen dat kunst ín grotten doorgaans veel beter bewaard blijft dan erbuiten. En dat deze daarmee de ideale vindplaats zijn voor prehistorische kunst.) Dat grotten op zichzelf al geassocieerd worden met de buik of baarmoeder van een vrouw lijkt redelijk voor de hand te liggen. Maar als we in deze grotten ook nog eens de nodige afbeeldingen van vulva's op de wanden vinden - zowel in abstracte vorm als natuurgetrouw -, dan lijkt deze aanname al aanzienlijk aan kracht te winnen. Sterker nog: In de bizon-vrouw van Chauvet kan zondermeer de leven-barende kracht van het vrouwelijk gezien worden. Alle reden dus om aan te nemen dat grotten een geschikte plaats waren voor een cultus van het vrouwelijk. De versierde holen waren al met al waarschijnlijk een soort tempels.

*In de grotten vinden we een mineraalwereld die magisch, welhaast bovennatuurlijk aandoet. Geen geschikter plaats dus voor een cultus van wat ons ontzag inboezemt, zou je zeggen.

*In de grot Chauvet is de schedel van een holenbeer gevonden. Nu zijn er natuurlijk wel meer van dit soort schedels gevonden in de holen van het Vézère-dal. Alleen is de schedel van Chauvet op betekenisvolle wijze op een steen geplaatst, waarmee dit monument sterk riekt naar een uiting van religieusbesef, eerder dan naar een speling van het toeval.

*Meerdimensionale symbolentaal - of die nu tot uitdrukking komt in woord of in beeld is hier om het even - is nauw verweven met religieus voelen, denken en beleven. Kijk de literatuur over de wereldgodsdiensten van vroeger en nu er maar eens op na, en je zult zien hoe kenmerkend deze taal is voor religie. De mythogrammen in het Vézère-dal wijzen dan ook sterk op het bestaan van een vorm van godsdienst in het paleolithicum - welke deze dan ook geweest moge zijn -. Natuurlijk kun je je hierbij wel afvragen wat oorzaak is en wat gevolg. Gingen symbolen vooraf aan religie? Of ging religie vooraf aan symbolen? Of zijn symbolen en religie zo nauw met elkaar verbonden dat ze tegelijkertijd zijn ontstaan? Zolang we niet een eenduidig antwoord op deze vragen hebben, kunnen we niet uitsluiten dat de symbolen uit deze Oude Steentijd geen uiting, maar oorzaak waren van godsdienstig denken, voelen en beleven.

*Willen we de cultuur uit het paleolithicum beter begrijpen, dan moeten we vergelijkend onderzoek doen bij volkeren die in onze moderne tijd nog altijd een soortgelijk bestaan leiden als de Franse jagers-verzamelaars van tienduizend of zelfs tienduizenden jaren geleden. Die volkeren zijn er. Leroi-Gourhan wijst op een paar in het oog springende overeenkomsten tussen de Cro-magnon en de huidige Tschuringa cultuur. Deze laatste vinden we in Australië, bij de Aboriginals om precies te zijn. Evenals onze Franse grotkunstenaars schilderden deze Aboriginals al duizenden jaren lang dieren en nog eens dieren op de rotswanden. Je ziet ze links, rechts en boven je, net als in de Sixtijnse kapel, en belangrijker nog net als in het Vézère-dal.

Maar er is hier wel een essentieel verschil: De Franse grotcultuur behoort tot een ver verleden terwijl de Australische nog springlevend is met het aloude jagers-verzamelaars bestaan erbij. Een andere overeenkomst van betekenis is dat we in beide culturen stenen aantreffen met inkervingen. Maar wat betekenen deze? Bij de Aboriginals hebben deze stenen veel weg van bladmuziek: Met zijn vinger volgde de priester van de droomtijd (de religie van de Aboriginals) de inkervingen die het ritme aangaven van zijn bezweringen. Volgde en volgt nog altijd. Rotsschilderingen en inkervingen, Aboriginals en cro-magnonmensen; ze hebben veel met elkaar gemeen.

Dienden bij de Fransen uit het Vézère-dal van weleer de schilderingen in de ruimte eveneens als het decor van een mythologische voorstelling? Vergezelden zij eveneens een verhaal dat ten gehore werd gebracht? Gedanst misschien? Vormden zij het theater waarin hun religie in toneelstukken tot uiting werd gebracht? Het is allemaal zeer wel mogelijk. Waarschijnlijk zelfs. Laten we daarbij niet vergeten dat ons profane theater voortkomt uit het ten tonele brengen van religieuze verhalen. Zo begint het Franse theater - als we ons even beperken tot de gedocumenteerde literatuur - met het uitbeelden van Bijbelverhalen op kerkpleinen. En die kerkpleinen waren bij die gelegenheid verre van kaal: Ze waren opgesierd met het decor of de decors voor de toneelstukken.

*En dan is er nog die ene afbeelding in Lascaux die heel wat inkt heeft doen vloeien. Een man - of moeten we zeggen mannetje? - ligt op zijn rug voor een bizon. Hij ligt er haast als een hondje dat zich onderwerpt. De kop van de imposante, oersterke bizon is naar de grond gericht. Wil het kolossale beest ons kereltje op de horens nemen? Of heeft zij hem al tegen de vlakte gesmeten? Geveld? Of heeft het mensje zich uit zichzelf al aan haar onderworpen? Uit angst? Uit vrees? Uit ontzag?

Afbeelding 19: De man met de vogelkop

Wat opvalt is dat deze man een soort vogelkop heeft, maar meer nog dat hij een geprononceerde penis heeft - om maar niet te zeggen een erectie -. Duizenden jaren later is het natuurlijk lastig om precies te achterhalen wat de tekenaar hier met zijn of haar tekening bedoelde of wat hij of zij wilde uitbeelden. Iedere interpretatie blijft in meer of mindere mate speculatief, al moeten we hierbij wel meteen opmerken dat het net der samenhang zich steeds verder spant en steeds minder ruimte overlaat aan van allerlei wilde ideeën

Wat het plaatje pikant maakt is dat een mens, en dan ook nog eens een viriele kerel (!), wordt geveld door een beest, en dan nog wel door een bizon, nota bene het symbool van het vrouwelijk! Dat hij door haar, juíst door háár, wordt geveld en/ of dat hij zich slaafs aan háár, juist aan háár en, bijvoorbeeld, niet aan een leeuw, reuzehert of neushoorn onderwerpt.

We zagen al dat het vrouwelijk voor de cro-magnonmens waarschijnlijk een oppermachtige natuurkracht moet zijn geweest en dat zij als zodanig ook zeker door hem moet zijn vereerd. Als een oppermachtige natuurkracht of in zekere zin al als een godin. Deze twee noties, natuurkracht en godin, lopen natuurlijk makkelijk in elkaar over. De bizon in haar hoedanigheid van symbool van het vrouwelijk, roept meteen een paar vragen op:

-Was iedere individuele, tastbare bizon een oppermachtig, goddelijk wezen?

-Was iedere individuele, tastbare bizon als het ware een lopend symbool van het vrouwelijk?

-Of was er ooit een soort oer-bizon die de bron was van vrouwelijke natuurkrachten? En waren de gewone bizons daar een soort vertegenwoordigers van?

-Of was er een soort ontastbare, universele bizon, een bizon-godin? Ergens in een verborgen rijk?

De beantwoording van deze vragen is op zijn minst een buitengewoon lastige opgave, als deze al niet onmogelijk is. Maar hoe je het ook wendt of keert, blijft dat de bizon het object was van een vurige verering. Deze verering zal ongetwijfeld een godsdienstig karakter hebben gehad.

Ziel en verbinding

Hoezeer deze prehistorische wereld ons ook overweldigt met al haar kunst en haar mystiek, hoezeer deze prehistorische wereld ook tot de verbeelding spreekt, hoezeer zij van allerlei vragen oproept, hoezeer zij ons inspireert en hoezeer zij dromen in ons tovert, wat ons voor het moment interesseert is wat zij ons leert over verbinding en wat zij ons leert over de ziel.

Hybride wezens

* De cro-magnonmensen in het Vézère-dal leefden als nietige mensjes te midden van een imposant dierenrijk met mammoeten, reuze herten, wilde paarden, wolharige neushoorns, holenberen en holenleeuwen. Dat zij zich daar niet boven verheven voelden, mag blijken uit de grotkunst waar ieder spoor van antropocentrisch denken ontbreekt. Op de rotswanden vinden we dieren en nog eens dieren. Mensen ontbreken er vrijwel volledig. Het enige wat wij er aan menselijks tegenkomen zijn hybride wezens, zoals de bizonvrouw en de man met de vogelkop, handafdrukken en geslachtsdelen. In Lascaux vinden we zelfs een man die onder de voet wordt gelopen door een bizon of die zich slaafs aan haar onderwerpt. De verhoudingen zijn duidelijk.

Verbinding met de dierenwereld

*De dierenwereld was waar zij in opgingen: De dieren waren hun taal. Zij dachten in dieren en drukten zich uit in dieren. Dieren bevolkten de bergen, de dalen, de grotten, hun gevoelens en hun gedachten. Of toch op zijn minst hun belevingswereld. Dieren waren deel van henzelf. De cro-magnonmens was geassocieerd, deel van het geheel, verbonden met de wereld om hem heen.

*De schaarse inwoners van het Vézère-dal van weleer stonden dicht bij de natuur. Zij waren jagers-verzamelaars die rondtrokken door de natuur. Zij leden een nomadisch bestaan. In de natuur verzamelden zij niet alleen hun vruchten, maar ook hun kennis. Zij moeten fabelachtige veel hebben geweten op het gebied van flora, fauna en niet-levende natuur. Die kenniswereld was wat hen ten diepste verbond met de wereld om hen heen.

Natuurkracht en verbinding

*Natuurkrachten moeten een grote rol hebben gespeeld in de belevingswereld van de cro-magnonmens. Twee belangrijke protagonisten in dit krachtenspel waren het mannelijk en het vrouwelijk. Vooral het vrouwelijk moet met haar leven-barende-kracht en haar macht over de dood vurig zijn vereerd.

De verbindende en scheppende kracht van associaties

*De belevingswereld van de cro-magnonmens moet in hoge mate zijn bepaald door van allerlei associaties. Deze associaties werkten verbindend. Ze verbonden het ene symbool met het ander en al snel moet er een heel web van symbolen zijn ontstaan. In dit stelsel openden de symbolen zich op elkaar. Ze werkten op elkaar in met hun associatieve kracht, en verrijkten zodoende in een doorlopend, dynamisch proces de symbolische betekenis van elkaar. De symbolen kregen er meerdere kanten, meerdere aspecten en ongetwijfeld meer gevoelswaarde door. Ze hadden een sterk scheppende kracht. Ze creëerden verhalen,mythen en bovenal een wereld waarin alles met elkaar in verbinding stond.

Oog voor samenhang, symbolentaal en verbinding

De grondhouding van de cro-magnonmens moet - zoals we hebben gezien - verbindend zijn geweest. Met die houding keken zij zich niet blind op zichzelf, maar hadden zij oog voor de samenhang der dingen die in hun symbolenstelsel en in hun symbolentaal tot uitdrukking kwam. Dit stelsel en deze taal moeten de kunstenaars uit het Vézère-dal nauw hebben verbonden met hun leefomgeving.


Haken en ogen

We wijzen hier het voelen, denken en beleven in open symbolen aan als de aandrijfkracht van de verbinding. De vraag is alleen wel wat oorzaak en wat gevolg is. Want komt de verbinding nu voort uit het symbolenstelsel? Of het symbolenstelsel uit de verbinding? Of is het zo dat het symbolenstelsel deel uitmaakt van een verbindende werkelijkheid? En zo ja, wat is die verbindende werkelijkheid dan? Een menselijk concept? Een projectie van menselijk voelen en denken op de wereld om ons heen? Of is die werkelijkheid nog veel wijder? Breder? Dieper? Fundamenteler? Meer omvattender? Universeel?


Universele zielen

Dat brengt ons bij een andere belangrijke vraag. Want wat was namelijk in de ogen van onze grotkunstenaars de ziel? Uit de rots-versieringen spreekt een enorme ontvankelijkheid. Ze waren veeleer met het dierenrijk, met al wat het inhoudt en symboliseert, bezig dan met zichzelf. Of in ieder geval zagen zij zichzelf daar in het geheel niet los van. Het dierenrijk stond bij de cro-magnonmens voor universele krachten en machten zoals het mannelijk en het vrouwelijk. Het vrouwelijk dat blijkens de bizon-vrouw en de jachtscene van Chauvet leven-barende kracht had en triomfeerde over de dood. De bizon die deze macht symboliseerde kreeg daarmee universele dimensies. Tegelijkertijd was het in hoge mate van waarschijnlijkheid voor de grotkunstenaars een levend en bovenal bezield wezen. Dit overziende, moeten zij in de ziel van de bizon veel meer hebben gezien dan het wezen van een los individu, of in hun beleving nu in iedere individuele bizon-ziel de universele huisde of niet, in welk geval er zoiets als een bizon-godin, bizon-geest, abstract bizon-zijn of oer-bizon moet zijn geweest. Duidelijk is wel dat de dieren met hun symbolische waarde eerder een universeel dan een individueel karakter moeten hebben gehad. En dat lijkt zeker ook te gelden voor de mens, al was het alleen al omdat in de grotkunst vrijwel niets valt terug te vinden over de individuele mens zelf. Wat voor de kunstenaars telde was de wereld om hen heen, met hun machten, hun krachten en hun symbolen. De mens was in die wereld een wezen dat aan die hogere machten was overgeleverd. De Lascaux-scene waarin de man met de vogelkop onder de voet wordt gelopen en/ of onderworpen, is tekenend. Tekenend is ook dat de kunstenaars in hun werken de wereld om hen heen aanschouwden eerder dan zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Uit dit alles rijst het beeld van mensen voor wie individuele zielen slechts als weerkaatsingen van universele zielen bestonden.

Abstracte kunst

Dat lijkt bij deze 'primitieve mensen' een abstract denkniveau (of belevingsniveau) te veronderstellen dat voor ons misschien net zo vreemd is als een peuter die professor is in de hogere wiskunde. Maar vergis je niet, zoals we later nog zullen zien, is de kunst nu juíst begonnen met abstracte vormen.

Symbolen stelsel

In de grotten van het Vézère-dal hebben kunstenaars in prehistorische tijden een heel geestenrijk op de wanden getoverd (zeker in de vroegste perioden van deze kunst). En is dat niet ook wat je voelt, wat je overweldigt, wat je betovert, wanneer je zo te midden van het symbolenstelsel staat?

Venusbeelden

We zeiden zonet nog, 'dieren en nog eens dieren'. Als het om de grotkunst gaat, is dat zeker waar, maar dan vindt markies de Vibraye in 1864 in diezelfde Dordogne en in datzelfde Vézère-dal - let wel, bijna 80 jaar voordat het bestaan van de paleolithische grotkunst aan het licht kwam - een beeldje dat hem, in ieder geval naar de buitenwereld toe, hevig choqueerde en dat hij de Vénus Impudique doopte, de onkuise Venus, of moderner; de Vieze Venus.

Het is een beeld van een naakt meisje, zonder hoofd, zonder armen en zonder voeten, maar met een uitvergrote vulva. Het is duidelijk een fragment van een vollediger beeld dat minstens ook nog een hoofd moet hebben gehad: De breuklijnen bij de hals zijn nog goed zichtbaar.

Afbeelding 20: Paleolitisch venusbeeld

Was het een beeldje van een tijdgenoot van onze markies? Of van een kunstenaar van één of van een paar generaties daarvoor? Geenszins. Het beeldje is van mammoet ivoor en maar liefst 18.000 jaar oud (!), waarmee het dateert uit het Magdalénien, de latere periode van de grotkunst in het Vézère-dal. Opmerkelijk want nu is de collectie uit de vroegste periode van de beeldende kunst, naast al die talloze afbeeldingen van dieren het beeld van een mens, een meisje, rijker. Al moeten we ons natuurlijk wel meteen afvragen of ons meisje wel een meisjeshoofd heeft gehad en niet, bijvoorbeeld, een vogelkop. Of wat te zeggen van een bizonkop?!

Wat opvalt is dat het om een meisje gaat en niet om een man. Want zou je, zeker vanuit ons overwegend follocentristisch denken - zoals de Franse filosoof Jacques Derrida dat noemde, en waar hij vol vuur zijn pijlen tegen richtte -, dan toch niet op zijn minst verwachten dat van die sterke kerels uit de IJstijd die Mammoeten 'velden', stoere, viriele jagers hadden afgebeeld?! Of waren er in hun optiek misschien groter krachten in het spel dan al deze mannelijke bravoure? Universele natuurkrachten waar ook de krachtigste kerels aan onderworpen waren? Waar hun leven van afhing? En waar zij hun leven aan te danken hadden? Fysiek? Mentaal? Artistiek?

En dan nog: Waren onze kunstenaars eigenlijk wel kunstenaars? En geen kunstenaressen? En was hun blik op de wereld niet 'vulvocentrisch' eerder dan 'fallocentrisch'? Matriarchaal eerder dan patriarchaal? Let wel: de vulva's staan in ons Vézère-dal letterlijk op de rotswanden, terwijl een mannetje met een stijve, lijkt het wel, er aan de voeten ligt van een bizon; het symbool van het vrouwelijk!

Maar toch, een beeld van een meisje; het kan toeval zijn. Zolang er echter geen ándere vrouwen of meisjesbeelden worden gevonden uit diezelfde periode, en zolang er niet overwegend vrouwen of meisjesbeelden worden gevonden van toen. En dat is nu juíst het geval! Ons meisje van Vibraye bleef niet lang meer alleen. In 1908 zag een ander Venusbeeldje het daglicht. Het beeldje kwam dit keer niet uit Frankrijk, maar uit het Oostenrijkse Willendorf. Anders dan bij het beeldje uit het Vézère-dal is hier geen meisje, maar een volwassen vrouw afgebeeld. Let wel: een vrouw met een vrouwenhoofd. Een vrouw met vele rondingen, een rond hoofd, een ronde buik, ronde heupen, ronde borsten en ronde billen. En wederom met een onverbloemde vulva.

Afbeelding 21: Venus van Willendorf

Een beeldje uit de hippietijd? Verre van. De uit kalksteen gebeeldhouwde Venus van Willendorf is nog van ver voor de tijd van haar ivoren zus uit het Vézère-dal. Haar leeftijd wordt geschat op zo'n 24.000 jaar waarmee we met haar zelfs in het Gravettien terechtkomen. Een periode waarin de steenbewerkingstechnieken nog een stukje minder ontwikkeld waren dan die van het Magdalénien, de tijd van Lascaux en van de Venus van Vibraye. Maar het Oostenrijkse beeldje is er bepaald niet minder om, en wordt alom geroemd om de buitengewoon grote kunstzinnigheid waar zij van getuigt, of al dat bloot en al dat rond je nu aanstaat of niet.

Inmiddels is het legioen Venusbeelden uit de Vézère-tijd (de periode van zo'n 40.000 tot 10.000 jaar geleden) ronduit indrukwekkend. Opmerkelijk: We hebben een overvloed van vrouwenbeelden of Venusbeelden of hoe je ze ook maar noemen wilt, maar van mannen of van Mars valt in de beeldende kunst van toen geen spoor te bekennen. Als een ding wel duidelijk is, is dat het vrouwelijk - om welke reden en in welke hoedanigheid dan ook - ten tijde van onze vroegste beeldende kunst centraal stond.

Verering van het vrouwelijk

Vereerden onze verre voorvaderen - en niet te vergeten onze verre voormoeders! - het vrouwelijk als een natuurkracht? Vrijwel zeker. Als een geestelijke macht? Wellicht. Als een universele energie? Zeer wel mogelijk. Als een godin? Of als godinnen? Vereerden ze het vrouwelijk in iedere vrouw? Of in ieder vrouwelijk wezen? Of in ieder vrouwelijk schepsel? Of vereerden ze het Vrouwelijk in dat alles in één? Als een geheel? Of vanuit een ongedefinieerd oer-besef? Instinctief? Intuïtief? Of juist onbewust? Meer vanuit het lichaam misschien dan vanuit het hoofd? En meer vanuit het lijf dan vanuit het brein? Vanuit een soort lichamelijk weten wellicht? Zoals het weten waarmee een dier zonder mankeren een soortgenoot herkent...?

Geheimen van verbinding

Samenvattend:

*In de oude grotkunstcultuur dachten de cro-magnonmensen in dieren en drukten zij zich in hen uit.

*Ze gebruikten symbolen waarin zij van alles met elkaar associeerden en in verband brachten.

*De symbolen hadden een verhalen-scheppende kracht.

*De cro-magnonmensen voelden zich onderdeel van een heel krachtenspel waarin natuurkrachten als het mannelijk en het vrouwelijk een centrale plaats innamen.





hirondelle

Het Oude Europa

Opgravingen, onderzoek en grote lijnen

Op zoek naar wie wij zijn en naar wat ons verbindt vervolgen wij onze weg tot in het Oude Europa. Onmiddellijk stuiten we op een icoon in de wetenschap, Marija Gimbutas. Zij is de Oud Europa specialist bij uitstek. Zij heeft grote opgravingen geleid, duizenden cultuurschatten uit die tijd blootgelegd en deze met grote precisie bestudeerd. Zij heeft ze tot in detail beschreven. Maar ze heeft ook de grote lijnen in hun dwingende samenhang aan het licht gebracht. De grote verbanden. Het grote verhaal.

Marija Gimbutas Gods and goddesses of Old Europe

Een matriarchale cultuur met godinnen

Zij kwam daarbij met bevindingen die ons patriarchale wereldbeeld op zijn grondvesten deden schudden: Ze hadden daar in dat Oude Europa een matriarchale cultuur waarin ze godinnen aanbaden. Natuurlijk kwam haar dat op kritiek te staan. Onder en/ of naast een zekere afkeer van (of angst voor) een godinnen cultuur school zeker ook een clash tussen verschillende wetenschapsculturen en methoden.

Wetenschappelijke methoden

Probleem is natuurlijk dat je niet experimenteel kunt aantonen dat een beeldje met een vrouwenlichaam en een vogelkop een godin voorstelt. Probleem is ook dat het bekende meten is weten hier niet opgaat. Desalniettemin zijn er wel critici die keihard een dergelijk soort bewijs van haar opeisen. Maar is zo'n eis eigenlijk wel zo hard wetenschappelijk?

Hard wetenschappelijk is de wijze waarop onderzoekers als Marija Gimbutas en Andreacute; Leroi-Gourhan vanuit een gedegen wetenschappelijk kader, vanuit een groot en grondig bestudeerd corpus en vanuit een dwingende samenhang de betekenissen logisch hebben afgeleid.

We zullen Gimbutas dan ook even op haar weg volgen en kijken welke gegevens en welke bevindingen solide aanknopingspunten bieden voor onze zoektocht naar meer inzicht in wat verbinding en ziel (fenomenologisch en ontologisch gezien) inhouden.

Afscheid van het Vézère-dal en de IJstijd

Dit gezegd hebbende, nemen we afscheid van het Vézère-dal in de IJstijd. In gedachten zien we nog even die mammoet daar staan op de besneeuwde vlakte, met zijn slurf in de hoogte geheven, badend in het licht van een volle, zilveren maan. De tijd van kristallen sneeuwvlokken wijkt met haar betoverende schoonheid en met heel haar indrukwekkende dierenrijk vol mammoeten, reuze herten, wolharige neushoorns, holenberen en holenleeuwen voor een periode met warmer klimaten.

Het Oude Europa

De wereld van het Oude Europa verschijnt. Een wereld meer naar het Oosten. Naar het Zuidoost-Europa van zo'n 9000 tot zo'n 5500 jaar geleden. Een gebied dat zich oostwaarts uitstrekt van Italië tot aan de Zwarte Zee en noordwaarts van de Middellandse Zee tot in Zuid Polen en de Oekraïne. Een cultuurrijk dat loopt van de Nieuwe Steentijd (het neolithicum) via de Kopertijd helemaal tot aan de Bronstijd.
De namen zeggen het al: Deze perioden zijn gekoppeld aan de technische ontwikkeling en het materiaalgebruik van de mensen van toen. Daarbij zou je bijna voorbijgaan aan een paar gebeurtenissen van betekenis: De periode van het Oude Europa loopt namelijk ook van het einde van de IJstijd waarin de mensen leefden als nomaden en jagers-verzamelaars tot aan de opkomst van de veeteelt en de akkerbouw waarbij de Oude Europeanen zich gingen settelen aan zeeën en in rivierdelta's. En van de intrede van de landbouw gaat het Oude Europa weer verder tot aan het ontstaan van het schrift, en dan met name het lineaire schrift.

Het Oude Europa

Een zee aan kunstschatten

Maar wat maakt het Oude Europa nu tot zo'n eenheid? En wat werd ervan teruggevonden? De hoeveelheid kunstschatten die uit de diepten van dit verre verleden zijn opgegraven, is ronduit verpletterend! Duizelingwekkend! Overweldigend! Niet alleen qua kwantiteit, duizenden kunstwerken dansen voor je ogen, maar zeker ook qua kwaliteit. Compleet gave getuigstukken van Europa's oude cultuur geven een inkijk in die wereld van toen, en laten dit verleden spreken.

Wanneer je The Goddesses and Gods of Old Europe van Marija Gimbutas doorbladert en al die foto's en al die tekeningen van vondsten uit die tijd voorbij ziet gaan, besef je pas goed hoe rijk deze wereld aan kunst was en hoe goed die gedocumenteerd is. Bovendien valt een overvloed aan beelden en afbeeldingen met vrouwelijke kenmerken en vrouwelijke vormen onmogelijk meer te ontkennen. Je kunt evenmin zomaar om de authenticiteit van al deze kunst heen, om de simpele reden dat er hierover in de wetenschap duidelijk sprake is van consensus. Godinnen en Goden van het Oude Europa is een afspiegeling van wat en van hoeveel er vanuit de grondlagen van het Oude Europa tevoorschijn is gekomen. Gimbutas windt er geen doekjes om: Op een totaal van rond de 3000 opgravingsterreinen werden maar liefst zo'n 30.000 beeldjes van klei, been, marmer, koper of goud uit de diepten der aarde naar boven gehaald. En dan hebben we het alleen nog maar over beeldjes en niet over de talloze versierde vazen, wandversieringen, miniatuurtempels, tempels, altaren, rituele voorwerpen, offeruitrustingen en inscripties.

Overeenkomsten met de grotkunst

Wat in het oog springt, zijn drie belangrijke overeenkomsten met de grotkunst uit het Vézère-dal.

*Als de rotswanden van het Vézèdal de belangrijke, zo niet centrale plaats van het vrouwelijk in de paleolithische kunst weerspiegelen, is zij helemaal dominant aanwezig in de cultuurrijkdommen van het Oude Europa. Zowel qua aantal afbeeldingen als qua patroon; telkens keren haar vormen en haar tekens, of liever haar symbolen, weer.

*Zowel in de grottekeningen van Zuidwest-Frankrijk als in de zee aan vrouwenbeeldjes uit het Oude Europa verschijnen hybride wezens. Half mens / half dier. In Lascaux hebben we de man met de vogelkop, in Chauvet de bizon-vrouw en in het Oude Europa talloze vogelgodinnen, wezens met een vrouwenlichaam, veelal eivormige rondingen bij de buik en/ of de billen, (vaak onvolledige) vleugels of vleugelachtige armen, en een vogelkop waaraan de snavel zeer zeker niet ontbreekt. Niet zelden hebben deze godinnen de lange hals van watervogels als ganzen, zwanen, ooievaars en kraanvogels. Naast de vogelvrouw duikt ook de slangenvrouw regelmatig op in de kunstverzameling uit het Oude Europa. Zij heeft een slangachtig lichaam dat veelal omwonden is met spiralen.

De man met de vogelkop uit de grotkunst

De bizonvrouw uit de grotkunst

Vogelgodin uit het Oude Europa

Slangengodin uit het Oude Europa

*In het Vézère-dal is de grotkunst eerder stilistisch en symbolisch van aard dan realistisch, al kunnen de dieren op de rotswanden er griezelig echt overkomen, en treffen we er naast figuratieve kunst ook abstracte tekens aan. Dit is in het Oude Europa niet anders, zij het dat de abstracte tekens er doorgaans zijn verwerkt in een beeld of in een afbeelding. Zo zijn de beeltenissen van vogelgodinnen veelal versierd met V'-en, visgraatmotieven (chevrons), spiralen, golflijnen, parallelle lijnen en/of meanders. Je voelt, ziet, hoort en/ of ruikt het water al ruisen, vallen, golven of voorttrekken, meanderen, spiegelen of stromen.

Vogelgodin met waterpatronen (1)

Vogelgodin met waterpatronen (2)

Kortom, de kunstwerken uit het Oude Europa en uit de grotkunst hebben het volgende met elkaar gemeen: In beiden

*speelt het vrouwelijk een prominente rol

*zijn de kunstwerken stilistisch en symbolisch van aard

*komen abstracte tekens en symbolen veelvuldig voor

*en treffen we hybride wezens aan

Godinnen

Zoals we hebben gezien, roept het eerste punt meteen een reeks vragen op. Wat we bij de grotkunst hebben kunnen vaststellen is dat het vrouwelijk voor de kunstenaars een natuurkracht moet zijn geweest. Maar werd zij ook vereerd in de hoedanigheid van een soort oer-bizon of bizon-godin? En hoe zit dat in het Oude Europa? Waren de vogelgodinnen daar ook daadwerkelijk godinnen?

Bij deze vraag stuiten we meteen op een aantal mogelijke bezwaren en moeilijkheden, namelijk:

*Wat verstaan we eigenlijk onder een godin? Hangt dat niet af van welke naam je aan het beestje geeft? Of eerder andersom: van welke betekenis je er maar aan wilt toekennen?

*Hoe kun je nu ooit bewijzen dat zo'n vrouwenbeeldje een godin moet voorstellen?

*En welk belang dient deze vraag eigenlijk?

Hoe weten we dat het godinnenbeelden waren?

Laten we met die tweede vraag beginnen: Hoe bewijs je het? Je kunt het natuurlijk moeilijk bewijzen aan de hand van een experiment. Weten is meten kunnen we hier vergeten. En bij dit soort vragen is het leveren van wiskundige bewijzen schier onmogelijk. Wat nu? We hebben om te beginnen nog een paar troeven in handen:

*de al eerder genoemde dwingende samenhang

*de logica met haar deductiesysteem
(afleidingssysteem) (Wat kunnen we uit de gegevens op logische wijze afleiden?)

*de studie van de context van de vondsten
(Waar zijn ze gevonden? En wat lag er nog meer?)

*comparatief onderzoek
In dit geval gaat het om de vergelijking met andere culturen. (Wat heeft deze cultuur gemeen met andere culturen? En wat weten we van hun gemeenschappelijke deler in die andere, beter bekende cultuur?) NB deze vergelijking kan synchroon (tussen culturen uit dezelfde tijd) of diachroon (tussen culturen uit verschillende perioden) zijn.

*continuïteit
Genoemd comparatief en diachronisch onderzoek kan in veel gevallen een zekere continuïteit aan het licht brengen: Culturen nemen vaak dingen van elkaar over en borduren daarop voort.

Slangengodin uit het Oude Griekenland (Kreta)

Vogelgodin uit het Oude Egypte (1)

Vogelgodin uit het Oude Egypte (2)

Vogelgodin uit het Oude Babylonië

*een heel referentiekader Archeologen en antropologen hebben in de loop der tijden een heleboel vakkennis opgedaan waarmee ze in hun onderzoek veel dingen kunnen plaatsen. Hierbij kun je, bijvoorbeeld, denken aan een vele culturen breed mythologisch kader van waaruit ze veel kunnen herkennen en identificeren.

Context van de godinnenbeeldjes

De context is meteen al van betekenis. De vrouwenbeeldjes werden gevonden in tempels en miniatuurtempels. Of in ieder geval in wat als zodanig door vakspecialisten is geïdentificeerd. Dat wijst erop dat ze in een religieuze context zijn gevonden.

Offers

Toch kun je misschien als je heel kritisch of heel sceptisch bent, of als je gewoon de advocaat van de duivel wilt spelen, nog altijd volhouden dat het misschien wel helemaal geen tempels waren, maar iets anders. Maar als dan ook nog eens blijkt dat er offers gebracht werden, sluit het net zich, en blijft er significant minder ruimte over om het bestaan van de een of andere vorm van godsdienst in het Oude Europa als onzin af te doen.
Zo kwamen er bij een aantal opgravingen uit de grondlagen van ons Oude Europa offerkuilen tevoorschijn. In deze kuilen lagen niet alleen de resten van geofferde dieren zoals oerossen, schapen en zelfs marters, maar ook rituele voorwerpen. In Podolia (Oekraïne) is in de directe nabijheid van zo'n offerkuil zelfs een heel altaar gevonden.

Godinnen met gevoelens en gemoedstoestanden gunstig stemmen

Offers, tempels en vele vrouwenbeeldjes op significante plaatsen; steeds krachtiger dringt de conclusie zich op dat we hier met een godinnenverering te maken hebben. Een godinnenverering of zelfs aanbidding. Mannen, vrouwen en misschien zelfs kinderen die een offer brachten aan een godin, waarom deden ze dat? Was dat soms om haar gunstig te stemmen? En als zij haar zo graag gunstig wilden stemmen, was dat dan niet omdat zij haar blij wilden maken? Omdat zij wisten dat zij emoties had? Gemoedstoestanden, gevoelens en gedachten? Vergelijkbaar met de onze? Alleen verhevener wellicht?

Cultusvoorwerpen

Communiceren met godinnen

En betekent dit alles bij elkaar dan niet dat zij haar bezagen als een bezield wezen? Als een ziel? Als een geest? Als een superieur wezen of als een superwezen dat naar ons mensen luisterde? Dat ons begreep? En waar we mee konden communiceren? Waar we verbinding mee konden hebben?!
Met het offer is een nieuwe dimensie toegevoegd. Waar we in de grotten van Lascaux en Chauvet nog in het duister tasten en niet goed kunnen uitmaken of de bizon daar nu een godin was of niet, hebben we in het Oude Europa licht in het donker van 'de nacht der tijden' ( la nuit des temps).

Godinnen als heerseressen over de natuur

Toch hebben het Vézère-dal en het Oude Europa iets opmerkelijks met elkaar gemeen: In beide werelden zijn hybride wezens versteend op wanden of in beelden. Hybride wezens, half mens/ half dier. In Zuidwest-Frankrijk stonden dieren symbool voor natuurkrachten, in essentie het mannelijk en het vrouwelijk waaraan weer andere krachten werden ontleend. In het Oude Europa zijn deze natuurkrachten geïncorporeerd en geïntegreerd in het goddelijke, of moet ik het 'godinnelijke' zeggen? Of, om terug te komen op het offer, werden deze natuurkrachten in handen gelegd van godinnen. Godinnen die de natuurkrachten beheersten en die heersten over de natuur, en die daardoor een bovennatuurlijk karakter kregen. Godinnen die een spin in het web waren. Een brug. Een brug die mensen verbond met de natuur en de natuur met de mensen.

Godinnen, associaties, symbolen, mythen en verbinding

De godinnen waren voor de Europeanen van die tijd duidelijk een verbindende factor van betekenis. De vogelgodinnen- en slangenvrouwbeeldjes spreken boekdelen. Hun symbolen ontvouwen een hele mythologische wereld waarin alles met elkaar in verbinding staat. Watervogels roepen het beeld van water op en water dat van vallende regen, meanderende riviertjes, golven en kringen. Geen wonder dat we op onze hybride-wezens, half vrouw/ half vogel, symbolen vinden in de vorm van V'-en, visgraten, golflijnen, parallelle lijnen en spiralen. De kringen breiden zich uit als rond de plek waar een steentje zojuist het wateroppervlak raakte. Want water associëren we met wassen, groeien en vruchtbaarheid. En vruchtbaarheid doet ons denken aan eieren, en eieren weer aan vogels en vogels aan water: De kring is rond, en rond is de slang die zich in zijn eigen staart bijt. En rond zijn de bochten waarin zij zich draait, evenals de bochten van rivieren. En lang en smal is zij, en recht als de lijnen van de striemende regen.

Waar het hier om draait is dat evenals in het Vézère-dal van de IJstijd (met zijn interglacialen) zich in het Oude Europa een heel web van open symbolen ontvouwde waarin van alles in een mythologisch spel met elkaar in verband werd gebracht. De associaties stroomden als water.

Een verschuiving van ín naar bóven de natuur

Mogelijk heeft er in de loop van de tijd een verschuiving plaatsgevonden. In het Vézère-dal stonden de symbolen wellicht nog voor de natuurkrachten zélf, terwijl in het Oude Europa de godinnen waarschijnlijk bóven de natuur stonden, als meesteressen der natuurkrachten. Was het bovennatuurlijke uitgevonden? Of ontdekt? Tot ons bewustzijn gekomen?

De meesteressen der natuur gunstig stemmen

Dankzij hun leefstijl als jagers-verzamelaars en later als landbouwers dichtbij de natuur, ervaarden de mensen in de steentijd dagelijks hun afhankelijkheid van en hun onderworpenheid aan de natuur. Ze waren aan haar overgeleverd. Aan haar grillen en aan haar nukken. Bovenal moesten ze haar zien gunstig te stemmen of liever nog zíj die over haar heersten.

Net als in het Italië na christus kende het Oude Europa perioden van droogte. Je kunt je gemakkelijk voorstellen hoe de akkerbouwers de godinnen op hun knieën smeekten om regen. Smeekbeden met een lange adem, tot in het Italië en Zuid Frankrijk uit een recent verleden aan toe waarin de madonna in een processie werd rondgedragen en overstelpt met gebeden. Wat overigens niet wil zeggen dat godinnen op platte wijze werden gezien als een soort belangenbehartigers. Vooral niet omdat zij de karakters, de heldinnen waren van een heel mythologisch spel waarin zij ongetwijfeld indruk maakten met hun geesteskracht.

De Heilige Maria in een smeekbede om regen

Wat is een godin?

De term 'godin' kun je natuurlijk van allerlei betekenissen geven, afhankelijk van de context, van je culturele achtergrond of van hoe je pet staat. Dat laat onverlet dat we ook een misschien wat minder willekeurige definitie kunnen formuleren, die we direct kunnen koppelen aan het Oude Europa. Deze definitie moet in ieder geval de volgende kenmerken insluiten:

*Een godin is een vrouwelijk en bovennatuurlijk wezen

*Zij is een dynamisch en meerdimensionaal symbool van het vrouwelijk

*Zij maakt als zodanig deel uit van een web van associaties en verbanden
(waarin water, slangen, vogels en vrouwen centraal staan)

*Zij inspireert; dankzij haar associatieve kracht en haar semantisch veld creëren we verhalen en 'scheppen' we een mythische wereld

*Zij heerst over natuurkrachten die geassocieerd worden met het vrouwelijk

*Zij kan gunstig worden gestemd

*Zij heeft gedachten en gevoelens vergelijkbaar met de onze, zij het dat deze wellicht van een verhevener soort zijn

*Zij is een ziel of in ieder geval bezield

*Wij mensen kunnen met haar communiceren en met haar verbonden zijn

*Zij is een belangrijke intermediair; middels offers (en gebeden?) konden de mensen (in ieder geval in hun belevingswereld) invloed uitoefenen op de natuur.

Waarom is het van belang te weten dat het godinnenbeeldjes waren?

Deze gedachtestroom voert ons terug naar die derde vraag: Waarom is het eigenlijk van belang om te weten of de vrouwenbeeldjes van het Oude Europa godinnen moesten voorstellen? Omdat dit immers alles te maken heeft met onze kernvraag, namelijk wat verbinding is, fenomenologisch en/ of psychologisch gezien, en met de daaraan gekoppelde vraag wat we moeten verstaan onder de ziel.

De driehoeksverhouding

Godinnen wijzen op het (bewuste of onbewuste) geloof dat wij middels een bovennatuurlijke werkelijkheid verbinding (kunnen) hebben met de natuur. Het is een soort driehoeksverhouding met aan de brede basis de mens en de natuur en met de godin of de godinnen aan de top. Bovendien moet er in de belevingswereld van de Oude Europeanen een soort hogere gevoels- en gedachtewereld zijn geweest waar zij vanuit hun eigen zieltjes, als we die voor het gemak zo even mogen noemen, tegenop keken.

Was het geloof in een metafysische werkelijkheid geboren?

Was de metafysica geboren? Of in ieder geval een soort (bewust of onbewust) geloof in een immateriële, geestelijke werkelijkheid? Dat hangt af van de hoedanigheid van de godinnenbeelden zelf.

*Incarneerden de beelden een godin?
Incarneerden deze een godin? Of was het beeld de godin zelf? Dan lijkt er van metafysica nog geen sprake te zijn.

*Waren het afbeeldingen van een godin?
Maar als een beeld daarentegen alleen maar een voorstelling was van een godin, dan ligt het ingewikkelder. Was het beeld in dat geval een natuurgetrouwe weergave van een godin elders? In een verborgen rijk? Dan is er wederom geen sprake van geloof in een metafysische wereld. Niet direct althans (omdat zij dan nog altijd een 'gewoon' lichaam kan hebben).

Symbolische voorstellingen

In het Oude Europa hebben de godinnenbeelden echter veel meer weg van een symbolische voorstelling. En dan is het natuurlijk de vraag waar zij naar verwijzen? Naar een hogere werkelijkheid? Principes? Een geestenrijk? Een metafysische wereld?

Het aanschouwen van natuurgeesten

Het ten tonele verschijnen van godinnen zou weleens kunnen wijzen op een belangrijke verschuiving in onze denkwereld of toch op zijn minst in onze belevingswereld.

In het Vézère-dal van de IJstijd aanschouwden de mensen het dierenrijk. Het was alsof zij toeschouwers waren in het theater der natuur. Daarin zagen zij zeer zeker niet alleen maar losse individuen of exemplaren. Want hun symbolen verraden een belevingsvorm of misschien zelfs wel bewustzijn van hele natuurverschijnselen zoals het mannelijk, het vrouwelijk, het leven en de dood. In zekere zin waren de dieren die deze krachten in het levensspel symboliseerden, de helden en heldinnen in hun mythologische toneelstukken. Helden en heldinnen waar zij zwaar tegenop keken. Herinneren we ons de man bij de put nog, daar in Lascaux? Het mannetje dat hulpeloos op de grond ligt aan de voeten van een bizon? Dit tafereel is tekenend voor de passieve houding van de mensen van toen ten opzichte van de natuur: Ze waren machteloos en volledig aan haar onderworpen. Maar ze aanschouwden, observeerden en beschouwden wellicht. Ze vertelden, verhaalden en creeuml;erden mythen waarin de open symbolen een sleutelrol speelden. En dat smeedde een band, een band met de natuur en met elkaar. Je kunt je makkelijk voorstellen hoe zij daar zaten rond hun kampvuren (waar wél resten van zijn gevonden.)
Ze voelden zich duidelijk onderdeel van de wereld die hen omringde. Tegelijkertijd maakte hen dat ontvankelijk voor het grootse van de natuur. Ze werden als de druppel die opgaat in de wijde zee. Groot in hun klein-zijn. Van offers of andere manieren om de natuurkrachten te beïnvloeden ontbreekt echter ieder spoor. Goden gunstig stemmen was er nog niet bij. Bovendien stonden hun helden en heldinnen nog midden in de natuur. Dat er vrijwel uitsluitend diersymbolen werden gebruikt, mag dit benadrukken. Niets wijst erop dat deze protagonisten buiten en/ of boven de natuur werden geplaatst. Waren het een soort natuurgeesten? Geesten der natuurverschijnselen?

Het aanbidden van en beïnvloeden via bovennatuurlijke geesten

Hoe anders was dit alles niet in het Oude Europa! Uit hun godinnenaanbidding kunnen we wel opmaken dat de natuur in de beleving van de Oude Europeanen van hogerop en dus van buitenaf werd bestuurd. Een verschuiving in het machtsveld van bínnen naar bóven en buíten de natuur. Tegelijkertijd veranderde dat waarschijnlijk ook de grondhouding van de Europeaan. Van een meer passieve toeschouwer van de natuur veranderde hij in een aanbidder die middels zijn gebeden actief invloed dacht te kunnen uitoefenen op de wereld om hem heen. En dat verbond hem, zoals gezien, in een driehoeksverhouding met het hogere en met de natuur.

Wat is een ziel?

Wat verbinden we met wat? Of wie of wat is met wie of wat verbonden? En hoe of op welke wijze? Dat zijn de vragen die we ons stelden. Bij deze vragen komt al heel snel het zielenvraagstuk om de hoek kijken. Want zijn het geen zielen die we met elkaar verbinden? Of zielen die met elkaar verbonden zijn?
Maar dan is natuurlijk de vraag wat we daar onder moeten verstaan. Verhelderend kan een blik zijn terug in de tijd. Ver terug naar de IJstijd. Want wat kunnen we daaromtrent opmaken uit de grotkunst? Hoe keken onze kunstenaars naar de ziel? Of hoe ervaarden of beleefden zij die?

Beweging

Natuurlijk blijft het tienduizend of tienduizenden jaren na dato gissen naar wat zij geloofden, dachten of beleefden. Toch kunnen we ons wel een beeld vormen. Bijna letterlijk. In het licht van fakkels en kampvuren komen er dieren op de rotswanden tot leven. Vlammen dansen en bizons, herten en paarden bewegen ogenschijnlijk mee op het reliëf van grilliggevormde muren. De dieren drukken in hun tekeningen een en al dynamiek uit. In de grotten zijn overal resten gevonden van kampvuren uit de IJstijd. Beweging speelde klaarblijkelijk een belangrijke rol in het werk van de Franse kunstenaars uit deze lang vervlogen tijden.

Leven en bewegen

Maar waarom eigenlijk? Wat beoogden zij? In dit licht spreekt de bizon-vrouw van Chauvet boekdelen. De bizon-vrouw met achter haar een leeuw, en tegenover haar een leeuw. Nee, niet één leeuw, maar meerdere leeuwen. Jagende leeuwen. De dood. De dood waarover de vulva van de bizon-vrouw op symbolische wijze triomfeert. Het leven. Het lijkt er dan ook sterk op dat leven en bewegen in de grotkunstcultuur aan elkaar gekoppeld werden.

De bizonvrouw van Chauvet

Universele verschijnselen, zielen en symbolen

Maar koppelden zij het leven in hoofdzaak aan levende individuen? En dan met name aan losse dieren? Opvallend is dat individuele trekken niet of nauwelijks in de rotskunst aan bod komen. De dieren zijn op conventionele, stilistische en symbolische wijze getekend. Symbolen, en dat is hier van kapitaal belang, staan per definitie niet voor individuele zaken, maar voor abstracte, collectieve of zelfs universele verschijnselen. Waar de kunstenaars vooral oog voor leken te hebben was níet zozeer voor het leven van losse individuen op zichzelf met al de daarbij behorende aléas de la vie, maar wél voor het leven als geheel. Of liever in haar geheel, met al haar krachten en haar machten. Daarin stonden op de rotstekeningen het mannelijk en het vrouwelijk centraal.

Samenvattend

Samenvattend:

*Beweging werd ervaren of beschouwd als een primordiaal kenmerk van leven

*Leven werd (vooral) gezien als een geheel aan natuurverschijnselen

*De machten en krachten der natuur lagen bínnen de natuur zelf

*Het mannelijk en vrouwelijk stonden in dit krachtenveld centraal

Mannelijk en vrouwelijk: de ganse natuur komt tot leven

Uit de dikke mist van een ver verleden doemt hier het beeld op van twee natuurkrachten, het mannelijk en het vrouwelijk, die de ganse natuur in beweging brengen en tot leven wekken. Vergelijk het met elektrische stroom. En denk daarbij aan een stad die baadt in de duisternis. De stroom is uitgevallen. Maar dan is deze plotseling weer hersteld. Als bij toverslag komen treinen op gang en gaan in alle gebouwen de lichten aan. Energie stroomt en de stad komt weer tot leven. Alleen wat zegt dit alles over de ziel? Simpel gezegd dat voor de cro-magnonmens de ziel eerder een collectieve of universele aangelegenheid was dan een individuele.

Bovennatuurlijke machten

In het Oude Europa komen de kaarten heel anders te liggen. De intrede van godinnen luidt het tijdperk in van geloof in bovennatuurlijke zielen. Zielen in die zin dat het wezens zijn met gemoedsstemmingen, gevoelens en gedachten. Zielen met een menselijk gezicht, zij het dat zij met hun hybride voorkomen in de beeldkunst benadrukken dat zij bóven de mensen staan en bóven de natuur. Al prent hun hybride voorkomen ons ook meteen in dat zij sterk met de natuur verbonden zijn en dat zij onmogelijk los van haar gezien kunnen worden.

Individuele zielen

Tegelijkertijd komt de individuele ziel meer in beeld. De ziel die offert, aanbidt, vraagt. De ziel die actief invloed probeert uit te oefenen op de wereld om hem heen. En dat zelfs wanneer al die offers en gebeden (?) uitsluitend of hoofdzakelijk een groepsgebeuren waren.

Universele zielen ín de natuur

We zagen dat in het oude Vézère-dal beweging een belangrijk kenmerk was van de (individuele) ziel. Maar meer nog dat het veroorzaken van beweging (en leven) eigen is aan natuurkrachten of universele zielen. Universele zielen die huizen in de natuur. Die vanuit en binnenin die natuur werken. In horizontale richting. (Of die misschien zelfs wel van beneden, uit de aarde opborrelen om doorheen de ganse natuur te stromen.)

Bewegers

En in het Oude Europa? Speelt beweging daar soms géén rol meer? Godinnenbeelden uit die tijd, compleet met een vogelmasker en gaten lijken op het tegendeel te wijzen. Waarom? Omdat de gaten er duidelijk toe dienden om zo'n godinnenbeeld op te kunnen hangen. Natuurlijk kunnen we dat opmaken uit een stukje natuurkunde. Maar dat is niet het enige: Op sommige plaatsen in Griekenland en omstreken is wellicht sprake van een continuüm. Tot op de dag van vandaag worden daar bij bepaalde festiviteiten vogelmaskers aan het spel der luchtstromen overgegeven. Maskers, wiegend, dansend, bewegend in de wind. Maar waar draait het hier om? Om de beweging van het masker en in symbolische zin van de godin zelf? Of om de associaties tussen wind, beweging en godin? Om de godin als beweger? Als veroorzaker? Als bron?

In grote lijnen

De mens neemt waar, associeert en legt verbanden. Deze associaties en verbanden leven in zijn (collectieve en/ of individuele) belevings- en gedachtewereld. (Of er hier sprake is van louter mentale constructen of van de weerspiegelingen van een universele werkelijkheid, laten we hier in het midden.)

Alles wat met elkaar geassocieerd is of kan worden vormt een meerdimensionale configuratie, een stelsel, een web. In dit web kunnen bij voortduring nieuwe verbanden worden gelegd. De knooppunten, die vanuit de semantiek of betekenisleer nader gedefinieerd dienen te worden, verbinden zich hierbij alsmaar weer met andere knooppunten. Zo'n knooppunt krijgt hierdoor steeds meer kanten en aspecten, waarbij haar betekenis wordt verrijkt. Deze verrijking zorgt ervoor dat het knooppunt aan associatieve kracht wint, haar semantische veld wordt versterkt en vergroot, en daardoor gemakkelijker met nog weer andere knooppunten in verbinding kan worden gesteld.

Spinsels ontstaan en uit de spinsels verhalen, mythen. Het web der associaties en verbanden heeft een creatieve, 'scheppende' kracht.

In dit stelsel hebben we open symbolen. Deze meerdimensionale en dynamische symbolen hebben een semantische lading. Daarmee trekken ze kanten en aspecten aan van andere symbolen waarmee zij zich verbinden. (Denk, bijvoorbeeld, maar eens aan de verbindingen tussen maan en vrouw.) Steeds nieuwe symbolenconstructies en configuraties ontstaan. Er is sprake van semantische chemie. Open symbolen staan per definitie niet op zichzelf. Open symbolen zijn nooit af. Nooit compleet. Ze blijven reactief.

Dit open karakter maakt deze symbolen bijzonder geschikt om complexe, vaak meer abstracte zaken mee aan te duiden. Ze verwijzen dan ook nooit naar individuen of exemplaren, maar naar het collectieve of universele. Zo hebben we géén symbolen voor Jan of Piet terwijl we die zeker wél hebben voor het mannelijk, het vrouwelijk, de liefde en de vrede.

Het is aannemelijk dat bij natuurvolkeren diersymbolen staan voor de machten, krachten en verschijnselen der natuur. Tegelijkertijd zijn zij de protagonisten van een mythologisch spel. Hierdoor verwijzen deze symbolen al snel naar natuurgeesten. Geesten waar deze volkeren tegenop kijken, ook al huizen die ín en werken die vanuít de natuur zelf. Het goddelijke, als we dat zo even mogen noemen, ligt niet buíten, maar bínnen de natuur.

De symbooldieren die verschillende natuurverschijnselen c.q. natuurgeesten vertegenwoordigen, zijn, zoals we hebben gezien, de helden en heldinnen in een heel theater. Mogelijk heeft dit personificaties in de hand gewerkt: De symbooldieren kregen een steeds menselijker gezicht. Bovendien zou het zomaar zo kunnen zijn dat in het open-symbolen-spel bepaalde menselijke aspecten steeds verder met de natuurverschijnselen c.q. natuurgeesten werden geassocieerd, zó zelfs dat uit die chemie godinnen werden geboren. (Of in ons bewustzijn tot leven kwamen. Werden ontdekt. Gewekt.)

Godinnen met een hybride voorkomen, half mens/ half dier. Want het menselijke was hier immers met de (ronduit overweldigende) natuurverschijnselen versmolten. Toch zal een toenemende personificatie hebben geleid tot het 'externaliseren' van de natuurgeesten. Van ín de natuur kwamen zij bóven en buíten de natuur te staan. Ze werden 'bevorderd tot meesteressen van de natuur. Tot heerseressen over haar krachten, machten en verschijnselen. Tot veroorzakers. Tot bewegers.

Niets staat de intrede van godinnen meer in de weg: De natuurgeesten hebben een menselijke kant. Zij denken en voelen als wij. We kunnen met ze communiceren. Tegelijkertijd zijn ze als meesteressen der natuur oppermachtig. Ze kunnen ons helpen. Ze kunnen ons redden. Ze kunnen ons bijstaan. De offerende mens verschijnt op het toneel. En de godinnen zijn op hun troon geplaatst. Eerst alleen figuurlijk wellicht, maar later ook letterlijk.

Associatief voelen en denken werkt verbindend. We beleven het web der verbindingen, en in dit web het grote geheel. Open symbolen spelen daarbij een sleutelrol. De verbinding met het grote geheel maakt dat wij dit ook als bezield zullen beleven. De ziel is dan niet alleen individueel, maar eerst en vooral ook collectief en/ of universeel.

Speciale aandacht verdienen onze associaties en symbolen. Hoe maken we die? Waarom maken we die? Zijn het louter en alleen hersenspinsels? Of bestaan die verbanden ook buiten ons? Het zijn allemaal vragen die verschillende vakgebieden aangaan, zoals de taalkunde (en in het bijzonder de semantiek), de neurologie, de archeologie en de psychologie, de theologie en de filosofie.

Zijlijnen

Hebben associaties een lange adem? Komen ze van ver? Uit verre tijden? En is er sprake van continuïteit? Of duiken ze steeds opnieuw op? Omdat ze in ons systeem zitten? Of omdat ze verankerd liggen in een universele werkelijkheid? Zodat we ze ontdekken? En herontdekken? Alsmaar en telkens weer?
In de letterkunde is het goed gebruik om binnen de werkelijkheid van je boek te blijven. En als je dan al literaire werken met elkaar in verband wilt brengen, moet je keihard kunnen aantonen dat er directe lijnen lopen. De schrijvers moeten elkaars werken hebben gelezen, of ze moeten tot dezelfde stroming of school hebben behoord. Ze moeten op dezelfde lijn hebben gezeten of zich juist tegen elkaar hebben afgezet. Iedere disparaatheid, iedere vorm van 'hétéroclisme' of alles wat ook maar van verre riekt naar een samenraapsel is er uit den boze. Logisch.
Maar híer ligt dit anders. Want híer hebben we het over associaties. Associaties die los staan van tijden en plaatsen, laat staan van literaire scholen, stromingen of andere vormen van culturele continuïteit (of doelbewuste discontinuïteit). Zij lijken diep in de mens te zitten en op te duiken waar en wanneer ze maar willen.
Vandaar dat wij hier niet aarzelen om sterke verbanden te zien tussen kunstwerken uit hele andere tijden en culturen. Verbanden die niet spreken uit directe literaire en/ of culturele lijnen, maar wél uit de expressie van onze dieperliggende manier van voelen, denken en beleven.

À la Recherche du Temps perdu

In zijn lijvige en monumentale werk À la Recherche du Temps perdu raakt de Franse schrijver Marcel Proust (1871-1922) misschien wel de kern van onze manier van percipiëren en concipiëren: We zijn associatief denkende en voelende wezens.
Ter inleiding van de scene waarmee hij wereldfaam verwierf, biecht Proust op dat hij een oud geloof van de Kelten nog niet eens zo gek vindt. Ze geloofden namelijk dat de zielen der doden gevangen kwamen te zitten in een levend wezen; een plant, een boom of een dier, of zelfs in een niet levend wezen zoals een steen. En daar zaten zij dan, wachtend op de toevallige voorbijganger die hun aanwezigheid zou voelen. Die hen zou opmerken. En die hen daardoor weer tot leven zou wekken.
De vergelijking, de associatie, met wat hemzelf overkwam is treffend. Op een koude winterdag kwam hij als jongeman verkleumd thuis waarop zijn moeder hem meteen een kop warme thee aanbood. Geen kaal kopje thee, maar aangekleed met een mollige Madeleine, een typisch Frans cakeje in de vorm van een schelp. De jonge Marcel verkeert in een sombere gemoedstoestemming. Het is een doodsaaie dag en de dag van morgen belooft niet veel beter te worden. Een spreekwoordelijke 'elfde van hetzelfde'. Zonder er verder bij na te denken, brengt hij een lepeltje thee naar zijn lippen. Op het lepeltje reist een half-opgelost stukje van zijn cake mee. En dan gebeurt het:
Wanneer het 'tovermengsel' langs zijn gehemelte strijkt, krijgt Proust een soort orgastische ervaring. Hij beeft van opwinding om vervolgens weer aan de troosteloosheid der dagen te worden overgeleverd. De smaak wekt een hele wereld in hem. De wereld van zijn vroege jeugd. Vanuit de diepte reizen allereerst die zondagmorgens in hem omhoog waarop hij zijn tante Leonie altijd een knuffel kwam geven alvorens naar de mis te gaan. De ochtenden waarop zijn tante hem steevast een stukje van haar Madeleine gaf. Gedompeld in haar thee. En dan die smaak! De smaak die voor hem onlosmakelijk verbonden is met de zondagen uit zijn kinderjaren te Combray.

Marcel Proust

Vervolgens ontvouwen zich uit zijn lepeltje thee bloemen; bloemen uit de tuin van het huis van toen, bloemen uit het park van meneer Swann, waterlelies, wiegend op het water van de Vivonne, mensen; mensen uit het dorp, huizen, tuinen, de kerk, Combray, Combray met zijn wijde omtrek. En zo roept het een het ander op. En het ander weer het een.
Als geen ander weet Marcel Proust een heel web van associaties en verbanden te spinnen in zinnen die je niet leest, maar drinkt!

Trailer van de verfilming van A la Recherche du Temps perdu

Nils Holgersson

Nils Holgersson

Nils Holgersson tekenfilm

Vogels hebben voor ons mensen zeker iets magisch. Ze kunnen iets wat wij niacute;et kunnen, vliegen. Zeacute;lf vliegen. Vrij als een vogel kiezen zij zomaar het luchtruim. Wanneer ze maar willen. Met hun vleugels stijgen zij dan op naar hoger sferen. Naar de hemel. Een rijk waar wij vanaf de grond slechts van kunnen dromen. (Zonder onze moderne hulpmiddelen althans.)
Geen wonder dat er altijd en overal maar weer magische vogels opduiken in onze mythen, sprookjes en vertellingen. Neem nu Duco's gevleugelde dromen, een boek dat je op de vleugels van Anton Piecks tekeningen meevoert naar een droomwereld die diep in ons ligt verankerd. Een wereld die iets vreemds heeft. Iets geheimzinnigs. Iets mystieks. Maar die we tegelijkertijd van binnen en van buiten kennen. Herkennen.

Duco's gevleugelde dromen

Duco is een slaperig, dromerig jongetje. Alweer geen wonder. Want iedere nacht zitten er wondervogels aan zijn venster. Windkuikens die hem komen halen. En die hem op hun vleugels meenemen naar een ver land. Naar daar waar koning Jacohé regeert met zijn tovermacht.

De magie van vogels is groot. Godinnelijk. In de steentijd letterlijk zelfs. Vogels werden er geassocieerd met wat groots is en wijds. Oneindig. Met de hemel en het water. Net als het vrouwelijk. Watervogels stegen daarbij boven alles uit. Vrouwelijker waren ze dan andere vogels. Zwanen, ooievaars, en reigers, kraanvogels, wilde eenden en ganzen. Met hun lange halzen maakten zij tegelijkertijd het diep feminiene met het mannelijk compleet. Op symbolische wijze. Een soort Yin en Yang. Dat de halzen met fallussen in verband werden gebracht is niet zomaar een losse gedachtenflodder. Schieten met wilde interpretaties. Maria Gimbutas onderbouwt dit idee stevig vanuit verschillend bronnenmateriaal en vergelijkend onderzoek (hoewel ze op weinig overtuigende wijze de hypothese openlaat dat het slechts zou gaan om een versmelting tussen de vogel- en slangengodin). Hoe dan ook moeten de mensen uit de steentijd betoverd zijn geweest door deze vogels.

Kraanvogel

En nu? Duizenden jaren later? In onze moderne tijd? Wat bewoog de Zweedse Selma Lagerlöf (1858-1940) toen zij haar beroemde Nils Holgersson schreef? Wat bracht haar in hoger sferen? In de grenzeloze ruimte waarin een vlucht ganzen hoog over het wijde water vliegt? Over bossen, bergen en dalen? Daar, ver beneden hen, ergens verloren in de diepte. Of over huizen en kerktorens die daar liggen als nietige stipjes? En waarom reist er ook hier weer een jongen mee op vleugels? Bovenop een gans? Omdat het maar een 'lullig kinderboek' is? Of is het uit diezelfde betovering? Uit diezelfde fascinatie? Uit diezelfde vervoering, precies diacute;e waarin de mensen in de steentijd óók raakten bij het zien van zo'n vlucht ganzen, dat zij haar schitterende boek schreef?
Ook in Nils Holgersson worden we meegenomen in een wereld waarin wijdheid, water, vogels en vrouwelijkheid regeren. In het begin van het boek heeft het jochie bitter weinig gevoel en mededogen voor de dieren op de boerderij van zijn ouders. Hij treitert, sart en pest erop los. Tot het een keer hopeloos misgaat en hij voor straf wordt betoverd in een kabouterjongen. Terwijl hij Maarten Ganzerik aan het touw om zijn hals houdt, laat de tamme gans zich verlokken om met de wilde ganzen mee te gaan op hun lange tocht naar Lapland. Nils heeft geen keuze meer. Of hij nu wil of niet, er rest hem niets anders meer dan mee te reizen met de ganzen. Wat als een straf bedoeld was, draait zo gelukkig uit op een wijze les. Hij komt namelijk op zijn lange trektocht onder de vleugels en bezielende leiding van Akka van Kebnekaise. Akka is de onbetwiste ganzen-leidster. En met rede. Want weerspiegelt haar wezen niet de wijdheid van het water? De hoogte van de hemel? De vrijheid van een vogel? En de wijsheid van het vrouwelijk? Akka lijkt daarmee welhaast goddelijke, godinnelijke dimensies aan te nemen. Een vogelgodin? Weggevlogen uit een duizendenjarenoude mythe? Het heeft er veel van weg.
De lange reis met de ganzen heeft de jongen zeker geen kwaad gedaan. Als geen ander voelt hij zich verbonden met de ganzen en zijn Zweden.

Manon des sources

Manon des Sources

Van het koude noorden, al is het daar 's zomers vaak verrassend warm, keren we terug naar Frankrijk. Naar het zonovergoten Zuid-Frankrijk om precies te zijn. We zijn ergens in de bergen rondom Aubagne. Manon des sources is van de hand van de Franse schrijver Marcel Pagnol (1895-1974). Het is het vervolg op zijn boek Jean de Florette. Beide werken zijn op meesterlijke wijze verfilmd. In de gelijknamige films floreren Yves Montand en Daniel Auteuil in de rollen van de oude Papet en diens simpele neefje Ugolin.
Deze oudoom en zijn neefje zijn de laatste telgen uit de machtige en geldbeluste familie Soubeyran die op uitsterven staat. Haar rijkdom heeft de familie zowat zelf te gronde gericht: Het geld trouwt onder elkaar; neven met nichten en nichten met neven. Gevolg: inteelt en 'fadas' (gekken) die geen bloeiend nageslacht voortbrengen. Papet is op leeftijd en zijn dagen weldra geteld. Alle hoop is nu gevestigd op de jonge Ugolin. Een hopeloos gevalletje waar onze oude heer soms knap moedeloos van wordt.
Toch ontbreekt het de simpele Ugolin niet aan een zekere boerenslimheid. Hij weet een lucratief handeltje op te zetten. Bij zijn huisje in de bergen wil hij namelijk anjers gaan kweken. Bloemen waarvoor flink betaald wordt. Alleen hebben deze planten water nodig. Véél water. Héél veel water, en dat in het droge Zuid-Frankrijk! Waar moet hij het vandaan halen?! Papet die Ugolins plannetje eerst hoofdschuddend aanhoorde, hij voelde al nattigheid, raakt plotseling enthousiast. Een herinnering uit zijn kinderjaren was bij hem komen opborrelen. Had hij op het land van Ugolins stokoude buurman vroeger geen bronnetje gezien?!
Het oude opaatje zonder nazaten wil van geen verkopen weten. Hij is niet te vermurwen. Bij een ruzie kukelt hij echter uit een olijfboom. De val wordt hem fataal. De kaarten liggen nu gunstig voor Ugolin. En Papet wrijft zich al in zijn handen. Maar dan komt er onverwachts een ver familielid uit de hoge hoed. Een vreemde vogel; een gebochelde intellectueel uit de stad. Tot hun verbijstering wil deze 'getikteling' Vlaamse reuzen gaan fokken op het terrein waar 'hun' kostbare bronnetje verborgen ligt.
De twee boeven pakken het op een doortrapte wijze aan. Als twee dieven in de nacht gooien ze het bronnetje met beton dicht en laten ze de arme, gebochelde man in de brandende hitte tevergeefs zoeken naar water. Het moet er toch zijn! Want het staat duidelijk op de kaart. Moedeloos geworden, blaast le bossu een stuk rots op om een diepe put te slaan. Daarbij verongelukt hij. De een zijn dood is de ander zijn brood; Ugolin grijpt zijn kans en maakt zich meester van het land. 'Wonder boven wonder' is het waterstroompje in een mum van tijd weer tot leven gekomen en bloeien de anjers weelderig.
Ugolin is in de macht van het geld. Maar als hij jaren later door de bergen struint, raakt hij in de ban van een andere macht. Een nog veel grotere macht. De macht van een herderin, Manon. Alles wil hij aan haar geven. Alles wil hij aan haar 'offeren'; zijn geld, zijn huis, zijn hazen, zijn patrijzen, zijn anjers, zichzelf. Als zij hem maar gunstig gestemd is en hem haar ja-woord wil geven. Hij werpt zich letterlijk op zijn knieën voor haar.
Hij is niet de enige. Ook al zijn ze misschien niet zo stapelverliefd als hij, ook anderen voelen haar intense macht. Want alleen zíj kan hen redden. De waterput in het dorp is drooggevallen. Het hele dorp en alle boeren in de omtrek zitten zonder water. Er moet een processie worden gehouden waarbij een Mariabeeld wordt rondgedragen. De bevolking smeekt de Heilige Madonna om water. Maar, zo voelen zij, gaat dat enkel en alleen werken wanneer Manon in de processie meeloopt. De mensen bidden haar om met hen op weg te gaan.
Het vrouwelijk heerst over het water. Vogelgodinnen, Maria, Manon; ze zijn heer en meester over deze bron van leven. Of liever, dame en meesteres. Manon heeft op een van haar vele tochten met haar kudde geiten door de bergen niet zomaar een bronnetje, maar dé bron van ál het water in de omgeving gevonden. Verborgen in een grot. De bron is in haar handen.
De bevolking heeft haar verre van gunstig gestemd, en Papet en Ugolin al helemaal niet. Ze is namelijk de dochter van de gebochelde die zij wredelijk hebben laten stikken. De twee Soubeyrans als directe daders en vele anderen als medeplichtigen. Ze wisten ervan, maar hebben er niets tegen gedaan. Het onrecht is ten hemel schreiend. De herderin is in diepe toorn ontstoken. Deze vuige misdaad roept om wraak. Als een woedende godin gebruikt zij haar macht over het water. Zonder genade gooit ze de levensbron van het hele dorp en de weide omtrek dicht. Al laat zij zich snel weer van haar barmhartige kant zien en laat zij het water weer stromen als een godin.

Interessante literatuur

*Gods and goddesses of Old Europe, Gimbutas, Marija.



hirondelle

Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid


Landbouw, schrift en sterrenkunde

Zoals we hebben gezien, staat in de grotkunst uit de Oude Steentijd de levende natuur centraal. In de kunstschatten van het Oude Europa is dat eigenlijk niet anders, zij het dat hier de natuurgodinnen op de voorgrond treden. Maar van de níet levende natuur ontbreekt (vrijwel) ieder spoor.
Met de intrede van het schrift duiken 'plotseling' de hemellichamen zichtbaar op in onze belangstellingssfeer. Op de kleitabletten en papyrusrollen uit het tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris van zo'n 6000 tot 2500 jaar geleden (Mesopotamië) komen ze welhaast in het middelpunt van de aandacht te staan.

Papyrusrol uit het Oude Mesopotamië

Sterrenkunde, weer, tijden, navigatie en seizoenen

Een hele omwenteling. Letterlijk bijna. Want waar het om draait zijn al die wentelingen en bewegingen om en om, en rondom, en al die herkenningspunten en configuraties in de hemel en aan de horizon. Laten we hier nog even kort schilderen hoe al dat getover in de lucht ontstaat, zodat we ons helder voor de geest kunnen halen wat de mensen van toen allemaal aanschouwden en beschouwden. Om ons een beeld te kunnen vormen van wat hen fascineerde.

Kort op een rij:



*Dag en nacht
De aarde draait om haar eigen as. Daardoor draait iedere plek op onze aardbol afwisselend naar de zon toe en van de zon af. Zonopkomst, dag, zonsondergang, nacht enz.

De rotatie van de aarde om haar eigen as

*Rondedans van nachtelijke hemels
Onze planeet zweeft als een bol door het heelal. Van alle kanten wordt zij omringd door sterren hemels. Je kunt ze vanaf één bepaalde plek op aarde niet allemaal tegelijk waarnemen. Of simpel gezegd: Je kunt van boven niet zien welke sterren hemels je beneden hebt, en van rechts niet welke links.

Sterren hemels en de rotatie van de aarde om haar eigen as

Toch hebben we niet de hele nacht lang precies hetzelfde uitzicht op de sterren. De aarde draait immers rond haar eigen as waardoor de sterren langzaam lijken voorbij te trekken, van oost naar west, net als de zon. (Alsof ze rondom de poolster cirkelen, die in het denkbeeldige verlengde staat van de aardas.) Vergelijk het met een toverlamp in wiens wentelingen er plaatjes komen en gaan op de muur. In een rondedans.

*Seizoenen
De aarde cirkelt in een elliptische baan rond de zon. Daar doet onze planeet een jaar over. Anders dan de tanden van een tandwiel draait de aardas niet mee. Laten we eerst eens ter vergelijk een tandwiel volgen. Bij de bovenste tand steekt de punt uit naar boven. Maar als het wiel draait, en deze tand helemaal onderaan is gekomen, dan steekt zijn punt uit naar beneden. De punt is dus altijd naar buiten gericht.
Dat geldt níet voor de uiteinden van de aardas t.o.v. de zon. Schematisch voorgesteld:

Als de aarde 'boven' de zon staat, steekt de Noordpool uit naar boven. En naar buiten, van de zon af.

Maar als de aarde 'onder' de zon staat, en dat is hier van groot belang, steekt deze óók uit naar boven (en níet naar beneden). En dus naar binnen, naar de zon toe.

Het switchen tussen de standen naar-de-zon-toe en van-de-zon-af, en andersom noemen we de zonnewenden of equinoxen.

Gevolg: een deel van het jaar staat het noordelijkhalfrond van de zon af. Winter. En een deel van het jaar staat dit deel van de wereld naar de zon toe. Zomer. Tussen deze twee standen in heb je natuurlijk de overgangsfasen met herfst en lente. Kortom, we hebben hier te maken met een heel sterrenkundig verhaal dat zich hier op aarde uiteindelijk vertaalt in de afwisseling van verschillende seizoenen.

Zomer en winter op het noordelijk halfrond

Van de reis der aarde om de zon naar de vier seizoenen

*Getijden
Niet alleen draait de aarde om de zon, maar de maan ook om de aarde. Terwijl ze zo om haar heen cirkelt, oefent ook zíj een aantrekkingskracht uit: Ze trekt terug. Behalve dat dit in een samenspel met de zon ertoe bijdraagt dat de aarde om haar eigen as draait, veroorzaakt deze aantrekking tevens de getijdenwerking. 'Hier beneden' krijgen we te maken met hoog en laag water, met eb en vloed.

Maan en getijdenwerking

*'Wandelende sterren' of planeten
Om de zon draaien acht planeten (Venus, Mars, Aarde, Jupiter, Mercurius, Neptunus, Saturnus en Uranus). Deze planeten staan relatief dicht bij de aarde. Vroeger werden een aantal daarvan 'wandelende sterren' genoemd, simpelweg omdat je in de tijdspanne van een avond en/of nacht hun verandering van plaats t.o.v. andere hemellichamen goed kon waarnemen.

Planeten/ wandelende sterren

*Vaste sterren en Sterrenbeelden
Vaste sterren daarentegen staan strak aan de nachtelijke hemel. Ze staan heel ver weg. Daardoor kunnen we hun beweging t.o.v. andere hemellichamen met het blote oog moeilijk observeren en heb je daarvoor aan een nacht láng niet genoeg. Want zo'n hele nacht lang twinkelen ze daar netjes op hun plaats in hun configuratie. Schijnbaar althans. (Wel kunnen we natuurlijk hun eveneens schijnbare verplaatsing van oost naar west waarnemen.)
Welke vaste sterren we vanaf aarde kunnen waarnemen en waar we ze precies aan het firmament kunnen zien staan is plaats en tijd gebonden. Zo zullen we op het noordelijk halfrond andere sterren zien dan op het zuidelijk halfrond en in de winter andere dan in de zomer. De aarde maakt immers een jaarlijkse reis rond de zon en door de ruimte.
Gezien vanuit Stockholm zal dezelfde ster bovendien niet precies op dezelfde plek aan het firmament prijken als gezien vanuit Sevilla.
Doordat vaste sterren ver van onze aarde vandaan staan lijken ze niet t.o.v. elkaar te bewegen. Zelfs niet over een periode van duizenden jaren. In die massa vaste sterren kunnen we met een beetje fantasie figuren herkennen, sterrenbeelden.

Sterrenbeelden

*Gravitatiekracht
Dankzij de gravitatiekracht worden bepaalde groepen sterren bijeengehouden in een sterrenstelsel.
Zwaartekracht: Hoe groter de massa, hoe groter de aantrekkingskracht. Daardoor draait de aarde om de zon, de maan om de aarde en ondervinden wij dagelijks de werking van de zwaartekracht.

*Zon en aarde, gravitatie, bolvormen en klimaten
Onder de werking van de gravitatiekracht concentreert de aarde zich rond haar eigen middelpunt, wat resulteert in een bolvorm. Onze planeet is dus rond en staat schuin t.o.v. de zon. Gevolg: Een bepaald deel van de aarde (de evenaar) komt recht voor de zon te staan. Daar vallen de zonnestralen loodrecht in en hebben ze veruit de meeste kracht. Op de afbuigende bolvlakken ten noorden en ten zuiden van de evenaar vallen de zonnestralen steeds schuiner in naarmate de polen dichter worden genaderd.
Vergelijk het met een bal onder een lamp. Het bovenste gedeelte zal beter verlicht en sterker verwarmd worden dan de rest. Logischerwijs is het op de evenaar warmer dan op de polen. Verschillende klimaten zijn een feit, al zijn er nog andere oorzaken aan te wijzen.

Klimaten

Mesopotamië

De Mesopotamiërs moeten zwaar onder de indruk zijn geweest van al die hemellichamen. Vergeet niet dat zij leefden in wat nu het huidige Irak is, het huidige Syrië of in delen van het huidige Turkije of Iran. Gebieden met kraakheldere woestijnnachten, met sprookjesachtige sterren hemels, een overweldigende zon en een betoverende maan. Het zijn indrukken die ons inspireren, die ons ontvankelijk maken voor het grootse, het weidse, voor wat ons overstijgt. Die ons vatbaar maken voor religie en die een goede voedingsbodem vormen voor kunst en wetenschap.

Sterrenkunde, landbouw en navigatie

Maar dat niet alleen. De hemellichamen met al hun standen, beelden en bewegingen bleken ook van praktisch nut. In de lucht konden we immers de tijd lezen, hoe laat het was en in welk jaargetijde we leefden. We konden de cycli waarnemen en de maanden en jaren volgen. We konden kalenders maken en het weer voorspellen. We konden uitrekenen wanneer het eb was en wanneer vloed, wanneer rivieren zouden overstromen en het water de aarde weer vruchtbaar maken zou. We konden plannen wanneer we gingen zaaien, maaien en oogsten. De hemellichamen bleken van levensbelang. De landbouw had zijn intrede gedaan.
Bovendien stond in de sterren geschreven waar we waren, waar we vandaan kwamen en waar we naartoe gingen. De Mesopotamiërs konden varen op de sterren. In de woestijn of letterlijk zelfs op zee. De navigatie was uitgevonden.

Astrologie, astronomie en wetenschap

De hemellichamen bleken een bron van kennis te zijn. Een wetenschap ontstond. En tegelijkertijd waarschijnlijk zelfs dé wetenschap. Want de Mesopotamiërs gingen doelgericht de zon, de maan en de sterren bestuderen.

In aanvang waren de astronomie en de astrologie nauw met elkaar verweven. Ze vormden eigenlijk één geheel, één wetenschap. Zó zelfs dat pas bij de Oude Grieken deze uiteen ging vallen in verschillende wetenschappen of disciplines.

Astronomie, kalenders, weersvoorspellingen, tijden en jaargetijden

De astronomie hield zich vooral bezig met de kalender, de tijden, de jaargetijden en de weersvoorspellingen.

Astrologie, kosmografie en voorspellingen

Het onderzoeksterrein van de astrologie bestond in de eerste plaats uit de kosmografie die de kosmos of het heelal bestudeerde, beschreef en in kaart bracht.

Vervolgens gebruikte de astrologie deze kennis om van allerlei voorspellingen te doen. Direct sterrenkundige, zoals voorspellingen van verschillende sterrenkundige verschijnselen, zoals zonsverduisteringen en ellipsen. Maar ook verstrekkender, zoals van allerlei toekomstvoorspellingen.

Bovendien wendde de astrologie haar kosmografische kennis aan om de vele, verschillende karakters bij mens en dier te verklaren en te beschrijven.

Mathematica, instrumenten, observaties en rekenkunst

De mathematica tenslotte was de discipline die instrumenten gebruikte om de hemel nauwkeuriger te kunnen observeren, en de rekenkunst om alles exacter te bepalen en te beschrijven.

Tegenwoordig is de astronomie de wetenschap die de kosmos vangt in de netten van de wiskunde en die haar bestudeert met een indrukwekkend instrumentarium. Zij geniet in de academische wereld een hoog aanzien.

De slechte reputatie van de astrologie

Dat geldt zeker níet voor de astrologie die veelal wordt neergezet als een pseudowetenschap, of erger nog als de verzamelbak van alles wat kwalijk riekt naar zweverigheid, occultisme of zwarte magie. Astrologen zijn in de ogen van de meeste academici kwakzalvers, charlatans of andere griezels die mensen gevaarlijk bedriegen, en met tarotkaarten en glazen bollen in de maling nemen. Of het scheelt niet veel tenminste.
Maar ook onder niet academici spreken zij tot de verbeelding. Een hele stoet kwaadaardige sprookjesfiguren is uit dergelijke fantasieën geboren. Onfrisse druïden, boze tovenaars, drieogige heksen en toverkollen die verkeren, -pas op, het is daar niet pluis!-, in een wereld vol mist en moeras, vol rook en damp, vol toverketels en vol toverbollen, vol vleermuizen, padden, uilen en ander satansgebroed.
En dan hebben we het nog niet eens over de diepe afschuw die in de Thora en daarmee later in de Bijbel over de astrologie wordt uitgesproken. In deze geschriften worden met name de Babyloniërs (uit het zuidelijk deel van Mesopotamië) in een kwaad daglicht gesteld vanwege hun afgoderij. Want zij aanbidden de sterren i.p.v. de énige, waarachtige en jaloerse God.

Waarom blijft de astrologie ons koppig aanspreken?

Nu is het hier niet onze bedoeling om de astrologie te verheffen tot de wetenschap der wetenschappen of om astrologen per definitie volledig vrij te pleiten van 'douteuse' of duistere praktijken, maar wel om te kijken waarom deze kunst, of hoe je het ook noemen wilt, door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag grote groepen mensen blijft aanspreken. Hoe komt dat toch?! Een relevante vraag, lijkt ons, óók voor de wetenschap. En dan, vertroebelt zij wérkelijk onze ziel en wetenschap? Of zitten er ook nog andere kanten aan het verhaal?

Astrologie, van clichés naar haar andere kanten

Enerzijds mag de wetenschap zich geen rad voor ogen laten draaien door zweverig gedoe, dat spreekt voor zich, maar anderzijds mag zij niet vrolijk en vrij mee hossen in de polonaise der clichés. Als het om astrologie gaat, zijn er op zijn minst een paar dingen die we ons moeten afvragen:

*Verloren kennis?
Hadden ze vroeger kennis die nu verloren is gegaan? Hoe kan het, bijvoorbeeld, dat ze in lang vervlogen tijden waarin de astrologie nog een sleutel rol speelde, zónder onze moderne wetenschap en zónder onze moderne technologie bouwkundige hoogstandjes leverden waar wij nu niet of nauwelijks meer toe in staat zijn? Niet voor niets wordt de piramide van Cheops gerekend tot een der zeven wereldwonderen.

*Is astrologie een weg naar kennis?
De moderne wetenschap, en dan met name de kwantum fysica, HERontdekt steeds meer oude kennis (of de wetenschappelijke waarde daarvan), zonder daarbij water bij de wijn te doen. Trouw aan haar eigen hardwetenschappelijke eisen, methoden en paradigma's, moet zij echter regelmatig toegeven dat ze ons op kennisgebied daar in dat verre verleden nog weleens voor waren. Of in ieder geval dat de inzichten en intuïties uit die tijden niet zelden blijken te kloppen.
Een mooi voorbeeld hiervan is het idee van een Akasha-veld uit de Oosterse Wijsheid dat een nauw verband legt tussen geheugen, informatie en energie. Een visie die niet langer is voorbehouden aan 'zwevers uit het Oosten', hippies, relishoppers, New Age-hoppers of andere softe, geitenwollensokken types, maar waar we met onze moderne kwantum fysica niet meer omheen kunnen.
Bovendien, hebben grote fysici als Nils Bohr en Werner Heisenberg wérkelijk een klap van de molensteen gekregen? Want zelfs zíj raakten als moderne, westerse wetenschappers in de ban van het Oude Oosten. Zo zelfs dat een van hun vakgenoten, Fritjof Capra, zich afvroeg hoe dat in hemelsnaam mogelijk was en hier prompt een studie aan wijdde. In zijn boek, 'The Tao of Physics', komt hij tot de opmerkelijke conclusie dat er blijkbaar meer wegen zijn die naar Rome leiden, oftewel dat er duidelijk meer manieren moeten zijn om kennis van en inzicht in de fysische werkelijkheid te verkrijgen. Zonder dat wij overigens alles à la légère moeten gaan geloven of dat wij als 'westerse buitenstaanders' de illusie moeten hebben dat ook wij die oosterse wegen wel even kunnen gaan bewandelen. We komen hier later nog op terug.

Wat voor het moment telt is de vraag of de astrologie, waar de Oosterse Wijsheid van doordesemt is, niet ook een van de wegen is die leidt naar meer inzicht in en meer kennis van de werkelijkheid.

Wat is astrologie?

Maar wat is astrologie nu eigenlijk? En hoe definiëren we haar? Waar het in de astrologie om draait is, zoals onzetaal.nl dat zo treffend weergeeft, 'de samenhang tussen de stand van de hemellichamen (vooral planeten en sterren) en het leven op aarde waarbij het bijvoorbeeld gaat om het beschrijven en verklaren van iemands karakter.' We komen hier later op terug.

Kosmos en karakter

Het zou te makkelijk zijn om vanuit een comfortabel vooroordeel dit soort samenhang af te doen als een broodje aap of om dit met een zelfgenoegzame glimlach naar het plafond even naar fabeltjesland te verwijzen. Al was het alleen al omdat velen proefondervindelijk hebben moeten vaststellen dat de astrologische beschrijving van hun karakter wel verdacht goed klopt en daarbij griezelig nauwkeurig is. Zo nauwkeurig zelfs dat een dergelijke beschrijving lang niet op iedereen van toepassing kán zijn. Ieder vergelijk met lopers die zomaar op ieder slot passen, gaat hier dan ook mank.

Wat ons brengt bij de vraag of het idee van zo'n samenhang OP ZICHZELF nu eigenlijk wel zo gek is.

Het actief leggen van verbanden en het zoeken naar samenhang

In de vroege astrologie draait het voor het eerst (aantoonbaar) om het actief leggen van verbanden en het zoeken naar samenhang. Daarmee staat zij (naast de astronomie) aan de wieg van het wetenschappelijk denken. Een andere kant van deze 'duistere kunst' komt aan het licht: Samenhang, studie, verbanden en onderzoek zijn hier de sleutelwoorden.

Kosmische krachten, invloeden, kenmerken en karakters

En als we alles nog eens kort en krachtig op een rijtje zetten, lijken haar uitgangspunten dan nog altijd zo zweverig? De standen en bewegingen van hemellichamen toveren hier op aarde maar liefst; eb en vloed, klimaten, dag en nacht, seizoenen en werkingen van de gravitatiekracht.

En wie wil nu nog serieus volhouden dat dit alles dan géén invloed zou hebben op de natuur? Op de flora en fauna? Op al wat leeft, groeit, bloeit, loopt, rent, kruipt, vliegt of zweeft? Op alle verschijningsvormen en op alle uiterlijke kenmerken?

Kosmische krachten, uíterlijke én ínnerlijke kenmerken

En kunnen we uiterlijke kenmerken zomaar los zien van innerlijke?! Aan de horizon verschijnt het magistrale werk van de Franse archeoloog en paleontoloog André Leroi-Gourhan, 'Le geste et la parole', waarin hij een nauw verband legt tussen de werking van de gravitatiekracht en het ontstaan van allerlei UITERLIJKE en daaraan gekoppelde INNERLIJKE verschijningsvormen (morfologie en neurologie). We komen hier later op terug.

Le Geste et la Parole deel 1

Le Geste et la Parole deel 2

Kunnen we in dit licht de samenhang tussen ons karakter en de kosmos nog langer als klip en klare onzin beschouwen? Of sterker nog: Kunnen we ze überhaupt wel los van elkaar zien?

Kosmische krachten, individuen en gebeurtenissen

In onze vroegste geschiedenis waren de mensen in Mesopotamië zich bewust van de werking van kosmische krachten op individuen en individuele gebeurtenissen hier op aarde. Daarmee hadden ze niet alleen oog voor het universele, maar ook voor het individuele, en bovenal voor het verband daartussen.

Generatieve krachten

De kosmos had in hun ogen veel weg van een soort generatief stelsel of systeem dat onze karakters en onze toekomst voortbracht.

Goddelijke krachten, kosmische goden en godinnen

Zij kenden haar dan ook al snel goddelijke krachten toe. Goden en godinnen der kosmische krachten verschenen; eerst bij de Babyloniërs, en later bij de Assyriërs en de Oude Egyptenaren. Sterrengoden en godinnen, goden en/of godinnen van zon, hemel en aarde, zonsopkomst en zonsondergang, van lucht en stormen, kosmische orde en gerechtigheid, van sterren-hemels, sterrenbeelden en de atmosfeer, en wat nog meer?, met klinkende namen als Anu, Ki en Enlil uit Babylonië, Amon, Atoem, Baäl en Hathor uit het Oude Egypte. En dan zou je nog Ra, Reret en Noet vergeten of Maät en Sah, en wie nog meer? Het is een hele waslijst die hier verre van af is en die doorloopt tot bij de Oude Grieken en Romeinen. Zo sprong er uit de astrologie niet alleen een levensvonk voor de wetenschap, maar wakkerde zij ook het religieuze vuur in vele harten aan.

Zonnegod uit het Oude Babylonië

De Egyptische godin Maät van kosmische orde en harmonie

Urania, Griekse muze van de sterrenkunde

Jupiter, de Romeinse god van de hemel

Venus, kosmische godin van de Liefde uit de Romeinse Oudheid

De mens en zijn sterrenbeelden

Hoe de moderne sterrenkunde ook tegen de astrologie moge aankijken, feit is dat deze de mens fascineert, zo niet obsedeert. Ze is te vuur en te zwaard als een van de meest verderfelijke plagen bestreden. Vele astrologen hebben hun kunst op gruwelijke wijze met hun leven moeten bekopen. Maar ze is hardnekkig als een virus of koppig als onkruid nooit en te nimmer in onze gedachten- en belevingswereld uitgeroeid. Altijd en overal weer steekt astrologie stug de kop op. Alleen al om die reden willen we hier kort bij deze 'magische kunst' stilstaan (ook tot wat zij is uitgegroeid in het moderne Westen). Ja, zelfs al zou het zo zijn dat ze niets zinnigs zegt over de sterrenkundige werkelijkheid, dan in ieder geval toch wél over de mens.

Onze twaalf sterrenbeelden

In de astrologie wordt al sinds heel lang gewerkt met een systeem dat uit TWAALF sterrenbeelden bestaat. Op zichzelf is dit niet geheel en al onlogisch, wat hier ook de verdere achtergronden van mogen zijn:

*In haar jaarlijkse reis om de zon verandert de aarde steeds van richting. Daarbij komt ze in haar elliptische baan vier keerpunten tegen. Schematisch voorgesteld:

-De aarde gaat naar 'rechts boven' (RB): Keerpunt 1
-De aarde gaat naar 'rechts onder' (RO): Keerpunt 2
-De aarde gaat naar 'links onder' (LO): Keerpunt 3
-De aarde gaat naar 'links boven' (LB): Keerpunt 4
-En de aarde gaat weer naar 'rechts boven' (RB): De cirkel is rond.

*We delen de ellips dan ook in vier delen.

*Vier verschillende delen die ieder uitkijken op vier verschillende delen van de ons omringende sterren hemels. En dus vier verschillende delen die ieder staan blootgesteld aan vier verschillende invloedssferen.

*Op onze reis over de cirkelvormige, of liever ellipsvormige baan komen we bij ieder kwartdeel steeds weer twee overgangsfasen en de kernfase tegen, d.w.z. een begin (transitie 1), een midden en een eind (transitie 2). (Vergelijk het met de jaargetijden. Zo hebben we, bijvoorbeeld, het begin van de zomer waarin de lente in de zomer overgaat, de midzomer en het eind van de zomer waarin de herfst zich al aankondigt.) Wat maakt dat we ieder vierde deel van de cirkel (of ellips) op zijn beurt weer kunnen onderverdelen in drie stukken. Delen we de vier kwarten door drie, dan krijgen we TWAALF delen.

Vierkeerpunten: vier richtingen met begin, midden en eind: twaalf delen

Twaalf invloedssferen

Twaalf delen met ieder een ander uitzicht en twaalf delen die ieder in de greep zijn van een andere invloedssfeer. De cirkel en de cyclus bestaan zodoende uit twaalf sterrenbeelden, twaalf invloedssferen, twaalf energieën, twaalf kosmische en creatieve krachten en twaalf karakterbepalende factoren.

De jaarlijkse reis van de aarde langs verschillende sterren-hemels

Vier keerpunten

De zodiak of dierenriem

In de tijdspanne van een jaar komen we twaalf sterrenbeelden tegen. Alleen hoe herkennen we ze? Als we 's nachts buiten staan zien we zeker bij helder weer een nachtelijke hemelkoepel vol sterren. We hoeven echter niet die hele koepel met onze blik af te speuren om ons sterrenbeeld te vinden.

De zodiak met de twaalf sterrenbeelden

Stel je namelijk maar eens de zon voor. En zie voor je hoe de aarde in een elliptische baan om haar heen draait. Of liever, als we alles even vanaf ons planeetje bekijken, hoe de zon een ronde om de aarde maakt. Daardoor loopt er als het ware een rondweg om de aarde waarover de zon zijn jaarlijkse ronde maakt. Deze 'weg' doorkruist de nachtelijke hemel waarin we ons sterrenbeeld staan te zoeken.

De zodiak en het ecliptische vlak

Plaatsen we die baan in een denkbeeldig vlak, teken een vierkant of cirkel om de ellips (of 'rondweg') heen, dan hebben we het ecliptische vlak. Dit vlak of deze schijf doorsnijdt de ruimte vol sterren boven ons. En precies daar, in die doorsnede kunnen we ons sterrenbeeld zien schitteren. De doorsnede die we ook wel de dierenriem of zodiak noemen.
Dierenriem, de naam is toepasselijk. Want hoeveel sterrenbeelden zijn er wel niet vernoemd naar een dier?

Het ecliptische vlak

Overigens heeft het gebruik van het woord 'ecliptisch' eveneens een goede reden. Want wanneer de maan in dit vlak komt kan zij precies tussen de zon en de aarde in komen te staan. Ze belemmert daardoor ons zicht op de zon. Ze staat, zo gezegd, in ons beeld. Vanaf aarde bezien verdwijnt of verduistert dan de zon. Zo'n verduistering noemen we een eclips.
Merk op dat reeds in de Oudheid astrologen van dit soort zonsverduisteringen al perfect wisten te voorspellen.

Eclips of zonsverduistering

Horoscopen, sterrenbeelden en karakters

Terug nu naar de sterrenbeelden die we in dit ecliptische vlak of in de zodiak kunnen ontwaren. We kennen ze allemaal wel, de twaalf sterrenbeelden die we in de horoscopen tegenkomen:

*steenbok (22 december/ 20 januari)
*waterman (21 januari/ 18 februari)
*vis (19 februari/ 20 maart)
*ram (21 maart/ 21 april)
*stier (22 april/ 21 mei)
*tweeling (22 mei/ 21 juni)
*kreeft (22 juni/ 23 juli)
*leeuw (24 juli/ 23 augustus)
*maagd (24 augustus/ 23 september)
*weegschaal (24 september/ 23 oktober)
*schorpioen (24 oktober/ 22 november)
*boogschutter (23 november/ 21 december)

Sterrenbeelden die je karakter bepalen, maar ook door welke energie je wordt aangedreven.

Sterrenbeeld, drive en energie

Elk van die energieën bepaalt wat je drive is, waar je je aan wijdt, waarvoor je je energie gebruikt, waar die naartoe gaat en wat haar bestemming, of in astrologische termen 'haar huis', is. Zo zal de een zich bij voorkeur bezighouden met liefde en kunst, terwijl de ander liever ruziet, knokt en oorlog voert.

Het duale karakter van de kosmos

Laten we de sterrenbeelden en de rol die de astrologie aan de zon, de maan en de planeten toeschrijft, in het licht van het voorgaande eens onder de loep nemen.

Evenals in de oude grotkunst spelen dualiteit, mannelijk en vrouwelijk een kapitale, zo niet alles overheersende rol. Het duale karakter van de kosmos komt duidelijk tot expressie in het sterrenbeeld tweeling. Tweezijdigheid kan in principe leiden tot 'struggle', strijd en conflict, maar juist ook tot wederzijdse aanvulling, complementariteit en eenheid (in diversiteit). En dat is exact wat het karakter van tweelingen tekent. Van gespleten persoonlijkheden is in het geheel geen sprake. Integendeel. Want hun verschillende kanten verrijken elkaar en smeden zich aaneen in een rijk, veelzijdig karakter.

De vrouwelijke kant van de kosmos

De vrouwelijke kant van de kosmos schemert door in het sterrenbeeld kreeft, schijnt door de maan en schittert in Venus. Allereerst die laatste, Venus. Niet voor niets werd deze planeet genoemd naar de Romeinse godin van de Liefde. Want deze planeet staat voor liefde, vrede, eenheid en harmonie.

Venus, godin van de Liefde

En dan de maan. De maan trekt aan. Zij is aantrekkelijk en mooi. Maar ze heeft ook haar cycli en haar duistere, geheimzinnige kant. Ze verschijnt, troont aan de nachtelijke hemel en verdwijnt weer in het duister. In een zwarte zee boven ons én beneden, ín ons. Zo boven, zo beneden, zo beneden, zo boven; alweer twee kanten. De maan staat voor het vrouwelijk, maar ook voor het duister, het onbekende in ons. Zij regeert over ons diepere wezen. En ons onbewuste, onze dromen en intuïtie? Liggen zij niet onder haar vleugels en in haar rijk. De maan is vrouwelijk, magisch, machtig en mooi.

De maangodin Artemis

En van de maan met haar zwarte zee komen we vanzelf bij het sterrenbeeld Kreeft. Want kreeften duiken op en gaan weer onder in de diepten en het duister van de zee. In het sacrale water dat in de macht is van de maan. Cycli, diepten en duister, kreeften leven vanuit hun binnenste, hun onbewuste. Ze worden aangestuurd door hun gevoel, hun intuïtie. Ze zijn van nature empathisch en zorgzaam.

Zeeën boven en beneden

We blijven nog even bij het water. Want vanuit haar nachtelijke sterren-zee regeert de maan over de wateren hier beneden. Over zeeën waarin vissen zich verliezen en waarin zij oplossen in een grenzeloze ruimte. Grenzen vallen weg en vissen gaan op in het grote en in het grootse.
We zijn bij het sterrenbeeld vis. Een rechtgeaarde vis vloeit over, verliest vaste voet op aarde en kijkt ver over grenzen heen. Ook over de grenzen van het ik en het zelf, ontvankelijk als zij is voor het collectieve.

De mannelijke kant van de kosmos

Geen boven zonder beneden, geen binnen zonder buiten en geen vrouwelijk zonder mannelijk. Viriele vechtlust en vurigheid vlammen in de sterrenbeelden ram, stier en steenbok. De mannelijkheid druipt, of moeten we zeggen 'straalt'?, er bij Mars vanaf.

Transformatie en regeneratie

Maar wat is nu precies de rol van het mannelijk in de kosmos anders dan die van een broeihaard van agressie, oorlog en strijd?
Het sterrenbeeld schorpioen zet ons op het spoor naar een antwoord. In het dierenrijk heb je verschillende dieren die een hele metamorfose ondergaan. Larven worden wespen, bijen of kevers, kikkervisjes worden kikkers, en rupsen worden eerst poppen en dan vlinders. Maar ook schorpioenen kennen een levensfase waarin zij zeer zacht en weerloos zijn, voordat zij als gepantserde krachtpatsertjes verder door het leven gaan. Dat is wanneer de jongen, nimfen genaamd, aan het vervellen zijn.

Metamorfosen van de krab (vergelijkbaar met die van de kreeft)

Leven-einde-metamorfose-nieuw leven, het is een patroon dat hoort bij veel leven of misschien zelfs wel bij hét leven. Staat het soms in de sterren geschreven? Het sterrenbeeld schorpioen staat voor pijn en dood, maar ook voor de daarbij behorende verandering en regeneratie. Het is wat het leven tekent voor hen die onder dit sterrenbeeld zijn geboren.

De wekkende kracht van het mannelijk

De vrouwelijke maan regeert over onze dromen. Maar blijven dromen wel dromen? 's Winters liggen er overal zaden, 'slapend' onder de kale aarde. In hen rusten de mogelijkheden te worden tot een boom, een plant of struik. Evenals in de herfst, ergens, verborgen in de moederschoot van een schaap, een eicel op een nieuw leven te wachten ligt.
Maar dan, breekt de lente aan: Al die stille 'slaapsters' worden gewekt en komen tot leven, in níeuw leven. Met lammetjes, kalfjes en kuikentjes, met jonge geitjes, biggetjes en veulentjes en met sneeuwklokjes, katjes en fris voorjaarsgroen tooit de wereld zich in haar lentekleed.
Komt alle zegen vanboven? Als je de astrologen moet geloven, ergens wel. Want Jupiter maakt van dromen werkelijkheid. Stromen creativiteit brengt deze planeet op gang. Wekkend is zijn kracht, net als die van de sterrenbeelden ram, steenbok en stier.
Want met de ram manifesteer je je, kom je tot expressie en uit de verf. Met de steenbok krijg je de dingen voor elkaar. En dan, met de stier overstroomde de Nijl en bracht dit sterrenbeeld in overvloed leven aan haar oevers. Geen wonder dat dit imposante dier zo heilig was daar in dat Oude Egypte.
Alleen in het land der farao's? Werd alleen daar de stier geassocieerd met overstromingen? In Mesopotamië werd de jaarlijkse overstroming van de Tigris op soortgelijke wijze toegeschreven aan het minnespel van een stier-god met zijn koe-godin.

Sterrenbeelden en symbolen

In de grotkunst cultuur werden vele associaties gevangen in een diersymbool en gaven deze diersymbolen de vrije loop aan weer nieuwe associaties. In de astrologie ballen zich duizend en één eigenschappen samen in één beeld, één teken, één symbool, één sterrenbeeld. In één plaatje dat alles zegt en alles vertelt.

IN GROTE LIJNEN

Met de opkomst van het schrift verschenen de hemellichamen in de belangstellingssfeer van de mens. Daarmee kwamen er in onze beleving andere, nog grotere machten boven alle, overigens al overweldigende natuurkrachten te staan. Kosmische krachten die hier op aarde dag en nacht toveren, tijden, getijden, gravitatie, klimaten en seizoenen. Machten die daarmee het leven vormen, uiterlijk én innerlijk, vanbinnen en van buiten.

In onze vroegste geschiedenis raakte men er al duidelijk van overtuigd dat de kosmos ons karakter bepaalt. Wie wij in de grond zijn. Wat ons aandrijft. Wat ons beweegt en wat ons bezielt. De astrologie was geboren. Met een op zichzelf logisch uitgangspunt is zij geworden of verworden tot wat zij nu is. Belangrijke parallellen met de Steentijd vallen waar te nemen:

*In de grotkunst-cultuur voelden de mensen zich overgeleverd aan en deel uitmaken van de natuur. In Mesopotamië en het Oude Egypte bezag men zich vooral als een speelbal van een heel kosmologisch gebeuren.

*In de Oude Steentijd waren de mensen in de ban van natuurmachten en -krachten. Ze betekenden leven en overleven. Van goddelijke krachten groeiden ze in de Midden en Nieuwe Steentijd uit tot goden en godinnen. Goden en godinnen die ons als een personificatie van verschillende natuurkrachten en verschijnselen verbonden met de wereld om ons heen. In het Oude Midden Oosten werden de kosmologische krachten eveneens vergoddelijkt. Vele kosmologische goden en godinnen verschenen ten tonele. Zij zullen de mensen van die tijd zeker een gevoel van verbondenheid met de hemellichamen en hun spel hebben gegeven. Eerst zullen zij het universum zelf als bezield hebben ervaren en later steeds meer als een manifestatie en/ of medium van goddelijke zielen.

*In de ogen van de Steentijd-mensen speelden twee natuurkrachten een sleutelrol, het mannelijk en het vrouwelijk. Deze werden ieder tot uitdrukking gebracht in symboolverzamelingen. De elementen daarvan waren uitsluitend diersymbolen. Volgens de astrologie hebben veel hemellichamen een mannelijke of vrouwelijke natuur, energie en invloedsfeer. Het duale karakter van de natuur trokken zij door naar de hele kosmos.

*In de kunst uit de Steentijd komen we hoofdzakelijk diersymbolen of hybride godinnen tegen, deels mens /deels dier. Merk op dat ook het gros der sterrenbeelden een dierennaam draagt en dat deze te vinden zijn in de dierenriem.

*In de grotkunstcultuur werd een groot en groeiend aantal associaties gevangen in een diersymbool, een voorstelling, een beeld. In de astrologie worden hele complexe werkelijkheden weergegeven middels het teken van een sterrenbeeld. Eveneens een symbool, een plaatje, een beeld dat grenzeloos veel zegt. Zowel in de Steentijd culturen als in de astrologie spelen beelden en symbolen overduidelijk een essentiële rol.

Maar er valt ook een in het oog springend verschil aan te wijzen. Of liever; een belangrijke aanvulling. Met de komst van de astrologie hing ons wel en wee in onze optiek niet langer meer direct van de natuur (of haar godinnen) af, maar indirect. De natuur werd immers op haar beurt weer aangestuurd door kosmologische krachten. Ons wereldbeeld kreeg daarmee een dimensie of in ieder geval een laag extra.

AAN DE ZIJLIJN

Le petit Prince

De kleine prins

Met haar gigantische krachten, machtige sferen, schitterende sterrenpracht en oneindige ruimte is de kosmos ronduit overweldigend. Tegelijkertijd is zij in het licht van de astrologie heel intiem. Want in haar vinden we ons diepste, ons eigenlijke wezen. Geen wonder dat hemel en maan, zon, sterren en planeten ons op hun vleugels meevoeren naar en door schone dromerijen.

Rond de vorige eeuwwisseling, in het jaar 1900 om precies te zijn, kwam in het Zuid-Franse Lyon een 'klein prinsje' ter aarde dat dit al spoedig mocht ervaren. Hij was nog amper uit de luiers of het luchtruim lokte en het luchtruim lonkte. Antoine de Saint-Exupéry was niet meer te houden. Hij moest en hij zou vliegenier worden.
Het was begin twintigste eeuw; de tijd waarin de mens zijn vleugels uitsloeg. De tijd waarin de luchtvaart op gang kwam. Een mijlpaal want na duizenden jaren dagdromen konden wij dan toch eindelijk echt de vogels achterna. Bij de eerste pogingen vielen de avonturier-vliegeniers vaak met hun zelf in elkaar gesleutelde vliegmachientjes van een heuvel te pletter. Maar allengs bleven de vliegtuigen steeds langer in de lucht.
Antoine groeide uit tot een grote, sterke kerel, maar hij was zij jeugdliefde en zijn kinderdroom nooit vergeten. Ergens was hij altijd een kind gebleven. Diep vanbinnen. De vliegtuigen van die tijd waren niet veel meer dan open kisten met een motor en twee vleugels eraan. Navigatiesystemen en hoogtemeters moesten de eerste piloten ontberen, maar het kon de Saint-Exupéry niet deren. Hij liet zich inschepen in een primitief Frans postvliegtuigje en vloog dwars over de Middellandse Zee en de Sahara tot ver in Afrika.

Antoine de Saint-Exupéry

Antoine de Saint-Exupéry, vliegenier

Antoine de Saint-Exupéry, schrijver/ filosoof

Veel van zijn collega's vertelde hun gevaarlijke vluchten niet na. Maar ook de Saint-Exup&eacutue;ry moest sterven in het harnas. In de Tweede Wereld Oorlog werd zijn vliegtuigje onverbiddelijk door de Duitsers neergehaald. Een geluk bij een ongeluk was dat hij een monumentaal mooi boek achterliet: 'Le Petit Prince'.
Een bestseller. Een boek dat in velen het kind weer liet bovenkomen en de vrije vleugels nemen als een vlinder uit een cocon. Al begint het verhaal met een neergestort vliegtuig ergens middenin de woestijn. Terwijl de Saint-Exupéry 'in the middle of nowhere' hemel en aarde beweegt om zijn vliegtuigje weer de lucht in te krijgen, staat er onverwachts een klein kereltje naast hem. Het is de Kleine Prins, een buitenaards manneke, afkomstig van een asteroïde, ergens ver, heel ver weg. Het prinsje vertelt over zijn petieterige planeetje waar hij zijn stoeltje maar een beetje hoeft te verplaatsen om opnieuw van een mooie zonsondergang te kunnen genieten. Hij vertelt over zijn drie vulkanen die hij iedere dag als een schoorsteenvegertje schoonmaakt en waarvan er eentje niet meer actief is, over zijn roos die stralend mooi is en heerlijk ruikt, maar die af en toe ook wel een beetje koeltjes en vanuit de hoogte kan zijn.
Tot zijn stomme verbazing, hij had nota bene toch wel wat anders te doen!, vraagt het buitenaardse prinsje de gestrande piloot een schaap voor hem te tekenen. Het eerste schaapje mislukt. Het tweede wordt afgekeurd. Et voilà , geïrriteerd krabbelt de Saint-Exupéry een kistje op het papier.

De Kleine Prins is in de wolken! Dit is zijn schaapje; daar in dat kistje. Als een klein kind kijkt het kereltje zich gelukkig niet blind op de BUITENKANT van alles, maar ziet hij óók de BINNENKANT. Wat erin zit. Het wezen. De essentie. En hoe zit dat eigenlijk bij grote mensen?

Op zijn reis door de ruimte komt de Kleine Prins op een paar minuscule planeetjes terecht, steeds bewoond door slechts één volwassen man. Zo komt hij een koning zonder onderdanen tegen. Eentje die regeert zonder te weten wie of wat. Eentje die 'leeg-regeert'. Of hij gaat op bezoek bij een businessman die druk al zijn sterren telt. 'En wat doe je daar dan mee?', wil de Kleine Prins weten. 'Niets. Bezitten', luidt het antwoord. 'En wat heb je dan aan al dat bezitten?', informeert het kereltje nieuwsgierig. 'Dat je rijk bent', laat de belangrijke businessman hem tussen het tellen door weten. 'Maar', vraagt de Kleine Prins verbaasd, 'wat heb je dan aan al dat rijk zijn ?' 'Precies, dat je nog meer sterren kan kopen'. 'Leeg-bezitten'dus zonder de binnenkant te zien. Met cijfers zonder inhoud.
Hier laat de Saint-Exupéry zich duidelijk van zijn sprankelende en speelse kant zien. Want uit zijn pen vloeien géén gigantische sterren en géén machtige sferen die ons tekenen, vanbinnen en vanbuiten. Maar hij neemt ons mee naar kleine planeetjes met kleingeestige grote mensen die allen in hun eigen kleine, bekrompen wereldje leven. Een je reinste omkering! En een lange neus naar de astrologie?!
Maar het kinderlijke spel van de Saint-Exupéry gaat verder en het verhaal neemt plotseling een verrassende wending. Eenmaal op planeet Aarde beland, komt de Kleine Prins een vosje tegen. Het vosje vraagt of hij hem wil temmen. 'Temmen?' 'Maar waarom?', wil de Kleine Prins weten. Het antwoord is simpel. Want je mag dan wel duizenden vossen hebben, maar als je één vosje temt, wordt het heel speciaal voor je. Je leert het kennen vanbinnen en vanbuiten. En al die andere vossen dan? Ook die leer je op je broekzak kennen, dwars door je 'eigenste' vosje heen. Dus als de Kleine Prins zijn oude en vertrouwde roos vertroetelt en verwent, leert hij alle rozen kennen. Hij weet wat hem te doen staat!

En de Saint-Exupéry zelf? Is hij zijn kleine vriend voor eeuwig kwijt? Ergens aan de nachtelijke hemel staat een klein sterretje. Een sterretje dat hij zo goed kent dat het is alsof het een stukje van hem zelf is. En VANUIT DAT ENE STERRETJE is hij MET AL DIE ANDERE STERREN in het onmetelijke heelal VERBONDEN. Toch nog een knipoog naar de astrologie?

Interessante literatuur

*Recherches sur l'histoire de l'astronomie ancienne, Paul Tannery

*Astrology, The library of esoterica



hirondelle

Godenparen

Polariteit

In de vorige artikelen hebben we gezien dat er eerst natuurgoden verschijnen, en dan vooral natuurgodinnen. We zitten dan nog in de prehistorie, in het Oude Europa. Later doen ook kosmische goden en godinnen hun intrede. De astrologie is in opkomst. In Mesopotamië en in het Oude Egypte, maar ook in China en in India. Terwijl in de Steentijd het duale karakter van de natuur volop in beeld wordt gebracht, culmineert de polaire kant van het heelal in de kosmische liefdesdans van Shiva en Shakti. Een god en een godin. Een godenpaar. Een koppel dat stevig verankerd ligt en lag in de hoofden en harten van miljoenen hindoes.

Shiva en Shakti

Shiva en Shakti duiken meer dan 3000 jaar geleden op in India als goddelijke vertegenwoordigers van de mannelijke en vrouwelijke energie. Hun complementaire energieën doorstromen de kosmos en nemen haar mee in hun spel, hun dans, hun harmonie.

Van het individuele naar het kosmische bewustzijn

Volgens deze Oosterse wijsheid kunnen we als individuen, man en vrouw, deze kosmische dans weerspiegelen in ons minnespel. We stromen dan vol met goddelijke energie, de mannelijke (Shiva) en de vrouwelijke (Shakti). Ze nemen ons mee in hun kosmische dans en goddelijk liefdesspel. Hierbij maken we deel uit van het grootse, het goddelijke, het heelal. Tegelijkertijd vinden we onze liefde, onze geliefde, onze intimiteit en onszelf terug in de kosmos. Ons individuele bewustzijn krijgt vleugels en stijgt daarbij op in het Kosmische Bewustzijn. Terwijl het Kosmische Bewustzijn in ons neerdaalt of ontwaakt, en warm, intiem, persoonlijk voor ons wordt.

Seks kan daarmee binnen een aantal Oosterse religies een goddelijk, subliem karakter krijgen. Geen wonder dat zo'n heilig minnespel hier een religieus en ritueel karakter heeft (tantra). Het kan zelfs veel weg hebben van een mystiek tempel gebeuren waarin wierook, beelden, kaarsen en gebeden je zinnen en geest betoveren. De reis naar de goddelijke gemeenschap in Shiva en Shakti voert langs de wegen van een religieus, ritueel liefdesspel vol zalven, oliën en massages, naar een goddelijk, kosmisch orgasme. Een extase.

Shiva en Shakti(II)

Shiva en Shakti(I)

Sacrale seks in het Oude Midden-Oosten en Griekenland

Maar zelfs dichterbij in het Midden-Oosten en in het Oude Griekenland waren er stromingen waarin sacrale seks eerder als subliem dan als satanisch werd gezien. Eerder als hemels dan als aards. Zo waren er zelfs tempels waarin priesteressen mannen meenamen naar de goddelijke liefde. In zijn boek getiteld 'Vrijen met God' geeft de cultuurhistoricus en vertaler van de Nag Hamadi geschriften, Jacob Slavenburg, een goed gedocumenteerd verslag van dit stukje menselijke geschiedenis.

'Vrijen met God' van Jacob Slavenburg

Yin en Yang

Het Mannelijke en het Vrouwelijke, het Goddelijke en het 'Godinnelijke', hun vereniging en verbinding, en onze vereniging en verbinding in hen, spelen een sleutelrol in genoemde religies en religieuze stromingen. De kosmos heeft een duaal, complementair karakter. Het mannelijk en het vrouwelijk zijn half, maar heel in en met elkaar. Eén in diversiteit. Yin en Yang.

Yin en Yang

De helende kracht van het Vrouwelijke: Isis en Osiris

Dit thema vinden we duidelijk terug in de Egyptische mythologie, waarin weer een ander godenpaar komt opduiken. Het gaat om de Nijlgodin Isis en haar goddelijke minnaar Osiris die we tegenkomen in Egyptische verhalen van zo'n 3500 jaar geleden. Osiris is koning. Iets wat zijn 'lieftallige' broertje hem met scheve ogen doet aankijken. Listig lokt onze 'lieve' Seth de koning in een kist en laat hem verdrinken in de Nijl. Alles verloopt volgens plan tot Isis het lichaam van haar geliefde weer in haar armen gesloten heeft. Buitenzinnen van woede hakt Seth Osiris in stukken en verspreidt hij deze tot in de verste uithoeken van het Egyptische rijk. Naarstig gaat de Nijlgodin op zoek naar alle delen van haar man. Uiteindelijk weet zij ze allen te vinden en heelt zij haar minnaar. Letterlijk. Zij maakt zijn lichaam weer heel en blaast hem leven in. Osiris is gestorven, geheeld en weer opgestaan. Een nieuw leven is hem beschoren als de god der eeuwig levenden in het hiernamaals.

Isis en Osiris

Het godenpaar van voor de vernietiging van de Eerste Tempel

De magische kracht van Isis kan ons nauwelijks zijn ontgaan: Ze heelt, verbindt en blaast leven in. En zo voert Isis ons 'op haar adem en over haar Nijl' naar weer een ander godenpaar. We zijn aangeland bij het volk Israël dat zijn God J H W H (Jaweh of Jehovah) aanbad. Voor de Israëlieten van toen was die naam zó heilig dat je hem niet eens mocht uitspreken. (Iets wat voor vrome Joden van nu nog altijd geldt.) In de Hebreeuwse Bijbel (de Thora), die (grotendeels) overeenkomt met het Oude Testament, wordt hun God ook vaak aangeduid met de naam Elohim.
Nemen we deze naam onder de taalkundige loep, dan zien we dat het om een meervoudsvorm gaat. Misschien is dit op zichzelf nog niet zo vreemd. Want het Franse 'vous' en het Duitse 'Sie' zijn eveneens pluralisvormen die we gebruiken om een belangrijk persoon mee aan te spreken. Hetzelfde geldt voor de 'pluralis majestatis' oftewel het koningsmeervoud. Een koning die zichzelf geen 'ik', maar 'wij' noemt. Als we nu mensen van vlees en bloed al met een pluralisvorm onderscheiden, hoeveel te meer dan niet de Allerhoogste God?!
Maar met de naam Elohim is er duidelijk nog iets anders aan de hand. In het Hebreeuws hebben we (net als in het Arabisch) naast het gewone meervoud ook nog de zogenaamde dualis. De DUALISVORM verwijst specifiek naar TWEE zaken, dingen of levende wezens. De vraag is nu waarom de God van het volk Israël nu juist werd aangeroepen met Elohim; 'de Allerhoogste' in de dualisvorm! Waren het soms TWEE goden? Een god én een godin?

Elohim

Zeker is dat in Kanaän de god El een godin aan zijn zijde had; Asjera. Maar wat zegt dit alles over het Jodendom? Is er soms een tijd geweest, ergens in een grijs verleden, waarin de Joden naast hun Jahweh een godin aanbaden? Een godenpaar dus? En als dat zo is, waar is die godin dan gebleven? Volgens verscheidene Bijbelwetenschappers en Midden-Oostendeskundigen (waaronder Annine van der Meer) zijn er archeologische bewijzen te over dat Zij er is geweest en dat zelfs de Eerste Tempel aan haar was opgedragen. Na de terugkeer uit hun ballingschap in Babylonië zouden de Joden deze tempel hebben vernietigd en alles wat aan deze godin herinnerde goedgrondig hebben getracht te vernietigen. Want zij zou in hun ogen plotseling zijn veranderd in een verfoeilijke afgod. Zij zou zelfs, met al haar valse aanbidding erbij, verantwoordelijk zijn gehouden voor het gruwelijke leed dat het volk Israël in hun ballingschap was overkomen. Geen spoor mocht er meer van haar overblijven.

Onze Oude culturen spreken boekdelen: Het Oosten en het Midden-Oosten moeten verschillende godenparen rijk zijn geweest.

De godin; geest, wind, water en adem

Valt er werkelijk geen spoor meer te bekennen van de godin uit het Oude Israël? Volgens verschillende Bijbeldeskundigen is zij minder zorgvuldig uit de Thora weggeschreven dan eigenlijk de bedoeling was. Zo zou de Hebreeuwse term 'ruhin' (geest/ adem/ wind) op haar terug te voeren zijn. Wanneer we even aannemen dat dit inderdaad zo is, dan zien we in een bredere context een interessante lijn ontstaan die in haar samenhang onze aanname nog aannemelijker maakt.

*Waar we in Genesis (Genesis 1:2) lezen, 'en de Geest Gods zweefde over de wateren', wordt in de Hebreeuwse grondtekst de term 'ruhin' gebruikt. Daar heb je ze weer: wind, water en godinnen! De woorden weerklinken en roepen het Oude Europa weer op in onze herinnering.

*In hetzelfde Bijbelboek boetseert God de eerste mens en blaast hem leven in. Van Gods adem kwam een levende Adam. Dit scheppingsverhaal doet onwillekeurig denken aan de mythe van Isis en Osiris waarin de Nijlgodin het lichaam van haar man weer in elkaar zet en hem met haar adem (weer) tot leven brengt.

*En de Muzen in het Oude Griekenland? Bliezen zij wetenschappers en kunstenaars geen geestelijk leven in?!

Dezelfde associatie, wind, water, vogel, adem, geest en godin, keert telkens weer terug in onze mythologie; in het Oude Europa, in het Oude Egypte en deels ook in het Oude Griekenland, ja zelfs in het Joodse scheppingsverhaal. Afhankelijk van elkaar? In directe overlevering? Of onder culturele invloeden? Of onafhankelijk van elkaar? Toevallig? Of omdat deze associatie nu eenmaal diep ligt verankerd in de gevoelswateren van de mens?

Het scheppende vermogen van een godenpaar

Rest ons de vraag of de 'Geest Gods die over de wateren zweefde' en die Adam leven inblies misschien niet een vergeten, uitgebannen godin zou kunnen zijn geweest! Laten we eerlijk zijn: Is het een rare gedachte dat de mens van nature geneigd is om een scheppend vermogen toe te schrijven aan een godenpaar?

IN GROTE LIJNEN

*De mens is een associatief denkend wezen (zie 'De Grotten van Lascaux').
*Dit associatieve denken vertaalt zich in symbolen en heeft een creatief vermogen (mythen) (zie 'De grotten van Lascaux').
*De Cro-magnonmens (uit de Oude Steentijd) beleefde de natuurkrachten en -verschijnselen (o.a. het mannelijk en vrouwelijk) (zie 'De grotten van Lascaux').
*Die (universele) natuurkrachten en -verschijnselen lagen bínnen de natuur zé:lf (zie 'De grotten van Lascaux').
*De mens is onderworpen aan deze natuurkrachten (zie 'De grotten van Lascaux').
*De grootste natuurkracht was het Vrouwelijk dat leven gaf en triomfeerde over de dood (zie 'De grotten van Lascaux').
*Godinnenbeelden verschijnen (zie 'Het Oude Europa').
*De offerende mens verschijnt (zie 'Het Oude Europa').
*De mens probeert invloed uit te oefenen op de natuurkrachten (zie 'Het Oude Europa').
*De mens probeert natuurgodinnen gunstig te stemmen (zie 'Het Oude Europa').
*Godinnen heersen van bovenaf over de natuur (zie 'Het Oude Europa').
*De (universele) zielen liggen niet langer ín de natuur, maar bóven de natuur (zie 'Het Oude Europa').
*De mens ontdekt de invloed van de kosmos op de jaargetijden, de tijden, de getijden (eb en vloed), de klimaten, het weer en de hele natuur (zie 'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*De mens ontdekt de invloed van de kosmos op de buíten én bínnenkant van de levende natuur (zie'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*De sterrenbeelden tekenen ons karakter en zijn van invloed op de individuele gebeurtenissen hier op aarde (zie 'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*De mens probeert invloed uit te oefenen op de kosmische krachten en verschijnselen (zie 'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*Kosmische goden en godinnen verschijnen (zie 'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*De mens beleeft de wereld om hem of haar heen (de hele kosmos en de natuur) vanbinnen en vanbuiten (zie 'Astronomie en astrologie vanuit de Oudheid').
*Als individu ben je van binnenuit verbonden met de natuur en de kosmos (zie eerste drie artikelen).
*Als individu kun je (in je beleving) opgaan in het universele.
*Mannelijk en vrouwelijk zijn niet alleen individuele krachten, maar vooral ook universele krachten (kosmische- en natuurkrachten).
*In het Oude Midden-Oosten en Oosten waren het zelfs goddelijke krachten.
*In deze culturen kon seks behalve een individueel vooral ook een kosmisch/ goddelijk gebeuren zijn.
*Alle scheppende, creatieve en kunstzinnige kracht vloeide voort uit het samenspel van het Mannelijke en het Vrouwelijke (zie 'Godenparen').
*De gelaagde (goddelijke; kosmische en natuurlijke) werkelijkheid tekent de mens vanbinnen.
*Vanuit die innerlijke lagen kan de mens zich (in deze optiek) verbinden met de natuur, de kosmos en zelfs met de goden/ godinnen/ het goddelijke.



hirondelle

Pythagoras en het wonder van de wiskunde

Een lange lijn van de Oude Steentijd naar het Oude Griekenland

Langs de weg van de prehistorische kunst, de astrologie en de astronomie in Mesopotamië en het Oude Egypte, en de godenparen in de Oudheid zijn we uitgekomen bij de Oude Grieken. Een duidelijke lijn is waarneembaar:

I De mensen voelen zich onderdeel van en onderworpen aan de natuur

II Het mannelijk en het vrouwelijk zijn (in hun belevingswereld) belangrijke natuurkrachten

III Natuurgodinnen verschijnen als heerseressen over de natuur

IV Kosmische krachten tekenen (in hun belevingswereld) de wereld vanbinnen en vanbuiten

V Het mannelijk en het vrouwelijk zijn (in hun belevingswereld) belangrijke kosmische (en dus universele!) krachten

VI De mens voelt zich onderdeel van en onderworpen aan de kosmos

VII Kosmische goden en godinnen verschijnen

Meer lagen

In onze beleving kreeg de werkelijkheid meer lagen: Onder de biologische werkelijkheid, kwam een kosmische te liggen, en daar weer onder een wiskundige. Die laatste ontwikkeling zette zich in bij de opkomst van de astrologie en de astronomie en nam een grote vlucht bij de Oude Grieken. Een sleutelfiguur daarbij was onbetwistbaar Pythagoras.

Pythagoras



Pythagoras

Pythagoras werd in 570 voor Christus geboren op het eiland Samos dat middenin de Middellandse Zee lag blootgesteld aan vele culturele stromingen en winden; Perzische, Phoenische, Egyptische, Chaldeeuwse en natuurlijk Griekse zelf. De wereld waarin hij toen leefde was één groot pantheon vol goden en godinnen. Het polytheïsme vierde hoogtij. Je kunt je makkelijk voorstellen hoe deze Griek uit de Oudheid heerlijk in de schaduw lag te filosoferen of hoe hij juist zijn ideeën vol vuur zat te verdedigen.
Hoe dan ook valt deze Pythagoras uit lang vervlogen tijden zelfs uit de meest moderne wiskunde boeken niet meer weg te denken. Velen zullen hem nog kennen van zijn wereldberoemde stelling:

*A kwadraat plus B kwadraat = C kwadraat (Bij een rechthoekige driehoek ABC is de schuine zijde (C) in het kwadraat de som van het kwadraat van de beide aanliggende zijden (A en B)

De stelling van Pythagoras

Dat is mooi, maar wie had nu ooit durven dromen dat dit zo is?! Bovendien, hoe kom je erop?! Hoewel het ons hier níet gaat om de wiskunde op zichzelf, vergroot het ons inzicht in de denkwereld van Pythagoras wanneer we zijn stelling eens onder de loep nemen. (Lees je liever geen wiskundige verhandelingen, dan kun je de paragraven 'een beeldverhaal' en 'de stelling van Pythagoras' overslaan. De punten waar het voor onze zoektocht om draait worden later, in de paragraaf 'samenvattend' kort weergegeven.)


Een beeldverhaal

Om zijn wiskundige probleem - wat is de vaste lengteverhouding tussen de lijnstukken A, B en C? - te kunnen oplossen, had Pythagoras sowieso kennis van een aantal wetmatigheden nodig. Maar meer nog vergde de oplossing van dit vraagstuk een diep inzicht in hun SAMENHANG. Hij moet daarom ook zoiets als het volgende beeldverhaal in gedachten hebben gehad.

pythagoras
ILLUSTRATIE I

*Stel je een assenstelsel voor.
Twee lijnenstukken lopen precies over de y-as (*a). Vergelijk het met een ronde klok waarbij de beide wijzers op de twaalf staan.

*We laten een van de wijzers een beetje naar rechts lopen. De andere wijzer blijft echter strak op de twaalf staan. Tussen de beide wijzers krijgen we een scherpe hoek (*b).

*We laten de wijzer verder lopen tot deze op de 3 is gekomen (*c).
De wijzer heeft nu een kwart van een cirkel doorlopen. De kwart cirkel bepaalt de hoek tussen de wijzers. Deze hoek stellen we op 90 graden. De beide wijzers kunnen we verbinden met een schuine streep. Binnen de kwartcirkel valt nu een rechthoekige driehoek. De kwartcirkel bepaalt de rechte hoek van deze driehoek.

Dus:
***Een rechte hoek is 90 graden
***Er is een duidelijk verband tussen een kwartcirkel en een rechthoekige driehoek.

*We laten de wijzer weer verder lopen tot deze op de 6 staat (*d).
Het afgelegde parcours van de wijzer is nu een halve cirkel, tweemaal een kwartcirkel. De hoek tussen de wijzers komt nu dus op 2 . 90 graden = 180 graden.

*En zo laten we de wijzer zijn weg vervolgen tot deze op de 9 komt. De hoek tussen de wijzers is nu uiteraard 3 . 90 graden = 270 graden

*Tenslotte heeft de wijzer een hele cirkel gemaakt (*e).
De hoek tussen de beide wijzers is nu 4 . 90 graden = 360 graden.

*Zie nu een vierkant voor je.
Deze ligt precies binnen de cirkel (*f). Bij een vierkant kunnen we net als bij een cirkel rondgaan. Het aantal afgelegde graden is dan hetzelfde.

Dus:
***Een vierkant (maar dus ook iedere andere rechthoek) heeft net als een cirkel 360 graden.
***Er bestaat een nauw verband tussen een cirkel en een rechthoek.

*In het vierkant ABCD (maar ook in iedere andere rechthoek) kunnen we een schuine lijn trekken van hoekpunt A naar het schuin overliggende hoekpunt (C) (*g).
Het vierkant bestaat uit twee rechthoekige driehoeken.

*De hele weg langs de zijden van het vierkant (de hele draai) is 360 graden (*h).
Eerst loopt de weg langs de zijden van de rechthoekige driehoek I. Dan is de helft van de weg, dus 0,5 . 360 graden = 180 graden afgelegd.

***Een driehoek heeft dus 180 graden.

Daarna gaat de route verder langs de zijden van rechthoek II. In het totaal wordt langs rechthoek I en II 360 graden afgelegd.

***Een rechthoek ABC heeft een hoek van 90 graden, en in zijn geheel 180 graden.
*** De rechte hoek (90 graden) + hoek AC + hoek AB = 180 graden. (*j)
***Er bestaat een nauw verband tussen een rechthoekige driehoek en een rechthoek.

*De oppervlakte van een rechthoek is lengte . breedte. (*k)
*** O(rechthoek) = l . b

*We verdelen de rechthoek in twee driehoeken
De oppervlakte van een rechthoekige driehoek is de helft van oppervlakte van de rechthoek (*l):

***O(rechthoekige driehoek) = 0,5 . (l. b)

Behalve een aantal wetmatigheden illustreert het beeldverhaal:

***de samenhang tussen lijnen, cirkels, driehoeken en rechthoeken
***de generatieve kracht van de wiskunde; het een rolt (noodzakelijkerwijs) uit het ander

*de mogelijkheid en de rol van extensie in de wiskunde

Dat laatste blijkt, bijvoorbeeld, duidelijk als we een rechthoekige driehoek hebben en ons de vraag stellen wat zijn oppervlak is. Wat we doen is met een knip in de vingers eenzelfde driehoek uit de lucht toveren (iets wat in de materiële werkelijkheid niet zomaar kan!). Als we dat gedaan hebben, is onze vraag eigenlijk al beantwoord. (We berekenen het oppervlak van de rechthoek die uit de beide driehoeken is ontstaan, en delen die door twee.)







De stelling van Pythagoras

Met het beeldverhaal in gedachten wordt het vraagstuk van Pythagoras redelijk makkelijk oplosbaar:

stelling
ILLUSTRATIE II

Gegeven:

*Een rechthoekige driehoek ABC (*a) met:
-aanliggende zijde A
-aanliggende zijde B
-overstaande zijde C
-Hoek AB = 90 graden

Gevraagd:

Wat is de (vaste!) lengteverhouding tussen de zijden A, B en C (*a)?

Oplossing:

We willen de verhouding weten tussen de lijnstukken A, B en C. Dus willen we graag een vergelijking hebben waarin deze A, B en C voorkomen.
EENDIMENSIONAAL (dus met A tot de macht 1, B tot de macht 1 en C tot de macht 1) komen we moeilijk verder.

Maar nu komt het: We kunnen het vraagstuk ruimtelijk en hier dus TWEEDIMENSIONAAL bekijken (wat op zichzelf niet zo vreemd is omdat de lijnstukken deel uitmaken van een ruimtelijke figuur).

Maar belangrijker nog: We mogen er een tweede rechthoekige driehoek bij 'toveren'. Nu hebben we rechthoek AB met een oppervlakte van A . B (*b):

***O(rechthoek AB) = A . B

Probleem:
Probleem: In onze vergelijking komt geen C voor. We lijken vastgelopen. Dus hoe nu verder?

Extensie
Pythagoras zag direct in dat lijnstuk C wiskundig gezien deel uitmaakt van een vierkant CC dat nog niet gegeven is of simpeler gezegd, dat we nog niet hadden.

Met onze 'wiskundige toverstaf toveren' we nu het vierkant CC (/ C kwadraat) (*c). We breiden het lijnstuk dus uit tot een vierkant (extensie).

Maar wacht even: We kunnen nog even doorgaan met UITBREIDEN. Want alle vier de zijden C van het vierkant vormen ieder ook weer de schuine zijde van een driehoek ABC. We kunnen dus om het vierkant CC heen vier driehoeken ABC rangschikken(*d).

***We krijgen nu in principe: Vierkant CC met daaromheen aan iedere kant een driehoek ABC (*d).

De eerste driehoek maken we door vanaf het linker hoekpunt zijde B naar rechts te trekken. En wel zodanig dat zijde B een hoek BC (van het driehoek ABC) met zijde C maakt. Vanaf lijn B laten we een loodlijn neer op het linker hoekstuk van zijde C. Die loodlijn is dan natuurlijk zijde A (*e).

Pythagoras moet meteen een paar dingen hebben ingezien:
*Met vier rechthoekige driehoeken kun je een vierkant maken (*d). (Samenhang tussen de verschillende figuren!)
*Met de vier rechthoekige driehoeken ABC kun je een vierkant X om vierkant CC heen maken (*d). (Vierkant CC komt dus binnen een vierkant X te liggen.)
*De oppervlakte van het nieuwe vierkant X is de oppervlakte van vierkant CC plus viermaal de oppervlakte van driehoek ABC (*d): O(X) = O(CC) + 4. O(ABC)
*Zijde B van driehoek ABC mag je IN GEDACHTEN VERLENGEN (!) (*e).
We krijgen nu in principe: een vierkant CC binnen een vierkant X (*d)
Rangschikking
Alleen, hoe komen nu de driehoeken ABC om het vierkant CC gerangschikt te liggen zodanig dat je vierkant X krijgt (*d)?

Nu is de hoekberekening van belang. Trekken we zijde B naar rechts door, dan krijgen we hoek b van driehoek ABC + een rechte hoek (90 graden) + hoek a (*e). Deze hoeken vormen samen 180 graden. Dus geldt:
***Hoek b + 90 graden + Hoek a = 180 graden (*f)
***Hoek b = 90 graden - hoek a (*f)
***hoek a = 90 graden - hoek b (*f)

Wat weten we nu?

*Wanneer we lijnstuk A van de driehoek ABC (bovenop het vierkant CC) verlengen, krijgen we langs de verlengde lijn: hoek a + een hoek van 90 graden + hoek x (*g).
*Hoek x = 180 graden - hoek a
*Hoek b = 180 graden - hoek a
*Dus is hoek x = hoek b
*Tegenover hoek a komt hoek b te liggen (*h).
*Als hoek b tegenover hoek a ligt (*h), dan komt in het verlengde van lijnstuk A, lijnstuk B (*j).
*De zijden van het vierkant X rondom het vierkant CC bestaan uit A + B (*k)

De afleiding van de Stelling van Pythagoras
Wat weten we?

***Voor de oppervlakte van vierkant X rondom vierkant CC geldt: O(X) = lengte . breedte (*l).
***Tegelijkertijd geldt voor de oppervlakte van vierkant X: O(X) = O(CC) + 4 . O(ABC) (*k)

Wanneer we alles invullen krijgen we:

*O(X) = (A + B) . (A + B) = (A + B) in het kwadraat

Tegelijkertijd weten we dat de O(X) = O(CC) + 4 . O(ABC) (*k).

Vullen we weer alles in dan krijgen we:

O(X) = O(CC) + 4 . O(ABC) (*k)
(A + B) in het kwadraat = C in het kwadraat + 4 . 0,5 (A . B) (*k)
N.B. de oppervlakte van een rechthoekige driehoek ABC is de helft van de oppervlakte van de rechthoek A . B (*b)
Nu geldt dus: A kwadraat + 2AB + B kwadraat = C kwadraat + 2AB
Dus geldt: A kwadraat + B kwadraat = C kwadraat
Dus geldt de Stelling van Pythagoras (!) De stelling is afgeleid dankzij dwingende samenhang, noodzakelijke waarheden en extensies (in gedachten verlengen en/ of uitbreiden) (!)




Samenvattend

Pythagoras doorgrondde als geen ander de verbanden tussen verschillende ruimtelijke figuren (driehoeken, rechthoeken en cirkels). Hij voelde haarfijn aan dat je wiskundig gezien figuren op bepaalde manieren mag uitbreiden of andere erbij 'toveren' (*) - iets wat in de materiële werkelijkheid niet zomaar kan! - en dat je lijnen mag doortrekken zonder dat je zomaar iets zit te verzinnen of de werkelijkheid geweld aandoet. Integendeel. De afleiding van zijn stelling toont wel aan dat je met al dat uitbreiden of erbij toveren, en met al dat doortrekken weleens onwrikbare, wiskundige wetten aan het licht kunt brengen. Sterker nog; dat je, bijvoorbeeld, zoals in zijn geval, vaste verhoudingen tussen de zijden van een rechthoekige driehoek op het spoor kunt komen. Verhoudingen die gelden voor alle rechthoekige driehoeken. Voor alle die we al hebben - meet maar na! -, maar óók voor alle die er niet meer zijn of nog niet zijn. Zélfs voor al die rechthoekige driehoeken die nooit getekend of gemaakt zullen worden. Want al deze driehoeken liggen in een wiskundig-zijn of in een wiskundige werkelijkheid aan wiens greep de fysieke wereld niet kan ontsnappen.

Vinden we de wiskunde uit? Of ontdekken we haar? Licht wat we aan wiskundigs vinden op in een onzichtbare wereld? Als sterren bij het invallen van de nacht?

(*) Het doen van aannames (stel, dan) zijn belangrijk onderdeel van het wiskundige denken dat op allerlei gebied kan worden toegepast. We komen hier later nog uitgebreid op terug.

Verhoudingen

Zoals gezien, ontdekte Pythagoras de vaste verhouding tussen de zijden van een rechthoekige driehoek. Welke je daarvan ook maar nam, de verhouding ging zonder mankeren op. Maar in de ogen, of in het geestesoog van Pythagoras bestonden niet alleen de zijden van dit soort driehoeken uit wiskundige verhoudingen, maar letterlijk álles: ruimtelijke figuren, dus ook de hemellichamen met hun constellaties en hun banen, de muziek met zijn toonladders, ritmen en maten, en de kleuren met hun mengeling van tinten etc.

Overeenkomsten

Precies dezelfde wiskundige verhoudingen kun je vinden in een glas wijn, de hemellichamen, hun banen, beelden en muziek. En Precies dezelfde verhoudingen kunnen we op verschillende manieren waarnemen; we kunnen ze proeven of ruiken in wijn, voelen in baden, bedden, zalven en oliën, zien in beelden, banen en hemellichamen of horen in poëzie, zang, luit- en liermuziek.

Correspondenties

Dat is voor ons gewone zielen zo, maar voor grote geesten als Pythagoras is dat nog niet alles. Want al deze verschillende zintuiglijke waarnemingen zijn redelijk willekeurig. Waar het namelijk omgaat is niet hoe je iets waarneemt, maar wat je ten diepste waarneemt, namelijk wiskundige verhoudingen. Je zou daarom kunnen zeggen dat verschillende manieren van waarnemen één en dezelfde (geestelijke) informatie kunnen vertalen, maar andersom ook dat één en dezelfde (geestelijke) informatie kan worden vertaald in verschillende soorten waarnemingen. En dat was precies wat Pythagoras tot een bevoorrecht mens maakte; met zijn geestesoog hoorde hij de hemellichamen en hun banen. Ja, hij 'hoorde de harmonie der sferen'. De wiskundige schoonheid van de kosmos. Hing de Franse dichter Baudelaire - in wiens wereldberoemde werk, 'les Fleurs du Mal', het weergaloze gedicht 'Correspondances' troont - toen al in de lucht? We komen later zeker nog op dit boegbeeld van de Franse dichtkunst terug.

Symfonie, harmonie en schoonheid

Pythagoras stelde vast dat álle schoonheid, of het nu gaat om een oogstrelend lichaam, een sierlijke hemelbaan of betoverende mooie muziek, samenhangt met de schoonheid van wiskundige verhoudingen. Wondermooie verhoudingen waar al dat betoverends een weerkaatsing, een verschijning, een materialisatie of een manifestatie van is. Zo zouden er zelfs ideale verhoudingen zijn.
In deze optiek valt de esthetica (de leer der schoonheid) volledig terug te voeren op de mathematica. Kunst was in de wereld van Pythagoras nauw verweven met de wiskunde. Zó zelfs dat je je kunt afvragen of in wiskunde kunst zit, in kunst wiskunde of allebei in elkaar.

Roeping en roes van Pythagoras

Pythagoras moet in een roes geweest zijn, dronken van alle luister der wiskunde. Of ruimer in de zevende hemel van een hele metafysische wereld. Hij liep er letterlijk van over: Volgens Iamblichus, een Griekstalige filosoof van Syrische origine van ergens rond het jaar 250 na Christus, was de missie van Pythagoras 'de vergankelijke natuur genadevol de heilbrengende vonk te schenken van gelukzaligheid en filosofie'.

Mysteriescholen

Dat deed hij door mysteriescholen op te richten. Zijn volgelingen, mannen én vrouwen, werden ingewijd en leefden als een soort monniken. Volgens diezelfde Iamblichus, 'maakten de Pythagoreeërs hun ochtendwandeling alleen. Zij gingen naar plaatsen waar eenzaamheid en waardige stilte heerste, waar heiligdommen, waar heilige bossen waren en wat verder het hart verheugt.[ ] Die rust is bevorderlijk voor het ordenen van het denken. [ ] Na de ochtendwandeling ontmoetten zij elkaar, bij voorkeur in tempels of op geestelijke plaatsen. Zij benutten deze gelegenheid om te onderwijzen en te leren [ ] In de late namiddag gingen zij weer wandelen, nu niet zoals 's morgens apart, maar met z'n tweeën of drieën, zij memoreerden het geleerde en oefenden zich in de edele studies [ ]'

De muzen

Pythagoras was - laten we dat niet vergeten - van ver voor de Verlichting. Zijn hele denk- en leefstijl waren doordrenkt met de godsdiensten en mythologieën waar hij als Egyptereiziger en als Griek van het eiland Samos mee in contact kwam. Hij vierde de wijn, vereerde diens god, Dionysius, en liet zich inspireren door de Muzen. Sterker nog: In zijn toespraak tot de Senaat zou hij volgens Iamblichus tot het volgende hebben opgeroepen: 'Richt een heiligdom op voor de muzen [] het muzenkoor is altijd een en hetzelfde. Bovendien omvat het samenklank, harmonie, ritmische orde en alles wat eendracht tot stand brengt. Ook strekt de macht van de muzen zich niet alleen uit over de mooiste voorwerpen van beschouwing, maar ook over de symfonie en de harmonie van het zijnde'. (p56/ J45)

De edele studies

Opgestegen als Pythagoras was in wiskundige sferen, is het verre van een wonder dat hij zijn volgelingen verplichtte zich te verdiepen in de vier 'mathemata' ('dat wat geleerd moet worden'). Deze vier mathemata waren de rekenkunde, de geometrie, de astronomie en tenslotte de harmonieleer oftewel de muziekleer.

De magie van het getal

De afleidingen van de Stelling van Pythagoras illustreren een wonderlijke, welhaast magische kant van de geometrie. Die magie ontwaarde onze rekenmeester ook in het getal. De wondere wereld der cijfers bracht hij tot uitdrukking in zijn Tetractys. Voor getallengoochelaars en wiskunde virtuozen een feest. Want dit ene piramidale figuur vangt talloze wiskundige verbanden en werkelijkheden in beeld.

Tetractys

Misschien wel het meest simpele verband, maar zeker niet het onbelangrijkste, is het volgende:
*In de piramide komen we top-down (van de punt tot aan de basis) vier lagen tegen die achtereenvolgens bestaan uit; een punt (1), twee punten (2), drie punten (3) en vier punten (4).
*De som van deze getallen maakt precies het getal 10, de eenheid van het tientallige getallenstelsel: 1 + 2 + 3 + 4 = 10

De symboliek van het Tetractys

Het tetractys werkt duidelijk als een open symbool; Één beeld weerspiegelt een (vrijwel) onuitputtelijke hoeveelheid mathematische verbanden en verhalen. Waarmee Pythagoras geliefde symbool komt te liggen in het centrum van een heel wiskundig web. Maar voor Pythagoras lag het Tetractys daarmee zelfs in het middelpunt van een compleet kosmologisch netwerk. In zijn optiek werd het heelal met alles wat daar in is, immers getekend en gevormd - om maar niet te zeggen bezield - door de mathematische werkelijkheid.
Het Tetractys had derhalve niet alleen betrekking op de geometrie en de getallenleer, maar ruimer op de héle werkelijkheid. Het kenmerkende van open symbolen is dat je er anders dan bij gesloten symbolen (zoals een verkeersbord) niet één vaste betekenis kan opplakken, maar dat het symbool een scheppend karakter heeft. Je kunt er verhalen en verbanden aan blijven ophangen. Kort en goed zal het Tetractys zelfs voor Pythagoras in hoogst eigen persoon niet slechts één vaste betekenis hebben gehad. Bovendien zullen velen na hem op verschillende manieren en vanuit verschillende invalshoeken hebben geprobeerd dit symbool uit te leggen.
Even los van de vraag wat Pythagoras met zijn geesteskind precies voor ogen had, zien we een duidelijke lijn verschijnen die van de grottekeningen in het Vézèredal, langs de sterrenbeelden naar het Tetractys loopt. Open symbolen blijven altijd en overal weer opduiken en verschijnen.
Het is een lastige, zo niet onmogelijke opdracht te achterhalen wat onze Griekse filosoof van meer dan 2,5 duizend jaar geleden met zijn piramidale figuur heeft willen zeggen, ook al hebben twee belangrijke historische bronnen, Aristoteles en Iamblichus (die overigens niet eens tijdgenoten waren) er wel iets over los gelaten. Het blijft dus gissen. Toch lijken er wel een paar aanknopingspunten te zijn.
Zo werd in de Oudheid het getal 1 vaak gezien als het symbool voor ÉÉNHEID. Terwijl het getal 10 stond voor de compleetheid. Het AL.

Maar wat zijn dan de 2, de 3 en de 4? Naar alle waarschijnlijkheid horen zij thuis in het verhaal van het Één en het Al. Kijken wij voorts naar de menselijke denklijn die als een trein in het duister komt opdoemen uit de prehistorische nacht der tijden, dan zien we doorheen de grotkunst, de astrologie en de godenparen zich een duidelijke tweedeling aftekenen in de natuur, de kosmos en de godenwereld. Dus zou de twee weleens kunnen staan voor de twee polen van het universum; HET MANNELIJK EN HET VROUWELIJK.

De 3 laat zich dan makkelijk raden. Tussen de twee polen ontstaat ENERGIE. De kracht om te vormen en te creëren. In meer menselijke begrippen kunnen we stellen dat seksuele energie (met haar verlangen naar de andere sekse) slechts dan kan ontstaan wanneer het mannelijk en het vrouwelijk zich van zichzelf en van elkaar bewustzijn. Daarmee staat de 3 ook voor BEWUSTZIJN.

De betekenis van de 4 vloeit als vanzelf uit dit energetische spel voort: De energie gaat stromen: Het POTENTIËLE wordt (deels) GEACTUALISEERD, het mogelijke (deels) gerealiseerd. De polen CREËREN, vormen, brengen voort. De materie verschijnt.

De kosmos met al wat daar in is en met al waaruit zij is voortgekomen, is compleet; de som van de 1, 2, 3 en 4 (1 + 2 + 3 + 4 = 10).

Bovenstaande interpretatie komt min of meer overeen met die van een Konrad Dietzfelbinger en vele anderen:
*Het getal 1 staat voor het Al, de eenheid (in diversiteit) van alles.
*Het getal 2 staat voor de deling van het Al in twee polen (ook wel *vader en moeder* genoemd).
*Het getal 3 staat voor bewustzijn.
De vader spiegelt zich in de moeder. Hij wordt zich bewust van zichzelf (de vader) en van het andere (de moeder).
*Het getal 4 staat voor het realiseren/ actualiseren. De energie gaat stromen, wordt kracht, wordt werkzaam. Het potentiële kan nu geactualiseerd gaan worden, het mogelijke gerealiseerd. Beweging ontstaat. Materie verschijnt.

Verbinding en ziel

Met Pythagoras zien we een wiskundige werkelijkheid verschijnen waarvan alles doortrokken is. Alles is wiskundig. Alles bestaat uit verhoudingen; de kleuren, de hemelbanen en de muziek. De hele kosmos. Verhoudingen kunnen ideaal zijn; staan voor harmonie, symfonie, kunst en schoonheid. Vanuit onze ziel kunnen we al die wiskundige schoonheid waarnemen en erin opstijgen. Ermee verbonden zijn. Wiskunde is meer dan wetten en samenhang alleen. Meer dan onwrikbare werkelijkheden en onwankelbare verbanden. Meer dan formules en rekenpartijen. Wiskunde is bovenal schoonheid, wijsheid en gevoel. Ziel. Een universele ziel waarin onze individuele ziel volledig kan opgaan.

Interessante literatuur

*Pythagoras, Wissenschaft und Spiritualität, Konrad Dietzfelbinger



hirondelle

Plato en zijn ideeënwereld

Platonische liefde

Plato heeft zijn naam vereeuwigd in de alom bekende uitdrukking een platonische liefde. Een liefde die ver uitstijgt boven het aardse, lichamelijke genot. En die de neus ophaalt voor al wat zinnelijk en zintuiglijk is. Hoe anders dan bij het hindoeïsme waarin Shiva en Shakti je langs de weg van sublieme seks meevoeren naar een kosmische extase. En hoe anders dan in die Oud Griekse tempels waarin je in de goddelijke liefde werd ingewijd. Het betekende een regelrechte draai van 180 graden t.o.v. een wereld waarin gewijde erotiek nog heilig was en de poort opende naar een hogere werkelijkheid.

Plato

Plato was een filosoof uit het Oude Athene. Hij leefde van circa 427 tot zo'n 347 voor Christus. Hoewel Plato ongeveer 153 jaar na Pythagoras ter wereld kwam, was zijn denkwereld duidelijk van diens gedachtengoed doortrokken. Geen wonder want onze Oud Griekse getallengoochelaar die hemelse sferen hoorde, hing nog altijd in de lucht. Ook in Zuid Italië, waar Plato lange tijd onder volgelingen van Pythagoras vertoefde.

Plato

De ziel als zintuig

Pythagoras relativeerde de rol van onze zintuigen. Waar het omging was NIET HOE je de dingen (zintuiglijk) waarnam, MAAR eerst en vooral WAT je waarnam. Namelijk verhoudingen en wiskundige schoonheid. Plato trok deze lijn door.

Phaedo

Plato was niet alleen een groot bewonderaar van Pythagoras, maar minstens zoveel van Socrates aan wie hij de hoofdrol toebedeelde in zijn 'Phaedo'.

Phaedo

Socrates of de 'belichaming van de filosofie'

Socrates was in zijn ogen de belichaming van de filosofie. Al is de term 'belichaming' uitgerekend in deze context wat ongelukkig. De grote meester stond namelijk met zijn filosofie mijlenver boven zijn lichaam met al zijn minderwaardige noden en lusten, bekommeringen en bekrompenheden. De filosoof vergat vaak te eten en te drinken en kon urenlang roerloos, op blote voeten in de sneeuw staan denken, volledig opgegaan als hij was in hoger gedachtensferen.

De kerker van zijn ziel

In de 'Phaedo' komen we Socrates tegen in zijn dodencel. Zijn laatste uurtje heeft geslagen. Het is de dag van zijn executie. Hem wacht de gifbeker. Een gruwelijke dood. Beefde hij? Sidderde hij? Huilde hij? Krijste hij? Rende hij panisch van angst in zijn cel op en neer? Was hij radeloos en redeloos geworden? De meester lag er, integendeel, zijn jonge vrienden in alle rust te onderrichten. Redenerend, argumenterend, verlangend naar de dood. Hij luisterde, antwoordde en stelde vragen, en nam zijn leerlingen stapje voor stapje mee in logische en sluitende redeneringen. De filosoof maakte zich zichtbaar drukker om de waarheid dan om het lot dat zijn lichaam wachtte. De kerker van zijn ziel.

Plato's ideeënleer

Toch zou het een misvatting zijn om de filosofie die Socrates in Plato's Phaedo uit de doeken doet, toe te schrijven aan deze filosofie held zelf. Het gaat eerder om een projectie van Plato's eígen gedachten. Al is het zeker waar dat Socrates voor het zogenaamd bederven van de jeugd ter dood is gebracht.

Ideeën en kopieën

Volgens Plato's ideeënleer leven we in een soort schijnwereld. Wat wij zintuiglijk waarnemen zijn onvolmaakte en veranderlijke kopieën van volmaakte en onveranderlijke ideeën. Zo heb je, bijvoorbeeld, in onze vergankelijke wereld de zichtbare kopie van het idee 'boom' dat ligt besloten in een onvergankelijke en onzichtbare werkelijkheid. Het idee van een niet zintuiglijk waarneembare, metafysische werkelijkheid komt in Plato's leer duidelijk naar voren. Wat wij zintuiglijk waarnemen zijn dus níet de ideeën zelf, de 'poppen', maar hun 'schaduwen', de schimmen in een schimmenspel.

Schimmen

Verraderlijke zintuigen

Op slag zijn onze zintuigen in een kwaad daglicht gesteld: Ze zijn een bron van bedrog en van verraderlijke kennis.

Een intellectueel zintuig

Maar is er een uitweg? Of zitten we hopeloos gevangen in een schijnwereld? Opgesloten in een lichaam met zintuigen die ons een rad voor ogen draaien? En is het ons dan werkelijk niet gegeven om door te dringen tot het wezen der dingen? De ideeën zelf?
Zeker wel. In lijn met Pythagoras pleit Plato voor een puur leven waarin wij ons afkeren van de lichamelijke genoegens van het leven en ons focussen op de filosofie. Want slechts dan kunnen wij een intellectueel zintuig ontwikkelen waarmee we de werkelijkheid kunnen waarnemen.

Wat moeten we ons bij Plato's ideeën voorstellen?

Toch zag Plato zelf ook wel in dat er een paar problemen kleven aan zijn ideeënleer. Want hoe zit het eigenlijk met vieze of rare dingen? Zou er werkelijk waar een idee zijn van - laten we eens zeggen - modder? Of hoe komt het dat we één idee van steen hebben, maar dat in onze wereld nog geen twee stenen precies hetzelfde zijn? En hoe zit het eigenlijk met de gehelen en hun delen? Stel dat we het idee voor mens hebben? Hebben we dan ook de ideeën voor - laat eens kijken - 'haar', 'navel' en 'neus'?
We zijn er met de ideeënleer zelf duidelijk nog niet, maar - zoals we later zullen zien - betekent deze filosofie een behoorlijke stap voorwaarts in het wetenschappelijke denken.

Tegengestelden

Volgens Plato komt het leven voort uit de dood en de dood weer uit het leven. Niets bestaat louter op zichzelf. Alles dankt zijn bestaan aan het andere. Alles is t.o.v. het andere. Tegengestelden spelen een grote rol in de gedachtewereld van Plato. Eigenlijk kunnen deze allen in twee families tegenover elkaar worden gesteld:

Idee Kopie
Goddelijk Menselijk
Onvergankelijk Vergankelijk
Onsterfelijk Sterfelijk
Onveranderlijk Veranderlijk
Onstoffelijk/ immaterieel Stoffelijk/ materieel
Onzichtbaar Zichtbaar
Ziel Lichaam
Etc. Etc.


Prenatale kennis

In zijn Phaedo wierp Plato twee vragen op van levensbelang voor de wetenschap: Namelijk wat is kennis? En vooral waar komt deze vandaan? Tegenwoordig lijken dat in academische kringen twee meer dan vanzelfsprekende vragen. Maar zijn wij geen reuzen omdat wij staan op de schouders van ons voorgeslacht? Het is met dit soort schijnbaar simpele dingen nu eenmaal zo dat je er maar net op moet komen. Net zoals met de stelling van Pythagoras.

Bovendien moet Plato zich hebben afgevraagd of het überhaupt wel mogelijk is dat we al onze kennis tijdens ons korte bestaantje hier op aarde bij elkaar gesprokkeld hebben. En dat dan ook nog eens met zintuigen die ons met een kluitje in het riet sturen!

Goed, maar als dat dan níet zo is - iets wat we eigenlijk allemaal wel intuïtief aanvoelen -, waar komt al onze kennis dan wél vandaan? Terug naar de ideeënleer. Hoe kunnen we, bijvoorbeeld, onderscheiden wat een boom is? En wat een steen? En wat een mens? Is dat niet dankzij de ideeën die wij in ons dragen en van waaruit wij dit alles kunnen HER-kennen?

Maar waar komen ze vandaan, deze ideeën?

Dat lijkt mooi, alleen is dan wel de vraag hoe wij aan deze ideeën komen. Nu komen we deze hier op aarde niet als zodanig tegen, laat staan dat we ze als zodanig zintuiglijk waarnemen. Dan moeten we ze dus elders hebben leren kennen. Maar waar? Was dat niet daar waar we deze onzichtbare ideeën op niet zintuiglijke wijze konden waarnemen?
Prima, maar waar was dat? Was dat niet in de hemel? Of liever nog in termen van de Oude Grieken zelf in Hades (de onderwereld oftewel het dodenrijk)?

Reïncarnatie

Als dat zo is, kan dit eigenlijk maar één ding betekenen: Voor wij ter wereld kwamen, verbleven wij in het dodenrijk, daar waar we de onstoffelijke en onzichtbare ideeën direct, d.w.z. zonder zintuiglijke omwegen, met onze onstoffelijke en onzichtbare ziel konden waarnemen.

Conclusie

Conclusie: Het is niet hier op aarde dat wij onze kennis vergaren, maar in ons PRENATALE LEVEN. Een leven dat voorafgaat aan onze geboorte. Wat wij weten, weten wij vanuit een vorig leven, niet hier op aarde, maar in het dodenrijk. Het is derhalve PRENATALE KENNIS.
Toch weten wij niet alles. Niet bewust althans. Want al die kennis ligt diep in ons. In diepe rust. Ze moet dan ook geactiveerd worden, gewekt, omhoog getrokken in onze HER-innering. En ook dat betekent weer één ding: leren is geen nieuwe kennis vergaren, maar oude herontdekken.

Metafysische werkelijkheid

In de ogen van Plato zijn de ideeën geen intellectuele constructen van de mens. Ze zijn allerminst subjectief van aard. De ideeën liggen namelijk in Hades, het dodenrijk, of in ieder geval in een andere, Platonische ruimte (of dimensie). Ze bestaan derhalve in een objectieve en metafysische werkelijkheid.

Dualisme

Voordat wij in een stoffelijk mensenlichaam op aarde kwamen, leefde onze onstoffelijke ziel in een platonische ruimte. Met onze vergankelijke, fysieke zintuigen nemen we slechts veranderlijke schaduwen waar van een onveranderlijke, metafysische werkelijkheid. Maar dat geldt niet voor de ziel. Eenmaal bevrijd uit of bevrijd van haar lichaam met zijn verraderlijke zintuigen, die ons in een schijnwereld opsluiten, zuigt de ziel trouw de ideeën in. Zij voedt zich zodoende met ware kennis van het eeuwige en onveranderlijke wezen der dingen. Het lichaam is de kerker van de ziel.

Plato zet lichaam en geest lijnrecht tegenover elkaar; in een keiharde tegenstelling, waarbij het lichaam staat voor schijn en bedrog, en de ziel voor verbinding met de zuivere ideeën.

Sterven en versterven

Het lichaam is de kerker van de ziel. Het sluit haar op in een schijnwekelijkheid. Voor onze geboorte leefde onze ziel echter frank en vrij in een onzichtbare, onstoffelijke wereld. Dus is ook de ziel onstoffelijk en onzichtbaar, dit in tegenstelling tot ons stoffelijke en zichtbare lichaam.
Wanneer wij nu sterven zal onze ziel terugkeren naar Hades, terwijl ons lichaam hier op aarde zal vergaan. Bevrijd uit haar kerker en uit iedere schijnwerkelijkheid zal de ziel zich laven aan de bron van ware kennis. Plato's 'ideeënfontein'. De dood is hier een regelrechte bevrijding. Een feest voor filosofen. Want pas dan wordt de kerkerdeur van ons lichaam wijd opengegooid en ziet de ziel na lange tijd het daglicht weer waarin de ideeën staan te schitteren.
Maar voor het zo ver is, voordat het spreekwoordelijke Vadertje Tijd ons met zijn zeis komt halen, kunnen we ons misschien niet bevrijden uít ons lichaam, maar dan toch wel ván ons lichaam. We kunnen ons namelijk volledig focussen op de filosofie die zich niets anders ten doel stelt dan ons af te wenden van zintuiglijke dwalingen en ons te richten op de metafysische werkelijkheid, langs de weg van de rede en ons goede verstand. In die zin is filosoferen sterven - we verlaten de kerker der dwalingen -; versterven - we bevrijden ons van de tirannie waarmee ons lichaam zich met zijn noden en zijn lusten in zijn greep houdt - en triomferen - we triomferen over ons lichaam, onze zintuigen, het zinnelijke en de dood -.
Geen wonder dat Socrates, als boegbeeld van de filosofie, in Plato's Phaedo een wijsgerige zwanenzang aanheft. Want zwanen - zo legt Socrates uit - zingen vlak voor hun dood om hun vreugde uit te roepen. Zeker. Want is er ook maar één vogel die zingt uit misère of mistroostigheid?!

Dieren

Dieren bevolken de belevingswereld van de mens. Vanaf onze vroegste kunst tot de 21e eeuw aan toe verschijnen ze op grotwanden, in mythen, fabels en andere vertellingen. Ze weerspiegelen het grootse, het goddelijke of het overweldigende, of houden ons juist een lachspiegel voor waarin wij onszelf, of - laten we eerlijk zijn - liever een ander zien staan in de naakte waarheid van zijn beschamend kleine, menselijke karaktertrekjes. In dit circus voert Plato een aantal dieren ten tonele. Gulzige mensen keren in een volgend leven terug in de huid van een ezel en tirannen als een wolf of valk. Terwijl zwanen filosofisch de vreugde van hun naderende dood uitzingen.

Schwanengesang Schubert (piano en viool)

Schwanengesang Schubert (zang)

Ziel en verbinding

Voor Plato ligt de ware kennis in ons. In onze ziel. Zodat wij ons VAN BINNENUIT kunnen verbinden met de ideeënwereld. Plato koppelt deze kennis aan een voor-aards (prenataal) bestaan. Hij tracht hiermee het bestaan van al die kennis die wij met onze geboorte al hebben meegekregen (PRENATALE KENNIS), te verklaren. Hiermee zet hij ons op een belangrijk spoor. Want is een voor-aards bestaan in Hades wel de enig mogelijke verklaring?

ZIJLIJNEN

Bestaat de platonische werkelijkheid? Zij was volgens de Franse film 'Galilée ou l'Amour de Dieu' het antwoord van paus Urbanus VIII op de wetenschappelijke 'bevliegingen' die de katholieke wereld op zijn kop dreigden te zetten. Letterlijk bijna: Want de Italiaanse natuurkundige Galileo Galilei (1564-1642) meende toch bewezen te hebben dat het niet de zon was die om de aarde draaide, maar andersom de aarde om de zon.
De 'onruststoker' werd dan ook zonder pardon voor de inquisitie gesleept. Ten overstaan van zijn strenge rechters moest hij zijn knap staaltje wetenschappelijk werk staan te verdedigen. Tegen de klippen op. Galilei leefde duidelijk in een heel andere denkwereld dan de dominicanen die hem compleet wilden overdonderen. Bovendien ging het bij deze oerconservatieve monniken om het handhaven van de gevestigde orde, en bij Galilei om verandering in het vastgeroeste wereldbeeld. Om de wetenschappelijke vooruitgang.
Het zag er somber voor hem uit. Het scheelde een haar of hij moest zijn heliocentrische 'beweringen' bekopen met de brandstapel. Maar dan ging daar middenin de nacht de deur van zijn kerker zachtjes open. Paus Urbanus VIII trad stiekem binnen. Galilei was zeker van zijn zaak. Alles klopte toch? Alles was toch bewezen? Maar hij bracht de paus niet van zijn stuk: Want wat was zijn antwoord? Kort samengevat, kwam het hier op neer: Ach, jij houdt je bezig met de vergankelijke werkelijkheid, maar ik met de onvergankelijke.
Paus Urbanus bestreed de bevindingen van Galilei niet direct. In diens cel althans. Het mocht dan allemaal best waar zijn, alleen wat betekenden deze tegen de achtergrond van een eeuwige en onvergankelijke werkelijkheid? Wat bleef er van ze over? Wat anders dan wat schimmen en wat schaduwen?
In deze magnifieke Franse film wordt terecht benadrukt hoezeer Plato's gedachtegoed zijn stempel heeft gedrukt op de Katholieke Kerk.

Galilée ou l'amour de Dieu (fragment)

Galilée ou l'Amour de Dieu (Franse film)

INTERESSANTE LITERATUUR

Phaedo, Plato



hirondelle

Aristoteles, over de ziel, het leven en het streven

Terug op aarde

In de grotkunst uit de IJstijd spreken de natuurkrachten door hele wolken dieren op de wanden van het Vézère-dal. In het Oude Europa stijgen we met de watervogels op naar de hoogte van natuurgodinnen. Met de komst van de astrologie en de astronomie slaan we onze onderzoeks-vleugels uit in het onmetelijke heelal. We zweven in de hoge hoogte van kosmische goden en godinnen en komen met Plato en Pythagoras in de hoger sferen van de wiskunde en de filosofie terecht.

Maar dan komt met Aristoteles de omslag. We vallen terug naar aarde en komen met onze beide voeten op de grond terecht. 'Down to earth'. Onze blik keert zich nu naar het wemelende gedierte hier beneden. Werden in de IJstijd vooral nog de grote, imposante zoogdieren ten tonele gebracht, bij Aristoteles komen we bijna letterlijk uit bij de regenworm. Geen wonder dat deze kritische leerling van Plato nog weleens de aartsvader der biologen wordt genoemd. Niet alleen vanwege zijn blikveld - in zijn 'Over de Ziel' perkt hij zijn domein in tot de planten en dierenwereld -, maar ook vanwege zijn grondhouding.
Hij is nuchter, ontgoochelend haast, en rekent af met alle sterrenkundige en wiskundige dronkenschappen en hoog-draverijen. Al het gefilosofeer over hogere werkelijkheden en onsterfelijkheden worden door Aristoteles duchtig door de mangel gehaald. Lijven en lichamen krijgen weer een plaats. Van de wereld van de muzen belanden we in die van de materie.
Voor velen uit later tijden kwam deze aartsvader der biologen als geroepen. Als een soort Malherbe, de beroemde Franse dichter uit de 17e eeuw die duidelijk ook vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met de muzen en van allerlei andere onzin over inspiratiebronnen en openbaringen, omdat dichten eigenlijk gewoon niets anders was dan timmerwerk, waarbij je met bloed, zweet en tranen, en met de juiste cadansen, ritmes en maten je poëem als een kast in elkaar zette.


Enfin Malherbe vint, et, le premier en France,
Fit sentir dans les vers une juste cadence,
D'un mot mis en sa place enseigna le pouvoir,
Et réduisit la muse aux règles du devoir.
(Nicolas Boileau)


Over de ziel

In Aristoteles 'Over de Ziel' komt de bioloog uit zijn filosofie als een vlinder uit zijn cocon. Allereerst voert zijn weg langs vele Griekse filosofen die allen verwoede pogingen hebben gedaan om te weten te komen wat we onder de 'ziel' moeten verstaan. In hun vruchteloos gefilosofeer - in de ogen van Aristoteles althans - waren een of meerdere van onderstaande eigenschappen van de ziel startpunt van hun redeneringen:

*De ziel is licht
Zij moet uit heel klein en heel fijn materiaal bestaan

*De ziel is een beweger
Zij veroorzaakt beweging.

*De ziel beweegt
Zonder zelf te bewegen, kan de ziel geen beweging veroorzaken.

*De ziel is warm
Warmte brengt in beweging.

*De ziel stroomt
Stromingen brengen bewegingen op gang en houden deze in stand.

*De ziel heeft kennis van het gelijke
Het gelijke kan alleen het gelijke kennen. De ziel kent. Dus is de ziel gelijk aan wat het kent.

*De ziel bestaat uit de beginselen van het tegengestelde
Want zonder tegengestelden is er geen beweging mogelijk.

Volgens de ene filosoof is de ziel daarom lucht; klein, fijn en stromend, licht en bewegend en daarom een ideale beweger. Volgens de ander is het vuur en volgens weer een ander bloed. Maar hoe zit het met het gelijke kent het gelijke? We kunnen dat moeilijk letterlijk nemen. Want het is evidente onzin dat we in onze ziel, bijvoorbeeld, een steen van steen dragen. Maar voor haar vormen ligt dat natuurlijk anders.

Toch vond Aristoteles duidelijk dat dit allemaal wel leuk en aardig is, maar dat we met dit soort redeneringen niet echt veel verder komen. Neem nu het idee dat de ziel adem zou zijn. Zonder adem zouden bezielde wezens immers niet kunnen leven. Onzin zegt Aristoteles want planten ademen niet. Of neem nu het idee dat de beweger perse zelf zou moeten bewegen. Onzin zegt Aristoteles wederom want bij dieren kan enkel een waarneming al hun lijf in beweging zetten. (Denk maar eens aan een hond die een stuk worst ziet liggen.)

Onze filosoof gaat zo ver in zijn kritiek dat hij zelfs de aanval opent op zijn oude leermeester, Plato. In zijn 'Timaeus' komt Plato met het idee dat wij met ons denken zouden opgaan in de rondgang van de hemellichamen. Waarmee overigens de suggestie wordt gewekt dat er een soort universele, kosmische ziel zou zijn die de individuele ziel zou (kunnen) aandrijven. Alweer klinkklare onzin volgens Aristoteles omdat ons praktische denken geen rondgang kent. Dat zou wel heel onpraktisch zijn. We streven immers naar een duidelijk eindpunt, een praktische oplossing voor ons probleem. En in cirkels, hoe je het ook wendt of keert, zijn eindpunten nu eenmaal moeilijk te vinden. Hetzelfde geldt ook voor ons theoretische denken. Want daar werken we naar een conclusie toe. Ook al een eindpunt. Conclusie: Als je gezond denkt, denk je lineair en niet circulair. Wanneer je daarentegen in je gedachten alsmaar in kringetjes zou blijven ronddraaien, zou je wel zeer te beklagen zijn.

Nadat Aristoteles al deze hersenspinsels over de ziel achter zich heeft gelaten, veegt hij als het ware de tafel schoon. Hij gaat opnieuw beginnen met een degelijk onderzoek naar de ware aard van de ziel. Daarin komt de LEVENDE NATUUR centraal te staan.

Aristoteles, 'Over de ziel'

Aristoteles kritiek op het dualisme

In de optiek van Plato en Pythagoras was ons lichaam met zijn verraderlijke zintuigen één grote stoorzender voor de ziel, die zich moest openstellen voor de hogere werkelijkheid. Lichaam en ziel kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Als twee tegengestelden, maar zeker niet als twee polen of complementen. Er was sprake van een keihard dualisme.

Aristoteles komt in zijn onderzoek naar de ziel tot de conclusie dat van een dergelijk dualisme geen sprake kan zijn. In zijn ogen kan de ziel niet los worden gezien van het lichaam. Met alle gevolgen van dien; want als het lichaam sterft, sterft daarmee ook de ziel. (Al probeert Aristoteles deze zienswijze nog iets te nuanceren door te stellen dat dan misschien een denkend deel van de ziel nog zou blijven voortbestaan. Toch heeft deze poging meer weg van een tegemoetkoming aan zijn leermeester, Plato, of van het zoeken naar een synthese.)

Over het geheel van lichaam en ziel

Anders dan bij zijn voorgangers is het startpunt van Aristoteles niet zo zeer de vraag wat de belangrijkste eigenschappen van de ziel zijn, maar eerder wie of wat een ziel heeft of liever nog wie of wat bezield is. Die vraag beantwoordt hij duidelijk met levende wezens, zoals mensen, planten, bomen en dieren. (NB Rekent Aristoteles hier de mens niet al stilzwijgend onder de dieren?!)

Over emoties in lichaam én ziel

Laten we dus naar de levende natuur kijken, zo lijkt hij ons te willen toeroepen. De bioloog ontpopt zich, slaat zijn natuurwetenschappelijke vleugels uit. Dit aangaande komt hij met een belangrijke observatie. Wanneer wij woedend zijn, zit dan de woede alleen in onze ziel? Of alleen in ons lichaam? Of in beide? Het laatste is duidelijk het geval. We kunnen dit natuurlijk zelf proefondervindelijk bevestigen. Want wanneer we razend zijn, voelen wij dan niet de woede in ons zinderen? En raast dan niet elke vezel van ons mee? Zit de donder dan niet in ons lijf? En laat deze bij katten de ruggen niet bollen en de ogen bliksemen? Ja, want hoe onderscheidbaar zijn nu eigenlijk lichaam en ziel? Denk maar eens aan een hevige verliefdheid! Aristoteles komt hier met een voor ieder zeer herkenbare waarneming en met een mooi stukje gedragsbiologie.

Boze wolf: woede in lichaam en ziel

Baciami ancora (Jovanotti): verliefdheid in lichaam en ziel

Over de koppeling tussen leven en ziel enerzijds en tussen leven, lijven, functies en structuur anderzijds

Blijft dit voor Aristoteles bij een losse constatering? Zeker niet. Laten we eens verder kijken naar planten en dieren. Dieren hebben lijven en planten een soort lichaam met stengels, bladeren en wortels. Die lichamen en lijven zitten niet willekeurig in elkaar. Ze zijn op een bepaalde wijze gestructureerd. Die STRUCTUUR wordt bepaald door verschillende FUNCTIES die horen bij het leven, zoals:

*zich voeden

*bewegen (waaronder zich verplaatsen en veranderen)

*waarnemen

*denken

*streven

*zich vermenigvuldigen

Zintuigen van de wolf

Zintuigen van de slak

Lichaamsfuncties van de regenworm

Over de ziel, functies en bijpassende lichamen

We kunnen dit makkelijk voor ons zien; de monden, bekken en snavels die horen bij het zich voeden; de armen, poten, staarten en vinnen bij het bewegen; de zaden, knoppen en cocons bij het veranderen; de ogen, oren en neuzen bij het waarnemen; en de hersens met hun hersenpan bij het denken. De ZIEL kunnen we dus moeilijk los zien van een BIJPASSEND LICHAAM. Ze horen bij elkaar.

Dat is ook logisch, zo merkt Aristoteles op, want als de ziel bewerkstelligt en het lichaam ondervindt, en als de ziel in beweging brengt en het lichaam in beweging komt, dan moeten ze iets met elkaar gemeen hebben, dan moeten ze in verband staan met elkaar. M.a.w. dan moeten ze op elkaar zijn toegerust.

Over verschillende functies, verschillende lijven en verschillende zielen

Laten we onze blik verder gaan door het planten- en dierenrijk dan zien we al snel dat er verschillende soorten levende wezens zijn; bomen, planten en dieren, en dat we binnen deze hoofdcategorieën ook weer verschillende soorten hebben, dus verschillende soorten bomen, verschillende soorten planten en verschillende soorten dieren. Die verschillen worden (vooral) veroorzaakt door de verschillen in functies die aan de verschillende soorten eigen zijn. Dit kan mooi worden geïllustreerd aan de hand van de waarnemingsorganen. De mens kan voelen, proeven, horen, zien en ruiken. Daarom hebben wij ogen, oren, gevoelige vingertoppen, een tong en een neus. Maar bij een regenworm beperkt zich dat tot voelen en tot een kaal lijf. Je zou je hier dus de vraag kunnen stellen of een mensenziel wel bij het lijf van een regenworm past en of andersom de ziel van een regenworm wel bij het lichaam van een mens hoort. Ziel en lichaam zijn aan elkaar gekoppeld. Dus als we talloze lichaamssoorten hebben, hebben we ook talloze soorten zielen.

Over de koppeling tussen de ziel, het lichaam en de buitenwereld

Merk overigens op dat bovengenoemde functies (zoals waarnemen en zich voeden) die bepalend zijn voor lijf én ziel, naar de buitenwereld gericht zijn. De ziel kan daarbij niet zomaar los van die buitenwereld in een willekeurig lijf of lichaam worden geplaatst. Als iets dat je er even in stopt.

Graden van complexiteit

Aristoteles bespeurt duidelijk verschillende graden van complexiteit. Zo zit een regenworm natuurlijk een stuk eenvoudiger en minder geavanceerd in elkaar dan een mens. Qua lijf, en dus ook qua ziel. Binnen deze graden van complexiteit zit een duidelijke opbouw; in het complexere vinden we het minder-complexe terug. Aristoteles vergelijkt het met een rechthoek waarin we twee driehoeken kunnen vinden.

Lichaam en ziel: de regenworm

Lichaam en ziel: de mens

Categorieën

Aristoteles vervolgt zijn onderzoek. Graden van complexiteit vinden we niet alleen bij dieren, maar überhaupt in de materie. Zo hebben we daar de volgende categorieën:

*natuurlijke lichamen
(i.t.t. artefacten zoals tafels en vazen)

Waaronder:

*niet-levende materie
-(zoals stenen en metalen)

en

*levende materie
(zoals mensen en dieren)

Hiertussen kunnen we de volgende categorie invoegen:

*materie met structuren die bij leven horen

Deze indeling veronderstelt een bepaalde ontwikkeling of trap. Met eerst of onderaan sec de materie, vervolgens de materie met structuren die horen bij leven en als laatste of bovenaan de levende materie.

Vragen rollen aan als de golven van de zee bij het lezen van 'Over de Ziel'. Had Aristoteles hier, bijvoorbeeld, al een ontwikkeling bespeurd? Was het voor hem stiekem al een soort evolutie? Of toch nog slechts een trap?

Maar laten we verder gaan met het volgen van zijn onderzoek. Want wat is nu de ziel?!

Leven ín én uít de materie

Wat is de ziel? Het geheim schuilt volgens Aristoteles in dat wat het verschil maakt tussen níet-levende en lévende materie. Maar wat is dat? Zoals we hebben gezien, is dat de structuur. Het is dus de structuur die maakt dat een natuurlijk lichaam leeft / kan leven (en dus niet iets als een levensadem die er van buitenaf wordt ingeblazen).

Wat betekent dat? Dat betekent dat het leven NIET VAN BUITENAF aan een natuurlijk lichaam wordt gegeven, MAAR veeleer dat het leven VANUIT HET LICHAAM ZÉLF komt, vanuit haar structuur.


Het lichaam is niet iets dat iets onderliggends nodig heeft, maar eerder zelf fungeert als iets onderliggends (pg. 173)


Immanent

Kortom, het leven komt uit de materie zelf (immanent) en niet van buitenaf in de materie (transcendent).

Wat is de ziel?

Als nu

1.
het verschil tussen niet-levende en levende materie hem zit in de structuur,

en

2.
het leven uit de materie zelf komt,

dan dringt de conclusie zich op dat

3.
óók de structuur uit de materie komt
(en dat de materie die niet van buitenaf ontvangt als een stukje pottenbakkersklei).

Tegelijkertijd schrijft Aristoteles de eigenschap bezield toe aan levende wezens, maar niet aan de niet-levende materie zelf(*). Logischerwijze brengt deze 'eigenwijze' leerling van Plato STRUCTUUR EN ZIEL met elkaar in verband. Sterker nog in eerste aanzet identificeert hij ze met elkaar.

Is dit een onlogische gedachte? Vergelijk het eens met een zaadje van - om maar in Griekse sferen te blijven - een knoestige olijfboom of een torenhoge ceder. In dat minuscule dingetje ligt de structuur, de ziel van de boom al opgesloten.

Het zaadje van een cederboom

Een imposante cederboom

Manieren van zijn

Als nu de structuren die horen bij leven, en leven zelf al in bepaalde materie zit, en uit die materie komt of liever kan komen, dan hebben we te maken met verschillende MANIEREN VAN ZIJN, namelijk met:

*mogelijk zijn (potentieel),

*streven

*zijn/ waarneembaar zijn/ geactualiseerd zijn

Deze manieren van zijn kunnen we, om er een beeld bij te vormen, weer illustreren aan de hand van het zaadje van de cederboom. In het petieterig kleine zaadje zit, hoe je het ook went of keert, reeds de mogelijkheid uit te groeien tot een torenhoge boom. Dat is duidelijk wat het zaadje (op welke manier dan ook) wil. Het is haar STREVEN. Misschien wel een van de kernbegrippen uit de biologie. Want streven levende organismen er niet naar te groeien? Te blijven leven? Zich te vermenigvuldigen? De soort te bestendigen?
Als nu de omstandigheden goed zijn - d.w.z. er is aan een aantal voorwaarden voldaan, zoals voldoende zonlicht, water en voedingsstoffen -, dan krijgen we een heuse cederboom waar we bijna letterlijk niet meer omheen kunnen. Het is een reus die daadwerkelijk is. Een boom die vanuit het mogelijke geactualiseerd is en stevig staat in een voor ons waarneembare wereld.

Zaden: mogelijkheid tot en streven naar volwassen leven

Ziel, mogelijkheid en verwerkelijking

In (bepaalde) natuurlijke lichamen ligt, volgens Aristoteles, de MOGELIJKHEID TOT LEVEN. Die mogelijkheid kan geactualiseerd oftewel verwerkelijkt worden. En het is juist die VERWERKELIJKING die het verschil maakt tussen niet-levende en levende natuurlijke lichamen. Precies daar waar Plato's leerling de ziel zocht.


Dus is de ziel de verwerkelijking van een natuurlijk lichaam dat als mogelijkheid leven heeft. (Hoofdstuk II)


Over de ziel, kennis en mogelijkheid tot leven

Zoals een Malherbe zijn verzen schuurt, zo polijst Aristoteles zijn filosofie. Het moet steeds preciezer en steeds exacter. En zo is de ziel niet zomaar een verwerkelijking, maar een eerste verwerkelijking.

Alleen wat bedoelde hij daarmee? En wat betekent verwerkelijking überhaupt? Verwerkelijking kan ik het Grieks een meer actieve of een meer passieve betekenis hebben. In die zin kan verwerkelijken vergelijkbaar zijn met kennen/ bezitten zonder werkzaamheid, en slapen (meer passief) of met beschouwen en waken (meer actief).
Waar een ziel is, zo schrijft Aristoteles, heb je waken en slapen. Echter,
wat ontstaan betreft is in hetzelfde individu de kennis eerder. Daarom is de ziel de eerste verwerkelijking van een natuurlijk lichaam dat als mogelijkheid leven heeft. (pg.175)


Over kennis en ziel

Vrij vertaald - Aristoteles drukt zich een stuk terughoudender uit - is de ziel kennis. Kennis wellicht van de (opeenvolgende) levensstructuren van een natuurlijk lichaam die deze met het leven zelf daarin verwerkelijkt.

Het beeld van het cederboomzaadje is hier illustratief. Is het zaadje bezield? Ja, want in dat minuscule dingetje ligt de kennis van alle stadia en structuren van de ceder al opgeslagen. En ja, want die kennis is het eerste wat nodig is om van niet-levende materie een levend lichaam te maken. Het is het eerste station op weg naar een levend lichaam. Derhalve is deze kennis de eerste verwerkelijking van een natuurlijk lichaam dat de mogelijkheid tot leven heeft, en dus haar ziel. Fascinerend. Evenzo zit in kikkerdril al de kennis der kikkers en kikkervisjes of in vlinder-eieren die der rupsen en vlinders.

Kikkerdril: kennis om een kikker te worden

Universalia

Maar bestaan diersoorten eigenlijk wel? Bestaan ze als een platonisch idee? Als een universele en immateriële werkelijkheid? Als een universele vorm waarin de individuen gegoten worden? Als een stempel in een onzichtbare en onstoffelijke werkelijkheid? Die de dieren van een soort tekent? Vormt? Is het de ezel die de ezels maakt? Oftewel de verzameling de elementen? Of is het juist andersom? Zijn het de ezels die de ezel maken? Oftewel de elementen de verzameling? En als dat laatste zo is, zijn wij het dan niet zélf die de verzamelingen en indelingen maken? Buiten iedere universele of hogere werkelijkheid om? Zodat diersoorten niets meer en niets minder zijn dan menselijke concepten? Hersenspinsels misschien?

Wat Aristoteles hier zelf precies voor ogen had verflauwt wellicht bij de universalieënstrijd die zijn beschouwingen vele eeuwen later aanwakkerden. Het werk van deze filosoof uit de Griekse Oudheid gaf voeding aan een paar stevige vragen die de gevestigde ideeën uit later tijden eens flink op de proef zouden stellen. Bovendien gaf het een voorzet aan hele nieuwe denkrichtingen (waarover later meer).

Aristoteles opvattingen in 'Over de ziel' kunnen namelijk heel ver worden doorgetrokken en grote gevolgen hebben voor onze blik op de wereld. Zolang we namelijk de individuele ziel koppelen aan een universeel idee (of iets dergelijks) hebben we te maken met een overkoepelende werkelijkheid die de losse individuen verenigt. Zo verenigt, bijvoorbeeld, het idee 'eik' alle eikenbomen, en zijn al deze bomen in essentie 'eik'. Maar wat gebeurt er zodra we dit idee loslaten? Wanneer zo'n overkoepelende werkelijkheid niet meer bestaat? En wanneer we zielen koppelen aan losse lichamen? Houden we dan niet slechts losse individuen over? Losse zielen? Losse bomen die we 'eik' noemen, alleen maar omdat wíj toevallig vinden dat ze op elkaar lijken?
En dat is ergens wat Aristoteles doet. Hij koppelt de ziel aan het leven, het leven aan het lichaam en het lichaam weer aan de ziel. Als nu bij ieder specifiek lichaam een specifieke ziel hoort, en bij iedere specifieke ziel een specifiek lichaam - zoals dat ene speciale wormenlichaam bij die ene speciale ziel en andersom - dan hebben we uiteindelijk alleen maar losse lichamen en zielen. M.a.w. waar we eerst een universele en overkoepelende werkelijkheid hadden is nu alles gefragmenteerd en gereduceerd tot individuen. In die zin bestaat de worm niet meer in de werkelijkheid buiten of boven ons, maar alleen nog maar in ons hoofd. Als een mentaal construct waarmee we proberen een verzameling te maken van losse elementen die in essentie niet hetzelfde zijn: De eik bestaat niet meer, alleen nog maar individuele zielen die we zo noemen.

Een dergelijke kijk dreigt een verarming van ons belevingsspectrum in de hand te werken. Want ervaren we zo nog wel ten volle alle universele krachten, machten en energieën van de natuur? Van de kosmos? Van goden en godinnen? Van godenparen? En/ of van metafysische werkelijkheden?

In grote lijnen

Uit de nacht der tijden rijst het beeld op van een mens die gelaagd is. Vanuit zijn biologische, kosmische en wiskundige lagen kan hij zich verbinden/ verbonden voelen.

Maar met wie of met wat eigenlijk? Daarin lijkt zich een beweging naar 'boven' voor te doen: Van verbinding met de natuur en de kosmos zelf, of de geesten die daarin huisden, kwamen we uit bij verbinding met metafysische werkelijkheden, goden, godinnen en godenparen. Om vervolgens met Aristoteles weer terug te keren in de materie (natuurlijke lichamen).

Hoe de mensen van vroeger in al die verschillende periodes en op al die verschillende plaatsen de wereld precies beleefden blijft natuurlijk gissen. Toch kunnen we ons - zoals we hebben kunnen zien - daar wel een beeld van vormen. In onderstaand schema geven we een overzicht van een aantal tendensen en grote lijnen.

Steentijd/ Vézère-dal
Geest/ ziel in de natuurverschijnselen zelf
Beleving van universele natuurgeesten in de natuur zelf
Oude Europa
Godinnen, heerseressen 'boven' en over de natuur
Beleving van heerseressen over en 'boven' de natuur
Oude Midden-Oosten (1)
Werkingen/ krachten/ energieën/ geest in de kosmische verschijnselen zelf
Beleving van kosmische krachten en verschijnselen in jezelf
Oude Midden-Oosten (2)
Kosmische goden en godinnen, heersers/ heerseressen 'boven' en over de kosmische verschijnselen
Beleving van heersers/heerseressen 'boven' en over de kosmische verschijnselen
Oude Oosten en Midden-Oosten (1)
Scheppende en creatieve krachten en verschijnselen zelf
Beleving van scheppende en creatieve krachten en verschijnselen in jezelf
Oude Oosten en Midden-Oosten (2)
Scheppende en creërende godenparen
Beleving van scheppende en creërende godenparen
Oude Griekenland (Pythagoras)
Een metafysische/ wiskundige werkelijkheid en schoonheid
Beleving van een metafysische/ wiskundige werkelijkheid en schoonheid
Versus onvolmaakte zintuiglijke beleving
Oude Griekenland (Plato)
Metafysische werkelijkheid/ ideeënwereld
Beleving vanuit prenatale kennis
Beleving van de ideeënwereld
Versus de zintuiglijke beleving van de kopieën
Oude Griekenland (Aristoteles)
Kennis en mogelijkheid om tot leven te kunnen komen
De verwerkelijking daarvan
Leven in en vanuit de materie
De ziel met zijn/ haar bijpassende lichaam (en functies)
Losse, individuele zielen
De zintuiglijke beleving van losse, individuele zielen


Zowel bij Plato als bij Aristoteles speelt kennis een belangrijke rol. Bij Plato ging het om prenatale kennis vanuit een voor-aards-bestaan in de ideeënwereld (Hades), terwijl het bij Aristoteles ging om kennis in de materie die de mogelijkheid geeft tot leven en tot wasdom te komen. Willen we begrijpen wat ziel en verbinding zijn, dan zullen we ons verder moeten verdiepen in de vraag wat kennis precies is en waar deze vandaan komt.

INTERESSANTE LITERATUUR

Over de Ziel, Aristoteles



hirondelle

Sint Augustinus, over verlangen, kennis en innerlijk weten

Van losbol tot kerkvader

Wie aan Algerije denkt, zal niet snel denken aan de Katholieke Kerk. Toch kwam daar een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste kerkvader vandaan. En dat niet alleen: Hij was ook de eerste christelijke filosoof. Of in ieder geval de eerste christelijke filosoof van betekenis. Augustinus van Hippo was zijn naam. Hij werd geboren in de periode van het vroege christendom, op 13 november 354 om precies te zijn. Zijn geboorteplaats was Hippo, het huidige Souk Ahras.

Augustinus van Hippo (Arabisch)

Zijn vader was een losbandige heiden, zijn moeder een christen, een katholiek, een zachtmoedige, voorbeeldige vrouw met een sterk karakter. Zij gaf niet op. Ze gaf nooit op. Tegen de verdrukking in, en tegen de losbandige neigingen van haar zoon in, wist zij hem op het goede pad te krijgen: Van een seks-beluste losbol die uit was op wereldse roem en genoegens, veranderde hij in een hartstochtelijk christen.

Augustinus keerde om: Hij keerde zich af van zijn goddeloze leven en zijn wereldse ambities, en volgde Jezus op zijn weg naar God. Hij liet Carthago, Rome en Milaan achter zich. Centra van retoriek en politiek, trots en berekening, broeinesten van carriéretijgers. Augustinus schudde het stof van zijn voeten en zei adieu tegen de opgeblazen juristen en retorici. Hij viel voor de eenvoud van het evangelie. Voor de simpele, ongecompliceerde liefde van God en tot God. Uit het hart en niet vanuit het brein dat erop uit is indruk te maken.

Hij keerde terug naar zijn Noord-Afrika waar hij zich wijdde aan de kerstening. Lopend. Hij moet duizenden kilometers te voet hebben afgelegd onder de brandende zon en door dorre woestijnen en woestenijen. Op de stroom tranen die zijn moeder in zijn jeugd en jonge jaren in haar vurige gebeden om hem had vergoten, moest Augustinus zijn voortgedreven om het evangelie te verkondigen.

In het jaar 396 werd hij bisschop van Hippo. Vierendertig jaar later stierf hij, in het jaar 430. Augustinus werd vooral bekend van zijn boek 'Confessiones' (Belijdenissen). Een van de meest gelezen boeken ter wereld.

Documentaire over Sint Augustinus (Frans)

Franse film over het leven van Sint Augustinus (Frans)

'Confessiones' (Belijdenissen/ Opbiechtingen)

Wie Christus wilde volgen op zijn weg moest omkeren. Maar omkeren kon slechts dan wanneer je berouw had van je zonden. Dat betekende op zijn beurt dat je bereid was ze te onderkennen en te bekennen. De biecht was derhalve een noodzakelijk onderdeel van het katholieke leven.

Augustinus biechtte publiekelijk. Schriftelijk. In zijn magistrale werk 'Confessiones' (Belijdenissen). Op iedere bladzijde van zijn boek voel je de tranen van zijn moeder stromen. De kerkvader had berouw. Diep berouw. Nee, het was geen vals sentiment. Verre van. Het was oprecht. Echt. Roerend. En misschien maakt juist dat het wel tot een boek dat vele mensen, christenen en niet-christenen, ontroerde.

Confesiones

Wenende moeder van Sint Augustinus

De geboorte van de autobiografie

Tegelijkertijd was hij de grondlegger van een buitengewoon succesvol genre, de autobiografie. Nu is dit in het minst een stoffige, hoogst literaire aangelegenheid waar een gewone sterveling of een simpele ziel niets aan heeft en niets voor koopt. Integendeel. Dit genre brengt juist de individuele ziel op een bijzonder intieme wijze in beeld. De lezer krijgt een inkijk in de ziel en zielenroerselen van een schrijver, een echt mens. De lezer vereenzelvigt zich met de auteur - zijn ziel is de zijne -, en leeft intens met hem mee.

Ruimte

Augustinus was niet alleen de eerste autobiograaf, maar ook de eerste christelijke filosoof van naam. Al snel besefte hij dat alle superlatieven die God werden toegedicht, of die Hem in zijn optiek gewoon toekwamen, ons voor een belangrijk filosofisch probleem stelden. Want als God enerzijds de allergrootste was, en anderzijds in het hart van een gelovige moest kunnen huizen, dan moest oneindig groot in petieterig klein kunnen passen. Zoiets als een kameel in het oog van een naald. Onmogelijk dus. En toch moest het kunnen! Maar hoe dan?!

Hier komt Plato in beeld. Augustinus bewonderde hem en begroette zijn Griekse filosofie als een voorloper van het christendom. Bovenal was hij Plato dankbaar voor zijn filosofie van een metafysische ruimte. Een oneindig grote ruimte die vanwege zijn immateriële natuur overal, en dus ook in de allerkleinste ruimtes, tegelijk kon zijn. Plato's filosofie (en daarmee ook die van Pythagoras) kreeg op dit punt bijval vanuit christelijke hoek.

Verbinding vanuit het hart

De Allerhoogste huist in ons hart. Wij kunnen dan ook een warme, intieme band met Hem hebben. Intiem. Intern. Vanuit het hart. Binnenin ons. In de ogen van Augustinus is dat de meest sublieme vorm van verbinding. Van religie. Van 're' (weer) en 'ligare' (verbinden).

Kennis vanbinnen

Plato wist veel. En ook de neoplatonisten hadden een diep inzicht in de werkelijkheid. In de werkelijkheden. Niet alleen in de zintuiglijk waarneembare, maar ook in de metafysische. Maar hoe kon dat? Want alles goed en wel beschouwd waren het heidenen. Niets meer en niets minder.

Dit stelde Sint Augustinus voor een probleem. Want hoe was het mogelijk dat zelfs aan heidenen een zeker moreel kompas niet kon worden ontzegd? Dat zelfs heidenen niet verstoken waren van ieder gevoel voor rechtvaardigheid? Ja, dat zelfs dieren kennis hadden, opgeslagen in hun instincten? Hoe kwamen ze daar toch aan, aan al dat weten?! Al die dieren? En al die heidenen?

Hadden zij die volledig te danken aan hun zintuigen? Aan hun zintuiglijke waarneming? Augustinus maakte ernstige bezwaren tegen een dergelijke veronderstelling.

Want wat is kennis eigenlijk? Het was een vraag waar hij uitgebreid op in ging. Lang niet alle soorten kennis die wij hebben kunnen worden teruggevoerd op onze fysieke waarneming, zoals:

Buiten zintuiglijke kennis
Ideeën/ overtuigingen
Wiskundige kennis
Kennis van God



Bovendien weten wij meer dan (puur) op grond van enkel en alleen onze zintuiglijke waarneming te verklaren valt.


Zeker de vraag waar onze kennis van God vandaan kwam - uit welke bron? - moet voor Augustinus zeer zwaar hebben geteld. Want hoe kon het zijn dat hij kon denken aan God? En dat terwijl God niet zichtbaar was? Niet waarneembaar was? En niet lijfelijk aanwezig was? Bovendien, hoe kon het dan zijn dat hij verlangde naar God? Dat hij naar Hem hongerde en naar Hem dorstte?

Als nu onze kennis eens níet voortkomt uit onze zintuiglijke waarnemingen, en als onze kennis nu eens níet vanbuiten komt, waar komt deze dan wél vandaan? Het antwoord kan logischerwijs dan alleen 'vanbinnen' luiden. Let wel: Zelfs kennis van wat wij hebben gehoord, gezien, gevoeld, geproefd of geroken komt niet simpelweg alleen van buiten. Als we namelijk - laten we eens zeggen - de maan zien, dan komt deze gelukkig niet met al haar materie bij ons binnenzetten. Wat er gebeurt is dat wij er ons een mentaal beeld van vormen (dat geen fysieke ruimte inneemt). Een inwendige kwestie dus. Bovendien kunnen wij de maan voor ons zien, óók wanneer zij volledig aan ons zicht is onttrokken. Het beeld van de maan is dus niet context gebonden. Sterker nog: We kunnen haar beeld in ons koesteren waar en wanneer we maar willen.


Kennis komt van binnenuit.


Bij Pythagoras zagen we al dat hij de wiskundige verhoudingen in het heelal waarnam met zijn zielenoog. Of liever, met zijn zielen-oor want hij hoorde de sferen, de banen van de hemellichamen. Van Plato weten we dat deze Griekse filosoof verre van onbekend was bij Augustinus. Dat zijn filosofie zelfs verre van onbemind was bij onze kerkvader.

Plato kwam met zijn ideeënleer. Volgens deze zienswijze kennen we niet, maar HER- kennen we van binnenuit. Vanuit ons innerlijk. Vanuit onze ziel. We her-kennen wat we voor onze geboorte in een niet materiële ruimte (Hades) hebben geleerd en/ of waargenomen. Leren is in deze optiek een kwestie van je her - inneren ('recollection').

Augustinus zal zeker zijn wenkbrauwen hebben gefronst bij het idee alleen al van een Hades of van zoiets als reïncarnatie. Maar Plato fluisterde hem wel zo'n beetje het antwoord in op zijn vragen. De belangrijkste bron van onze kennis ligt in ons geheugen. En in dat geheugen ligt lang niet alleen informatie opgeslagen van wat wij in ons korte leventje hier op aarde hebben waargenomen. Nee, in ons geheugen ligt in lijn met Plato's ideeënleer kennis van God.


Wanneer wij ter wereld komen, dragen wij al een schat aan kennis in ons.


Dit verklaart meteen hoe het kan dat heidenen rechtvaardig kunnen zijn - God heeft Zijn wet in hun hart gelegd -, dieren veel weten - de Here heeft een instinct in hun ziel geplant -, en wij mensen zo kunnen verlangen naar God - want in ons geheugen heeft Hij Zijn huis gebouwd -.

Tevergeefs, had Augustinus God buiten zichzelf gezocht. En uiteindelijk had hij Hem in zichzelf gevonden. De herinnering leeft niet alleen in de ideeënwereld van Plato, maar ook in de godsdienstfilosofie van Augustinus.

De ziel

Kennis zit vanbinnen. In ons geheugen. In onze ziel. Vanuit onze ziel kunnen we de wereld om ons heen kennen. HER-kennen. En vanuit onze ziel kunnen we waardeoordelen vormen. We vergelijken dan de waarnemingen van de wereld om ons heen, buiten ons, met de wereld in ons en komen zo tot een oordeel.

Zouden we zielloos naar de schepping kijken, dan valt haar verhaal stil. We begrijpen haar niet. Zij is ons vreemd. Als we daarentegen vanuit onze ziel naar haar kijken, dan spreekt zij tot ons. Dan vertelt ze een heel verhaal, en verhaalt zij van God. Slechts dan begrijpen we haar. Maar wat is dat precies, de ziel?

In de ogen van Augustinus is onze ziel een complex geheel. Om te beginnen heeft óók de ziel, net als het lichaam haar zintuigen. Ze heeft geestesogen en wat al niet nog meer? 'Geestesoren'? 'Geestesvingers'? Een 'geestestong'? En een 'geestesneus'? (*) Verder heeft zij zelfs een mond waarmee ze kan verlangen, hongeren en dorsten naar God. Waarmee zij zich kan voeden met Zijn geestelijke melk. Met Zijn kennis, liefde en waarachtigheid.

De ziel is geen plat, oppervlakkig geheel. Ze is gelaagd, ze heeft lagen. En in die lagen ligt diep verscholen ons meest innerlijke en meest intieme deel. En in dat meest innerlijke deel bevindt zich weer het huis van God. In onze ziel staat Zijn huis, Zijn citadel. En het is dáár waar wij Hem kunnen vinden. Daar waar wij onze eigen, individuele ziel kunnen overstijgen en opstijgen naar God.

(*) Een belangrijke vraag hier is of er een (direct) verband bestaat tussen onze lichamelijke zintuigen en die van onze ziel?

Streven

Wij kunnen verlangen naar God als een baby naar de melk van zijn moeder. Dat verlangen komt vanuit onze ziel. Het is haar streven, haar streven naar God.

Op dit punt komt de filosofie van Augustinus (die hier ook verankerd ligt in de Bijbel) overeen met de filosofie van Aristoteles. Bewust of onbewust - want is onze kerkvader überhaupt wel, hetzij direct, hetzij indirect in contact geweest met de leringen van deze aartsvader der biologen? -. Aristoteles koppelde de ziel aan leven en leven aan streven; streven naar voedsel, streven naar groei, streven naar vermenigvuldiging en streven naar het behoud van de soort. En aan al dat streven voegde Augustinus het verlangen naar God toe.

Wat de beide heren ook van elkaar mocht scheiden op filosofisch gebied, op een punt zouden ze het in ieder geval roerend met elkaar eens zijn geweest: Streven is een belangrijk kenmerk van de ziel.

Een sprekende schepping

Augustinus wordt vaak afgeschilderd als de grote verzoener van het neoplatonisme en het christendom. Begrijpelijk want in zijn filosofie komen eveneens het dualisme (lichaam/ ziel), de immateriële ruimte of werkelijkheid en Plato's kennisleer (zij het alle drie in een christelijke vorm) nadrukkelijk naar voren.

Tegelijkertijd worden Plato en Aristoteles die lichaam en ziel juist met elkaar verbond, niet zelden lijnrecht tegenover elkaar gezet. In het verlengde hiervan lijkt ook de filosofie van Augustinus te rivaliseren met die van Aristoteles. Toch zijn er meer raakpunten dan je op het eerste gezicht zou verwachten. We zagen al dat beide filosofen het streefvermogen kenmerken als een van de distinctieve eigenschappen van de ziel.

Maar er is meer: Anders dan bij Plato voor wie de zintuiglijke waarneming slechts een stoorzender was, kreeg deze bij Augustinus wel degelijk een belangrijke rol toebedeeld. Met onze zintuigen nemen wij de schepping waar. We kunnen er het verhaal van God lezen vermits de waarnemingen van de wereld buiten ons, ons voeren naar de wereld in ons. In onze BINNENWERELD liggen land, lucht en zee, en al wat we daarin kunnen beleven.

Vrije wil

Toch zullen velen hier op aarde verdwaasd rondlopen. Waarom? Omdat ze niet voor God WILLEN kiezen. Omdat ze Zijn stem niet willen horen. Omdat ze Zijn verhaal niet willen lezen. Noch in de Bijbel. Noch in de schepping. Omdat ze niet willen. Niet kiezen uit vrije wil. Uit de vrije wil die zij nota bene van God hebben gekregen.

En dat is ook precies de reden dat Augustinus zijn pijlen op de astrologie richtte. Onze kerkvader veroordeelde deze sterrenwichelarij ten zeerste vanwege haar duivelse determinisme die volledig in strijd zou zijn met onze vrije wil en derhalve met de wil van God. Dus wat moeten wij mensen doen? We zullen moeten kiezen voor God willen wij met Hem verbonden zijn. Aldus Augustinus.

Licht

We volgen Augustinus verder op zijn weg - ging hij barrevoets? - door zijn dorre woestijnen en woestenijen en in zijn strenge leringen. Werelds plezier was in zijn optiek uit den boze, bandeloos gedrag en gebral een gruwel voor God. Astrologie, fabels en erotiek, hovaardij, lage lusten en seksueel genot was wat God verafschuwde.

En ook Augustinus zelf had er een grafhekel aan. Aan gekregen vanaf de dag dat hij het licht had gezien. Was een ware christen nu veroordeeld tot een droog en dor bestaan? Volgens Augustinus kwam juist alle gelukzaligheid van God. Vanuit het binnenste van zijn ziel kon een godvruchtig mens Zijn licht waarnemen. Zijn licht en alle zaligheden die erbij horen; geestelijke beelden, geuren en geluiden. Geestelijk gevoel.

Verlichting

Waarheidsminnaars kunnen hun geliefde waarheid vinden in het binnenste van hun ziel. Want het is daar waar God Zijn licht laat schijnen. Daar waar God onthult en openbaart. En daar waar Gods Zoon ons onderwijst.

Zonder dat het hier de bedoeling is om in van allerlei theologische details te vervallen, is het van belang de katholieke kijk op Jezus hier kort toe te lichten. Jezus staat vooral bekend als Gods Zoon die als mens op aarde kwam om voor ons te sterven en ons te verlossen van de zonde. Het ligt voor de hand om in Jezus een los individu te zien; gewoon een zoon die niet zijn vader is, maar die wel goddelijke eigenschappen heeft meegekregen. Zo ligt het echter niet wanneer wij een katholieke bril opzetten: Jezus is namelijk ook het Woord (Logos). Volgens het Evangelie 'was het Woord bij God en was het Woord God'. (Johannes 1:1) Jezus maakt dus deel uit van God en derhalve van de Heilige Drie-eenheid (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Hij was het Woord waarmee de Vader alles schiep. Logischerwijs weet Jezus alles van de Schepper en van Zijn Schepping af. Augustinus bezag hem dan ook als de Grote Onderwijzer. De leraar die ons onderwijs geeft in het diepst van onze ziel.

Alles komt voort uit kennis

In de ogen van Aristoteles sproot ieder leven voort uit kennis, zoals de ceder uit een zaadje. Dit inzicht heeft een duidelijk raakvlak met het christendom waarin de hele schepping is ontstaan uit/ gevormd door kennis; de Logos.

De bron van alle kennis

Volgens Augustinus kwam alle kennis van God. Deze kennis kan tot ons komen via: ,br>
*Gods Woord in de Bijbel

*Gods Woord dat spreekt doorheen de schepping

*ons geheugen/ herinneringen (aan God en aan kennis van Hem)

*openbaringen/ onthullingen

*verlichting

*de Grote Onderwijzer in ons (Jezus)

De rol van onze zintuigen is hierbij slechts relatief: Zij helpen ons te luisteren naar de stem van God die door Zijn schepping spreekt.

Kennis en verbinding

Waarin schuilt het geheim van verbinding? Als we een Plato, een Pythagoras, een Aristoteles of een Augustinus mogen geloven, dan is de sleutel daartoe: kennis. Kennis die in ons zit, maar die wel gewekt, geactiveerd moet worden. Door filosofie, door de keuze voor God, door onze herinnering en/ of door te herkennen.

Kennis en haar kanalen

Willen wij inzicht krijgen in de wegen der verbinding, dan kunnen we moeilijk meer om kennisleer heen. Reden te meer om een kort overzicht te geven van wat we hieromtrent zijn tegengekomen.

Pythagoras
Soort kennis Metafysische kennis
Kanaal Innerlijke waarneming
Filosofie
Plato
Soort kennis Ideeën
Kanaal Herinnering
Aristoteles
Soort kennis Kennis tot leven
Kennis die de mogelijkheid tot leven biedt
Ziel
Kanaal Materie
Natuurlijke lichamen
Gestructureerde, bezielde lichamen
Christendom
Soort kennis Logos
Gods kennis waarmee alles geschapen is
Gods scheppingskracht
Kanaal Jezus
Augustinus
Soort kennis Gods kennis/ Logos
Innerlijk weten
Kanaal Jezus
Interne leraar
Intern onderwijs
De binnenwereld/ ziel


Wat opvalt is dat wij mensen niet als een onbeschreven blad ter wereld komen. In ons ligt een schat aan kennis van waaruit we de wereld kunnen (her-) kennen.

INTERESSANTE LITERATUUR

Confessiones, Augustinus van Hippo

hirondelle

Franciscus van Assisi, over verbinding en vervreemding

Sint Augustinus nam ons mee naar onze binnenwereld en naar onze innerlijke waarneming (een idee dat Theresia van Avila later ving in het beeld van een innerlijke burcht). Bovendien zette deze kerkvader de kennisleer stevig op de kaart.

Franse documentaire over de innerlijke burcht van Theresia van Avila

Na het artikel over deze christelijke filosoof blijven we nog even in Katholieke sferen. Want misschien is het wel Sint Franciscus geweest die als eerste de mensen bewust heeft gemaakt van de verschijnselen verbinding en vervreemding. Hoe dan ook kan hij in de lange lijn kunstenaars en filosofen die zich hierop hebben gefocust, niet meer worden weggedacht. Franciscus van Assisi kan met recht een sleutelfiguur worden genoemd.

Sint Franciscus was een groot wijsgeer, maar geen schrijver. Van zijn hand verscheen een schitterende dichtbundel, het Zonnelied, maar veel meer pennenvruchten gaf hij niet. Toch is zijn filosofie op heel indringende wijze tot ons gekomen. De manier waarop hij deze voorleefde zei wellicht duizend keer meer dan van allerlei filosofische verhandelingen dat hadden kunnen doen. Bovendien moet hij iedere vorm van pedantisme hebben geschuwd. Want wat vloekt er meer met de eenvoud van het evangelie?

Sint Franciscus mag niet ontbreken op onze reis naar meer inzicht in verbinding en vervreemding. Bovendien heeft hij de mens zo sterk weten aan te spreken, dat hij duidelijk een boekje opendeed over de mens. En nog altijd doet. Niet alleen over de mensen van toen. Maar ook over die van nu. Want nog altijd spreekt hij tot onze verbeelding. Nog altijd bevrijdt hij ons uit de beknellingen van het complexe leven, en brengt hij ons terug naar ons eigenlijke, oorspronkelijke wezen. Voor velen brengt hij de rust van Kerstmis in een gekke, drukke en oververhitte wereld.

Sint Franciscus

Willen wij ons in hem verdiepen, dan kunnen wij niet in zijn boeken duiken, maar zullen we hem moeten volgen op zijn levensweg. Laten we beginnen met een korte schildering van zijn wereld.

De opkomst van het Roomse Rijk

In het begin van onze jaartelling was een nieuwe godsdienst geboren. Aanvankelijk was het christendom verre van welkom. De Romeinse keizers wilden deze beweging zelfs met wortel en tak uitroeien. Voor de leeuwen ermee! En dat was wat vele christenen uit de eerste eeuw overkwam.

Maar het tij keerde. In de derde eeuw zag de Romeinse keizer Constantijn de Grote het licht. Zo zou hij in een visioen een kruis aan de hemel hebben gezien en zou hij zich op zijn sterfbed tot het christendom hebben bekeerd. Belangrijker nog voor de wereldgeschiedenis was dat hij het christendom toeliet en zelfs ondersteunde. Een hulp die hij bekroonde met de bouw van de Sint Pieterbasiliek in Rome en de Heilige Grafkerk in Jeruzalem. Indrukwekkende bouwwerken die zeker bij kleine boertjes een diepe bewondering hebben moeten inboezemen.

In de vierde eeuw verhief keizer Theodosius het christendom zelfs tot staatsgodsdienst en maakte hij korte metten met de oude Romeinse godsdiensten. Uit de vele christelijke geschriften die circuleerden werden de (in katholieke ogen) valse (apocriefe) boeken van de goddelijk geïnspireerde (canonieke) boeken gescheiden als de schapen van de bokken. Het was voortaan duidelijk Wie aanbeden diende te worden en hoe. Het ging de katholieke kerk voor de wind.

In de achtste eeuw rees Karel de Grote op en legde grote delen van West-Europa in de ijzeren greep van de Franken. Maar dat niet alleen: Hij was bovenal een katholiek keizer die Europa cultureel aaneen smeedde met zijn kerk. Zo stichtte hij het Heilige Roomse Rijk en drukte hij een stempel op de identiteit van Europa die eerst en vooral christelijk werd.

Karel de Grote en het Roomse Rijk

Bouw, beeld, beeldtaal en symboliek

Hoewel het monotheïsme in principe gekant is tegen het afbeelden van levende wezens, laat staan van goden en goddelijke wezens, heeft de katholieke kerk hierin desondanks een vrijloop gevonden. Het mag dan wel zo zijn dat de Schrift het ten strengste verbiedt om van afbeeldingen afgodsbeelden te maken, toch is daarmee niet iedere afbeelding van een levend wezen automatisch ook een afgodsbeeld. Je kunt levende wezens nu eenmaal ook met een heel ander doel afbeelden. Om te onderwijzen, bijvoorbeeld. Om te vergelijken. Om het abstracte beeldend te maken. En om het moeilijke te vereenvoudigen. Begrijpelijk te maken.

Katholieke symboliek

Daarbij komt dat God zich vanuit Zijn hoogte naar ons toebuigt. Dat heeft Hij gedaan door Zijn zoon als mens hier op aarde te laten rondlopen. Als mens van vlees en bloed, zoals jij en ik. Jezus mocht dus worden afgebeeld. Hetzelfde gold ook voor zijn moeder Maria. En het gold ook nog eens voor al die symbolen waarmee God ons onderwees. Met de lammeren, de ezels en de schapen, de leeuwen en de kamelen, kortom met al die wezens uit de belevingswereld van de mensen van toen, die veelal nog in een rurale omgeving leefden, of zelfs nog dicht bij de natuur. En dan mochten ook nog eens al die Bijbelse figuren die ons met hun verhalen op het rechte pad moesten houden, in beeld worden gevangen. De katholieke kerk creëerde een beeldtaal en symboliek om u tegen te zeggen.

De kunst die zij het leven inblies, betoverde kerken en kapellen tot bovennatuurlijke plaatsen, tot het huis van God. Tot plekken waar de gelovigen volledig overweldigd werden door alle luister, door al dat grootse en door al dat goddelijke, maar waar ze zich tegelijkertijd geborgen voelden in de warmte van een beeld- en symbolenwereld die ze begrepen, die ze herkenden, en die bijna beschamend intiem voor hen was. En dat bracht een beweging in hen op gang van buiten naar binnen en van binnen naar buiten. En dan nog van boven naar beneden en van beneden naar boven. De katholieke kerk had een taal gevonden die de gelovigen verbond met God, de kerk, de hele schepping en zichzelf.

Katholieke kunst

Mystiek

Monotheïsme leidt al snel tot mystiek. Want die ene waarachtige God is zó hoog, zó groot en zógoed dat hij voor ons simpele mensjes niet meer te doorgronden noch te bevatten valt. Hij is ondoorgrondelijk. Bovennatuurlijk. Mystiek. Niet direct waarneembaar. We kunnen Hem alleen indirect waarnemen. In de Heilige Geschriften, door Zijn schepping heen of directer langs mystieke weg. D.w.z. via wonderen, visioenen en verschijningen. Via goddelijke manifestaties dus. Theofanieën.

Het mystieke karakter van God voedde hele gedachtegangen over de verschillende manieren van zijn (zoals bij Pseudo-Dionysius en Eriguena). Zo kan aan God zelf zowel een positieve als een negatieve manier van zijn worden toegekend:

*Positief:
Alle goede eigenschappen kunnen in de allerhoogste graad aan God worden toegekend. God is de allergrootste, de allerhoogste, de allerbeste . . . etc. God is een Superwezen. Zijn manier van zijn is een Super-Zijn.

*Negatief:
In al Zijn goedheid, hoogheid, grootheid en noem maar op, staat God zó ontzettend ver boven de mens dat hij voor ons nietige wezentjes niet eens meer is. In die zin is de manier van zijn die God toebehoort een niet-zijn.

Voor Zijn hele schepping heb je graden van zijn. Vergelijk god met een lichtbron. Dichtbij de bron baadt alles in een helder, goddelijk licht. Alles leeft er niet in een zonovergoten, maar in een 'godovergoten' gebied. Alles is er in een hoge mate. Of in een hoge graad. Hier vinden we eerst de engelen. En wat lager op de ladder godvruchtige mensen. Maar heel ver van deze bron is alles gehuld in diepe duisternis. Wat er leeft, is niet. Is verstoken van geestelijk zijn. Hier kronkelen en krioelen de ketters, de regenwormen en al de andere lagere schepselen.

Volgens Pseudo-Dyonisius uit het Ierland van de vijfde eeuw gaat alles van God uit, de flux, en keert alles weer tot God terug, de reflux. Het roept het beeld op van een strand waar de golven komen en gaan. Af en aan. In de hele schepping ligt ten diepste dat verlangen, die hunkering naar de Bron, naar God. Naar de terugkeer. Ons smachten naar Gods zaligheid kan ons in een hogere gemoedstoestand brengen die ons meevoert, dichter naar de Bron.

Afzondering

Het vurige verlangen naar God weerklinkt in de Bijbel en galmt na in de werken van menig middeleeuws theoloog of filosoof. 'Zoekt eerst het Koninkrijk van God . . . ' (Mattheüs 6:33), was de lijfspreuk van deze christenen. Dat betekende dat je de weg zocht naar God en dat je alle wereldse roem en rijkdom als de pest uit de wegging. Je moest je omkeren en je er vanaf keren, al het wereldse kabaal laten verstommen en luisteren naar de stem van God.

In de middeleeuwen deden vele christenen dat door de sprekende stilte op te zoeken van de natuur. Zij aanschouwden er de schoonheid van Gods schepping. Op de vleugels van deze ervaring werden ze meegevoerd naar hun binnenwereld. Vandaaruit bekeken zij de natuur met hun geestesoog en luisterden zij naar het verhaal van God. Dit was het contemplatieve leven dat vele gelovigen nastreefden. Je afzonderen van de wereld om Gods schepping te aanschouwen raakte in zwang. Wie in de middeleeuwen door de wildernis trok kon steeds vaker een kluizenaar op zijn weg tegenkomen. Velen trokken zich terug uit de menselijke heksenketel en leden een aan God toegewijd bestaan.

Het contemplatieve leven

Sint Gerlach, de kluizenaar in een eik (boek)

Sint Gerlach, beeld

Sint Gerlach, afbeelding

Dit kon zelfs nog verder gaan. Sommige fanatieke gelovigen, vooral vrouwen, lieten zich zelfs inmetselen. Zij keerden zich zo volledig in hun eigen ziel. In hun innerlijke burcht. In het huis van God. Waar zij baadden in Zijn licht, waar ze het bovennatuurlijke aanschouwden en waar de Here zich aan hen manifesteerde, middels verschijningen, visioenen, via andere kanalen of langs andere goddelijke wegen. We zitten midden in de katholieke middeleeuwen.

Ingemetselde vrouwen

Niet alleen losse individuen zochten de eenzaamheid op om zich aan het Hogere te wijden, ook groepen geestverwanten, broeders of zusters in het geloof, gaven zich gezamenlijk over aan een afgezonderd bestaan. Gemeenschappen verschenen, religieuze ordes, kloosters.

Introvert

Italianen staan symbool voor het zuidelijke temperament. Dit wordt nogal eens gekenmerkt als extravert. Toch beschreef Thomas van Celano (1200-1260), die het leven van Franciscus van Assisi optekende, de inwoners van het Italiaanse Umbrië als introverte mensen met uitbarstingen naar buiten. Maar dan in de betekenis die ook zeker Augustinus aan dit woord zou hebben gegeven. Introvert zijn mensen met een rijk innerlijk leven die alles intens, diep vanbinnen en van binnenuit beleven. Die als vulkanen zo heet en zo vol kunnen zijn dat ze ervan uitbarsten en overlopen.

Extraverte mensen zijn daarentegen juist niet naar binnen, maar naar buíten gekeerd. Naar buíten gericht. Zij kijken graag af wat de ander doet en bewegen het liefst kritiekloos met de massa mee. Hun beleving is oppervlakkiger en hun innerlijke leven gaat minder diep. En hun medeleven en empathie?

Eerlijk, eigenlijk, nederig en dienstbaar

De Allerhoogste boog zich vanuit Zijn duizelingwekkende hoogte liefdevol over tot ons nietige mensjes. Dat deed Hij door Zijn zoon naar onze aarde te sturen en om hem te laten sterven voor onze zonden. Jezus werd geboren in een bouwvallig stalletje, in het hooi, te midden van de schapen. Hij lag niet in een gouden schommelwieg met donsveren kussens, maar in een kribbe. Een voederbak voor vee. Zijn aardse vader was een eenvoudig timmerman. Hoewel Jezus meer kennis en kunde in zijn duim had dan alle farizeeën en schrift-geleerden in hun hele lijf, ging hij niet voor de comfortabele carrière van een stuurman aan de wal, maar voor het eigenlijke, eerlijke en dienstbare werk van zijn aardse vader, het ambachtelijke timmerwerk, en voor het vaak ondankbare werk van de prediking. Jezus waste zelfs de voeten van zijn discipelen, liet zich bespuwen, bespotten, geselen en vernederen en stierf een mensonterende marteldood.

Jezus wast de voeten van zijn discipelen

Het voorbeeld van Christus was duidelijk: Je kunt niet twee meesters dienen; God en aardse roem en rijkdom tegelijk.

De Gregoriaanse Revolutie

En dat laatste was wat een opkomende klasse in het Italië van de twaalfde en dertiende eeuw in extremo wel deed. Renteniers, handelaren en industriëlen, geldwisselaars en bankiers, velen onder hen wijdden hun leven eerst en vooral aan het geld en het gewin. Het welzijn van hun medemens was nu niet bepaald hun grootste zorg. Eerlijke arbeid waarbij het draait om het eígenlijke werk, om het eígenlijke product of om de eígenlijke dienst, kortom, de dingen waar je als mens wat aan had en waar je als mens wat mee kon betekenen, wisselden zij in voor het verdienen met hun vermogen. Voor het maken van geld met geld. Voor financiële spelletjes met de macht van rentes en de pecunia. Voor loze, fictieve diensten met het gemak van het geld. Zij weefden een financieel web waarin de gewone man gevangen raakte, en zich hopeloos verstrikte in woekerrentes. Afromen, uitbuiten en zich schaamteloos verrijken waren aan de orde van de dag. De waarde van je werk werd in deze kringen gekoppeld aan je loon of liever je vermogen, en ook al was je werk nóg zo waardevol, het werd als compleet waardeloos afgedaan als je het maar met een schamel inkomentje moest doen. Andersom was je gevierd en van onmisbare betekenis wanneer je slapend rijk werd.

Jezus verjaagt de handelaren uit de tempel

Niet alleen vloekten deze godsliederlijke praktijken en zienswijzen met de eenvoud van het evangelie, maar ook de macht die deze gegoede burgerij zich verwierf baarde Rome grote zorgen. Dankzij Karel de Grote lag de oude adel nog altijd ergens aan de leiband van de kerk. Haar idealen waren christelijk. En belangrijker nog kerkelijk. Maar deze nieuwe klasse leek als een aal te ontglippen aan de vingers van Rome. Iets wat de katholieke kerk met argus ogen bekeek.

De reactie? Meer dan tevoren verheerlijkte zij het apostolische leven; het leven in volstrekte eenvoud en toegewijd aan God. En meer dan tevoren verketterde zij de simonie waaraan de gegoede burgerij zich schuldig maakte (of zou maken). Het leidde tot wat als de Gregoriaanse Revolutie wordt bestempeld; de strijd die Rome aanbond tegen het opkomende kapitalisme.

Franciscus trouwt met 'Vrouwe Armoede'

Franciscus van Assisi

Omstreeks het jaar 1182 was de wereld een van de meest kleurrijke persoonlijkheden uit de menselijke geschiedenis rijker. Franciscus van Assisi werd geboren in het Italiaanse Umbrië. Een idyllische streek met wijngaarden, olijfgaarden, bossen, beken en vooral kruisbeelden, kerken en kapellen. Hij was de zoon van een rijke lakenkoopman die voor zijn werk regelmatig naar Frankrijk moest. Zijn vader was francofiel en zijn moeder Française. Alle reden voor zijn ouders om hun zoon Franciscus te noemen.

Franciscus groeide op in ons zojuist beschreven Italië. Groeien deed hij overigens maar weinig. Hij voldeed niet in het minst aan het schoonheidsideaal van zijn tijd. Hij was niet groot en sterk, en blond was hij ook al niet. Volgens de beschrijvingen was hij een klein, donker manneke met dikke, rafelige wenkbrauwen.

Sint Franciscus

In zijn jeugd moet hij de Hoofse cultuur van die tijd hebben ingezogen. Hij moet dronken zijn geweest van alle romantiek, van het Frans, van de schone kunsten en van de ridderverhalen waarin hoofse helden, daden en dames gevierd werden. Ze moeten zijn hoofd op hol hebben gebracht en een brandend verlangen in hem hebben aangewakkerd. Franciscus stond erom bekend dat hij vaak in een vrolijke stemming Franse liederen liep te zingen, ja zelfs toen hij allang een aan God gewijd bestaan leidde. De jonge Italiaan moet stapelgek op bekoorlijke meisjes zijn geweest. Van hun charmes moet hij met volle teugen hebben genoten. Hij moet een bandeloos leven hebben geleid.

De Hoofse cultuur

Maar hij zag het licht en veranderde in een heilige. Hij overtrof zichzelf en overwon zijn weerzin tegen leprozen. Hij trok predikend rond, kerstende alom en sterkte de gelovigen in hun geloof. Hij had de mensen lief en ontfermde zich liefdevol over de zieken. Hij herbouwde vervallen kerken en kapellen, had visioenen en herstelde de kerk die van God vervreemd dreigde te raken. En wanneer de mensen niet naar hem wilden luisteren, richtte hij zich vol geloofsijver tot de vogels. Hij hoedde zijn schapen en nam de dieren onder zijn godvruchtige vleugels. Hij werd de grote inspirator van dierendag, die nu nog altijd, zo'n kleine 1000 jaar later, wordt gevierd op zijn sterfdag (4 oktober).

Dierendag

Franciscus van Assisi moet een sterk en kleurrijk karakter hebben gehad. Er deden over hem van allerlei anekdotes de ronde. Zo zou hij een zak vol geld bij zijn stinkend rijke vader van de plank hebben gehaald om het onder de armen te verdelen. De furieuze lakenkoopman -waarom liep die ontaarde puber daar maar wat met zijn lompen en idealen rond te lummelen i.p.v. gewoon een succesvol zakenman te worden als hij?!- zou daarop zijn beklag hebben gedaan bij de kerk. Toen dit de bisschop ter ore was gekomen, zou hij vader en zoon hebben ontboden. De jonge Franciscus zou zich direct na het aanhoren van de aanklacht hebben uitgekleed, en in zijn blootje een bundel van zijn kleren hebben gemaakt. 'Die zijn ook nog van u', zou hij geroepen hebben terwijl hij de bundel kleren naar zijn vader wierp.

De kleine, tengere Franciscus zou zelfs in zijn vodden voor de hoge zetel van de paus zijn verschenen. Hij wilde een nieuwe orde vestigen waarin het voorbeeld van Christus en zijn discipelen op de voet zou worden nagevolgd. De paus zou diep op dit 'dwaze kereltje' hebben neergekeken en hem sarcastisch hebben toegevoegd dat hij eerst maar eens de varkens moest hoeden. 'Zoals u wilt', moet Franciscus gedacht hebben. Hij zou naar buiten zijn gerend, in de drek hebben gerold en zijn teruggekeerd. Iets wat de geamuseerde paus zeker kon waarderen. En Franciscus? Hij kreeg ermee voor elkaar dat hij van de paus voorlopig zijn gang mocht gaan.

Franciscus leidde een aan God gewijd bestaan. Hoewel we weinig pennenvruchten uit zijn wijsgerige gaard kunnen plukken -hij heeft een schitterende dichtbundel geschreven, getiteld 'Cantico del Frate Sole'( het Zonnelied ), maar daar bleef het zo'n beetje bij-, heeft hij zijn geloof op inspirerende en indrukwekkende wijze voorgeleefd. Hij trok zich met zijn volgelingen terug in de natuur en leidde een contemplatief leven. Maar dat niet alleen. Hij zocht ook juist de drukke, woelige steden op om daar de verdoolde schapen weer op het rechte pad te brengen. Hij was niet verwaand en waande zich niet superieur aan al die zondaars die steeds dieper wegzakten in het stadse moeras van wereldse geneugten en vertier. Hij meed het verdorven stadsleven niet, want juist daar kon hij de mensen vinden die Gods hulp en liefde zo hard nodig hadden.

Het amoureuze leven

In het leven van Franciscus valt een duidelijk keerpunt waar te nemen. Een keerpunt, een kantelpunt, een ommezwaai. Een leven vóór hij het licht zag en een leven daarná. Een leven waarin hij zielsveel van vrouwen hield, en een leven waarin hij God op hartstochtelijke wijze aanbad.

Willen wij doordringen in de denk- en gevoelswereld van deze amoureuze Italiaan, dan moeten we ons een beeld zien te vormen van beide liefdes. Van zijn liefde voor vrouwen en van zijn liefde voor God. En voor de verhouding daartussen.

Streven

Hoe hield Franciscus van de meisjes . . . ? Was hij een en al frivoliteit?

We duiken verder de middeleeuwen in. Kerken, kathedralen en kastelen doemen op. Ridders te paard, gewapend met blinkende zwaarden verschijnen op het slagveld, in toernooien of in donkere bossen. Gehuld in krijgshaftige gewaden vereeuwigen zij hun naam en hun roem met de ene na de andere heldendaad . . . In hun hoofden en in hun ridderverhalen althans. Want in werkelijkheid was dat zo simpel niet.

Maar wat is werkelijkheid? Is die hang naar heldendom op zichzelf niet al wezenlijk en waar? In de biologische werkelijkheid- zo leert Aristoteles ons -is het streven een van de hoofdkenmerken van de ziel! Alles wat leeft streeft, beijvert zich, wil behalen, bereiken, volbrengen en tot stand brengen. Wil tot wasdom komen en tot bloei. Zich vermenigvuldigen en zich vereeuwigen.

Ridders moeten dus een doel hebben. Een hoger doel. Een waarom. Want anders is hun missie zinloos, en al hun heldhaftigheid een farce. Waarom, dat is de vraag. Want waarom zou je anders ten strijde trekken? Waarom zou je anders je zwaard heffen? En waarom zou je anders je leven in de waagschaal stellen? Er moét een streven zijn. En dat streven is echter dan echt. Biologisch gezien zo waar als een plus een twee is.

Maar de reden van je ridder zijn, je raison d'être, je drive en het doel van je heldendaden, wat zijn ze? Want je kunt wel door het vuur gaan en een draak verslaan en een mooie prinses uit een hoge toren bevrijden, maar waarom?! Zonder reden, zonder doel, zonder drive en zonder hoger ideaal is het als het vechten tegen windmolens.

La chanson de geste

In de vroegere middeleeuwen komen we in Frankrijk een belangrijk genre tegen, het 'chanson de geste' (een soort heldendicht). Een van de meest monumentale werken uit dit genre is 'la Chanson de Roland'. Spanje is bezet door de 'boze Saracenen'. Vanaf de eerste bladzijde wordt duidelijk dat het hier niet gaat om een banale territoriumnijd. Of om een simpele strijd om een stukje grondgebied. Nee, de oorlog tussen de Arabieren en de Franken is een veel grotere zaak. Het is de strijd van Karel de Grote en zijn trouwe ridders tegen het 'grote kwaad'. Onze katholieke Franken zijn ware helden met een hoger doel en een belangrijke missie. Aan God toegewijd en door God geleid. Moedig zullen zij het Roomse rijk beschermen en Spanje bevrijden van het Islamitische 'juk'.

La chanson de Roland (Het Rolands Lied)

Het Roelandslied is- ondanks haar sterk gekleurde karakter -een verhaal dat tot ver voorbij de donkere middeleeuwen, tot helemaal in onze tijd nog altijd tot de verbeelding spreekt. Het lied bevrijdde haar helden uit het cocon der historische personen, en liet hen ontpoppen tot sprookjesfiguren die leven in de belevingswereld van velen. Tot figuren waarvoor we ontvankelijk zijn en die we meteen herkennen, ook al lezen we het Roelandslied voor het allereerst. Ze inspireerden vele vertellers, schrijvers en troubadours. Want wie kent 'Karel ende Elegast' niet? In België brouwen we zelfs zowaar Karolus bier!

De Hoofse cultuur

Toch werd dit genre al snel overschaduwd door een ander, succesvoller genre; de hoofse literatuur. Ridder Lancelot verschijnt. Voor het eerst waarschijnlijk ergens in de twaalfde eeuw, in de verhalen van de Franse dichter Chrétien de Troyes.

Natuurlijk, Lancelot is voor zijn meester, koning Arthur, de heer van de Ridders der Ronde Tafel, een echte redder in nood. Een baken op het woelige water van die tijd, vol oorlogen en veldslagen. Hij is onvoorwaardelijk trouw aan zijn heer en niemand lijkt hem méér in zijn macht te hebben dan zijn koning, althans . . . De vrouw van koning Arthur is de welhaast *godinnelijke* Guinevere (Guenièvre) die door Lancelot op heldhaftige wijze uit handen van de gemene Meleagant wordt gered. Bij gebrek aan een paard aarzelt onze nobele ridder zelfs niet om zich dan maar van een boerenkar te bedienen, als hij zijn koningin maar kan bevrijden. Het is bijna als bij Jezus die als 'koning der Joden' op een ezel de stad in komt rijden. Lancelot trekt een kar, een schandkar, om zijn heer of meer om zijn Dame te dienen.

Guinevere en Lancelot

Want daar ligt de crux. In de hoofse ridderromans wervelt het heldendaden van ridders die bijna letterlijk in aanbidding liggen voor hun Dame. Enerzijds is ze intiem aanwezig -ze troont in het hart van haar minnaar, en ook haar ridder verovert het hare-, anderzijds staat ze op hoge hoogte, en is ze vrijwel onbereikbaar. Veelal is ze de vrouw van de koning. De koningin.

In de hoofse cultuur ontstonden met name in Frankrijk en Italië literaire hoven waar vele schrijvers en dichters zich rond hun hofdame groepeerden en zich overgaven aan de schone kunsten.

Maar waar kwam die hoofse cultuur toch vandaan? Volgens sommige literaire theorieën is dit fenomeen overgewaaid vanuit Arabische landen. Volgens weer andere theorieën heeft deze cultuur Keltische wortels. Hoe dan ook, waar deze romantiek ook vandaan moge komen, de origine op zichzelf zegt weinig tot niets over haar ontstaan. Daarover werpt wel een andere theorie wat licht. Volgens deze analyse brachten vrouwen vaak vrede over knokkende kemphanen van adel die onbeschaamd om elkaars kastelen, land en steden streden. Nu zal het zeker zo zijn geweest dat niet zelden een huwelijk tussen een zoon van de een en een dochter van de ander de kemphanen met elkaar verbond en de strijdbijl begroef. Een prima oplossing voor het land, maar vast een drama voor de twee huwelijkspartners die gereduceerd werden tot objecten van een koehandel en die zich zagen veroordeeld tot een verstandshuwelijk. Een stuk minder romantisch dus dan de hoofse liefdesverhalen die als propaganda voor deze politiek mochten dienen.

Van natuurdriften naar Hoofse Liefde

Hoe plausibel deze verklaring ook mag lijken, toch is zij misschien wel wat pover. Het ontstaan van de hoofse literatuur wordt hier namelijk hoofdzakelijk gezocht in een maatschappelijke constellatie. In een schilletje. In de lijn die we gevolgd hebben van Lascaux langs het Oude Europa, Mesopotamië, het Oude Egypte en het Oude Griekenland, tot helemaal aan de opkomst van het christendom aan toe, zagen we een toenemend bewustzijn van een gelaagde werkelijkheid, met een metafysische laag, een kosmische/ natuurkundige laag, een biologische laag en tenslotte een maatschappelijk bovenlaagje. Vervolgens zagen we bij Aristoteles dat wij mensen levende organismen zijn met biologische kenmerken, of we dat nu leuk vinden of niet. Een van die kenmerken- we noemden het al -is een biologisch streven. Streven naar voedsel, streven naar groei, streven naar vermenigvuldiging, streven naar verbinding, streven naar vereniging . . .

Kortom, er ontbrak biologisch gezien iets aan het chanson de geste. De lezers en vooral luisteraars konden zich er dan wel tegoed doen aan een heel festijn vol viriele avonturen in een mannenwereld waarin zeker de heren zich meteen konden verplaatsen en zich makkelijk in laten meevoeren, nergens vonden zij er een bron om hun dorst naar verbinding, verliefdheid, extatische liefde en overweldigende vrouwelijkheid te lessen. Over-wel-di-gen-de vrouwelijkheid, want was er ook maar iets wat hen zo in vervoering kon brengen als deze natuurkracht? Als deze kosmische kracht? Als deze goddelijke, go-din-ne-lijke macht? Of was die oer-fascinatie uit het oude Vézère-dal en uit het Oude Europa voorgoed verdwenen? Waren de muzen uit het Oude Griekenland voortaan schimmen uit het verleden? Of waren mannen en vrouwen hun natuur kwijt? Zeer onwaarschijnlijk. Want mensen blijven mensen. Zelfs over duizenden en duizenden jaren heen.

De vrouw kon de man dronken maken van liefde en in een andere, gelukzalige gemoedstoestand brengen. Zij kon hem als een vogelgodin op haar vleugels meevoeren naar een andere, hogere 'état d'âme', oftewel 'état dame'. In vervoering brengen. In extase. Zij kon hem kunstzinnig maken, uitzinnig van vreugde, en als een wonderdrank de wereld met haar vrouwelijkheid voor hem betoveren. De vrouw was magisch en kon de man met haar sfeer weer in een paradijselijke gemoedstoestand brengen. De mannen voelden dat. De mannen zochten dat. En zeker de heren met het spreekwoordelijke mediterrane temperament.

De wetten der natuur drukten hun stempel op deze middeleeuwse cultuur. De hoofse roman voegde de vrouwelijke dimensie toe en was een echoput voor de roep om verbinding, vereniging, verering en liefde. Een schreeuw die kwam vanuit hart en ziel, vanuit een biologisch smachten en streven die in lichamen en lijven brandde. Zij weerspiegelde de magie van de vrouw, een natuurkracht waaraan (vrijwel) iedere man zich onderworpen voelde en waaraan (vrijwel) iedere man zich in zijn vurige liefde wel moest overgeven.

Van hoofse liefde naar geloofsijver

Franciscus moet in zijn jonge jaren het leven en de liefde hartstochtelijk hebben gevierd. Van een jongeman die met volle teugen genoot van de vrouwen en van de andere geneugten des levens kwam een heilige die zich van deze zondige levenswandel had afgekeerd. Een hele omwenteling. Een radicale omkering.

Wat bezielde hem? Vanwaar wisselde hij zijn passie voor hoofse ridderromans in tegen de godvruchtige liefde voor het Evangelie?

Franciscus eerste liefde; een natuurlijke liefde voor vrouwen

Vanwaar die ommezwaai? Kunnen we nu nog achterhalen wat Franciscus bewoog of wat hem daartoe bracht? Precies zullen we dat niet meer te weten komen. Maar laten we proberen ons een beeld te vormen op basis van de lijnen die we gevolgd hebben en de gedachtestromen én tegenstromen die we daarbij zijn tegengekomen.

Allereerst Franciscus liefde voor vrouwen. Wanneer we dit in een historisch kader plaatsen, kan deze ons moeilijk verbazen:

*Vanaf de vroege steentijd tot in de middeleeuwen bleven het mannelijk en het vrouwelijk steeds maar en altijd maar weer opduiken in onze mythologieën, religies en kunst als natuurkrachten, kosmische krachten of zelfs goddelijke krachten. Het vrouwelijk was in die culturen sterk vertegenwoordigd en krachtig aanwezig. Van diersymbolen die stonden voor het schone geslacht, tot vogelgodinnen, van kosmische godinnen tot moedergodinnen, en van muzen tot de *godinnen* der middeleeuwse ridderromans . . . allen getuigen zij van haar koningschap in de belevingswereld van de mens van weleer. Kon Franciscus ontsnappen aan haar greep?

*Weliswaar luidde het monotheïsme een sterke tegenstroom in, waarbij de godinnen het onderspit moesten delven, toch leek er geen kruid tegen gewassen.

*Zelfs binnen het monotheïstische christendom had en heeft Maria de allure van een godin.

Het sublieme karakter van Maria in de Middeleeuwen

Het sublieme karakter van Maria (De Heilige Maria in Lourdes)

*In de Hoofse cultuur werd het Vrouwelijk diep vereerd.

Verering van de Hoofse Dame

*Aristoteles koppelde de ziel aan het leven en aan het leven het streven. In het natuurlijke streven naar verbinding, vereniging en vermenigvuldig valt het vrouwelijk niet weg te denken of uit te roeien. Zij is de hoofdactrice van het schouwspel der natuur. De meeste mannen ervaren de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het vrouwelijk die voor hen een zegen is, maar- daar komen we later op terug- ook een vloek kan zijn.

Samenvattend:

Lijnen naar de Hoofse Liefde van Franciscus
Het Vrouwelijk vanaf de vroege steentijd tot in de middeleeuwen
Het vrouwelijk in mythologieën, religies en kunst:
Natuurkrachten, kosmische krachten, goddelijke krachten
Diersymbolen, vogelgodinnen
Symbolen en associaties met de maan, schoonheid, slangen, water, vogels etc.
Natuurgodinnen, kosmische godinnen, vruchtbaarheid- en moedergodinnen etc.
Geest, Levensadem, Kunstzinnige adem, Inspirators (Muzen)
Schoonheid (spiritueel en fysiek), verhevenheid:
Koninginnen, Dames, 'godinnen' uit Hoofse Ridderromans, centra van verhevenheid, kunst en schoonheid, inspirators van edele gevoelens en nobele heldendaden, Dames waar de ridderhelden voor vallen en waar zij hun heldendaden aan opdragen etc.
Het voortbestaan van godinnenculturen
Tegen de stroom van het monotheïsme in
De Katholieke Kerk
De Mariaverering
Natuurlijke aantrekkingskracht
Natuurlijk verlangen en streven (als kenmerk van de ziel) naar verbinding met het Vrouwelijk


De schaduwkant

Maar dan is daar ook de keerzijde:

*Volgens de letter van de monotheïstische godsdiensten bracht de vrouw de man ten val. De zondeval zou te wijten zijn aan Eva die Adam van de appel van de Boom der Kennis van Goed en Kwaad liet eten, hetgeen God hen nadrukkelijk verboden had. In deze optiek was de vrouw, wat kort door de bocht geredeneerd, niet langer een bron van geluk, maar vooral die van ons aller ongeluk. Door haar toedoen zijn wij uit het paradijs verbannen.

De Zondeval

*In het monotheïsme, maar ook in de Griekse filosofie doet- i.t.t. de bevindingen van Aristoteles -het idee van het dualisme opgeld, volgens welke lichaam en ziel strikt gescheiden zijn. Het lichaam met haar verraderlijke zintuigen brengt de ziel ten val. De zonden van het vlees snijden de pas af op de weg naar verbinding met het heelal en/ of met God.

*Filosofie is bij denkers als Plato en Pythagoras een overwinning van de ziel op het lichaam- filosoferen is leren sterven!-, en godvruchtigheid bij Augustinus het zich goedgrondig afkeren van haar zondige neigingen.

*In de direct bovenstaande gedachtegangen zijn het lichaam en/ of de vrouw een valstrik voor het zielenheil van de man. De gelijkstelling van de vrouw met het verraderlijke lichaam en de verderfelijke werking van het vlees lag op de loer en sloeg als een wild, ongenadig beest toe. Grootschalige vrouwenhaat en onderdrukking mogen hiervan getuigen.

Blijkbaar heeft het vrouwelijk in de belevingswereld van veel mannen niet alleen een zonnige kant- zij opent de poort van het paradijs-, maar ook een schaduwkant- zij staat voor verderf en verbanning uit het letterlijke of figuurlijke hof van Eden.

In dit licht mag het geen wonder heten dat een van de symbolen van het Vrouwelijk de maan is. De maan die beeldschoon is, betovert en verlicht, maar die ook door dik duister is omgeven of, erger nog, er zelfs volledig in verdwijnt.

Samenvattend:

Schaduwkant en afkeer van de vrouw
De oorzaak van de Zondeval
De vrouw (Eva) gaf de appel aan Adam
De vrouw verwijderde de man van God
Dualisme
Het lichaam staat tegenover de ziel
Het lichaam heeft verraderlijke zintuigen
Het lichaam verwijdert ons van God/ het Hogere
Het lichaam en de vrouw verwijderen van God
Het vlees
De vrouw staat voor het vlees en veroorzaakt de zonden van het vlees
De vrouw brengt de man ten val
De maan
De vrouw wordt geassocieerd met de maan: beeldschoon maar met een duistere kant
De verleiding heeft een (schijnbare) schone kant en een duistere kant
De vrouw staat voor verleiding, voor zondige neigingen en voor de zonde van het vlees


Franciscus zal zeker ook met dergelijke vrouwonvriendelijke opvattingen zijn geconfronteerd. Maar moeten we hierin de verklaring zoeken van zijn ommekeer? Was hij inderdaad vatbaar voor dergelijke misogyne interpretaties en fantasieën? En betekende zijn ommekeer dan ook werkelijk een afkeer? Of lag dat anders?

Vervoering

Een belangrijk kenmerk van liefde is dat het een soort 'wonderdrank' is die je in een gelukzalige gemoedstoestand brengt of zelfs in vervoering of extase. Maar ook dat zij je strijdbaar maakt en bereid tot het brengen van offers. Zoveel kunnen we wel opmaken uit de filosofieën, kunsten en culturen die we tot nu toe hebben bestudeerd:

*Pythagoras raakte in de zevende hemel wanneer hij vanuit zijn ziel de kosmos waarnam en met zijn geestesoog haar schoonheid en harmonie aanschouwde.

*Plato trad in de voetsporen van zijn geestesvader en ging nog verder: De macrokosmos spiegelde zich in zijn optiek in de microkosmos, oftewel het heelal in onze ziel. En dat niet zomaar: ín onze ziel lag de hele kosmos met al wat daarin is, en dat in haar eígenlijke, ideale vormen. Terwijl we met onze lichamelijke zintuigen daar slechts wat schimmen van konden waarnemen. Een schijnwereld vol onvolmaakte kopieën. Ook voor Plato lag alle gelukzaligheid in de ziel, of toch op zijn minst in het HER-kennen vanuit ons diepere wezen.

*Augustinus liet zich heerlijk meevoeren op deze gedachtestroom. Deze kerkvader vond God niet in de wereld buíten zich, maar ín zich, en daarmee zijn hele ziel en zaligheid. Hij raakte ervan in vervoering. Hij moet een gepassioneerd gelovige zijn geweest en hartstochtelijk van God en van het evangelie hebben gehouden. Zijn vurige liefde moet hem een ontembare drive hebben gegeven, en van hem een onvermoeibare evangelist hebben gemaakt.

*In de Hoofse cultuur (o.a. in Hoofse ridderromans) vallen nobele ridders voor hun Dame. Zij brengt haar minnaar in een liefdesroes waarin haar ridder betoverd wordt door haar charmes en aangespoord tot heldendaden.

Samenvattend:

In vervoering /een roes
Pythagoras
Wiskundige schoonheid Innerlijke waarneming
Plato
Ideale vormen Innerlijke waarneming
Augustinus
God Innerlijke waarneming
Hoofse cultuur
Dame ?


Introversie en extase

Maar waar het hier omgaat is dat bij deze drie heren de vlammende liefde werd aangewakkerd door hun binnenwereld. Vanuit herkenningen en innerlijke waarnemingen. Daarmee waren onze drie denkers uitgesproken hartstochtelijke en introverte mensen. Mannen die een licht ontvlambare binnenwereld hadden, en snel in vuur en vlam stonden. Mannen die makkelijk in een hogere gemoedsstemming raakten, in vervoering, in extase.

Gelukzalige gemoedstoestanden, de roes, vervoering en extase; ze lijken aangewakkerd te worden door innerlijke waarnemingen. Vanuit de binnenwereld. Maar hoe lag dat in de Hoofse cultuur? Bewonderden de hoofse helden daar hun Dame met hart en ziel? Ja, eveneens vanuit hun binnenwereld?

Il cantico delle creature, Francesco d'Assisi

Een introverte en zielsverliefde Franciscus

Terug nu naar Franciscus. Thomas van Celano typeert de bewoners van het middeleeuwse Umbrië als 'introverte mensen met uitbarstingen naar buiten'. Past dit beeld bij onze heilige? Afgaande op wat wij van Franciscus weten, moet hij zondermeer een passioneel persoon zijn geweest. Hij moet zijn geloof diep vanuit zijn ziel hebben beleefd. Hij moet daarbij zeker ook in gelukzalige gemoedstoestanden hebben verkeerd.

En daarvoor? Voordat hij het licht zag? Was er een jongedame geweest die zijn zinnen en zijn ziel betoverde? Of jongedames misschien? Net als bij Augustinus? Waarschijnlijk wel. Thomas van Celano beschrijft zijn jonge jaren als 'een aaneenschakeling van wangedrag'. Vrouwen en vertier zullen daar zeker bij hebben gehoord.

Kunnen we het bewijzen? Nee. Maar het is zeer wel aannemelijk dat Franciscus even als een Plato, een Pythagoras of een Augustinus introvert was aangelegd, en dat er inderdaad zo'n jongedame in zijn leven was geweest. En als dat werkelijk zo is, zal zij hem hebben meegenomen naar zijn binnenwereld, en zal hij haar dáár hebben gevonden. In al haar oorspronkelijke schoonheid? Zal zij hem dronken hebben gemaakt van liefde, dáár waar volgens Plato alles schittert in zijn eigen, oorspronkelijke en onvervalste vorm? Dáár waar Augustinus van alles waarnam . . . dat beter rook, beter smaakte, beter klonk, beter voelde en vele malen mooier was dan waar wij ook maar ooit met onze lichamelijke zintuigen van zouden kunnen genieten?

Franciscus moet eerst die reflectie hebben gezien, die flits, die weerkaatsing die hem diep trof- Cupido had raak geschoten -en die hij hérkende vanuit zijn ziel. De liefdesvonk. Vervolgens moet hij zijn geliefde hebben gelezen vanuit een soort platonisch, innerlijk weten. Met vuur en met passie om haar in zijn binnenwereld te wekken. En om haar van buiten naar binnen te brengen. Hij moet dat koortsachtig hebben gedaan. Vol ijver en met volle aandacht.

Verliefdheid laadt op, trekt leeg, laadt op . . . , vreet energie. Bergen energie. Meer dan uiterst geconcentreerd studeren. Meer dan het uitlezen in een adem van het spannendste boek. Bij verliefdheid staat de ziel in de hoogste versnelling- alle raderen wentelen en draaien op volle toeren- , en verkeert zij in de meest gelukzaligmakende, uitputtende gemoedstoestand.

Het vieren van de verliefdheid is een uiterst intiem, introvert gebeuren. Twee wezens die zich aan elkaar overgeven. Twee wezens die elkaars lichaam, elkaars ziel lezen. Twee wezens die elkaar in hun binnenste tot leven brengen.

De jonge Franciscus

Kort samengevat, loopt onze redenering als volgt:

I
Plato, Pythagoras en Augustinus waren introverte mensen die alles intens en diep beleefden vanuit hun binnenwereld

II
Franciscus was een passionele man uit het land van introverte mensen met uitbarstingen naar buiten (Umbrië)

III
Franciscus was een passionele, introverte man die alles intens en diep vanbinnen beleefde, en met uitbarstingen naar buiten

IV
Franciscus levensverhaal bevestigt dat hij een passionele man was met uitbarstingen naar buiten

V
Jongemannen voelen zich (meestal) sterk aangetrokken tot vrouwen (natuurwet)

VI In de Hoofse cultuur, waarin Franciscus opgroeide, werd de verering van en de hartstochtelijke liefde voor het vrouwelijke (à la Don Quichot) aangewakkerd

VI
De jonge Franciscus moet hartstochtelijk en diep vanbinnen van een vrouw/ vrouwen hebben gehouden (zijn levensverhaal lijkt dit te bevestigen)

Waar komt de ommezwaai van Franciscus vandaan?

We hebben goede reden om aan te nemen dat de jonge Franciscus in vervoering moet zijn geweest. Als dat inderdaad zo is, zou het dan niet vreemd zijn geweest wanneer hij zich radicaal zou hebben afgekeerd van de bron van zijn geluk en zijn rug zou hebben gekeerd naar de charmes van het vrouwelijk?

Laten we even de teugels vieren, en het verschijnsel extase even verder onder de loep nemen. Terug naar de jonge Franciscus die betoverd wordt door al dat vrouwelijk:

Gemoedstoestanden, stemmingswisselingen en introverte liefde in een extraverte samenleving

Het lijkt één jubelzang. Een en al rozengeur en maneschijn. Maar dan . . . is het uit met de pret. Want in zo'n energievretende gemoedstoestand kun je niet continu blijven verkeren en in zo'n verliefdheidsversnelling kun je niet permanent blijven staan. Dat is (zonder hulp vanboven!) niet vol te houden. Je stemming zal moeten wisselen. Hoe jammer!, maar je kater zal zich onverbiddelijk melden. En dan te bedenken dat dit nog niet alles is: Want dan ontwaak je na al je introversie in een extraverte samenleving. Daar waar codes gelden, wetten en regels. Daar waar je je aanpast, moét aanpassen. Daar waar je de ander nadoet en navolgt, en daar waar je je stand moet ophouden en je naam hoog. Daar waar de werkelijkheid van de binnenwereld onverbiddelijk plaats moet maken voor alle schimmen en schijn van onze samenleving. Daar waar het oorspronkelijke, het eigenlijke, vervalst en óneigenlijk wordt. Daar waar de betovering ontgoocheld wordt. Daar waar intimiteit wordt veroordeeld of bespot als het toppunt van al wat beschamend, zwak of onaangepast is.

De Franse uitdrukking 'la petite mort' spreekt boekdelen. Na een extatische gemoedstoestand belanden veel mannen in een soort depressie. Energetisch moeten ze omschakelen, hun stemming moet wisselen, hun vakantie in het eigenlijke, ideale en in hun binnenwereld is voorbij. Hun geliefde die in haar naakte waarheid te schitteren stond transformeert al snel- we chargeren een beetje -in een soort heks die de mantel van angst, aanpassing, stand ophouden en naam hooghouden omslaat. Die de broek van schimmen en schijn aantrekt. De misère is compleet. Des temeer omdat meneer zich volledig aan mevrouw heeft overgegeven en hij nu ook zelf de maatschappij weer wordt in gejonast waar hij zijn mannetje moet staan. En dat terwijl hij al zijn energie heeft verstookt voor zijn liefde!

Zou Franciscus deze toestanden niet hebben gekend? Het zou haast het ontkennen zijn van een natuurwet.

Scheiding van 'zij-vanbinnen' en 'zij-vanbuiten'

Met wat aannames die gegrondvest zijn in lange lijnen, en wat nattevingerwerk- je moet roeien met de riemen die je hebt- herrijst een jonge Franciscus die niet zomaar uit de lucht, of liever uit de hemel is komen vallen.

Laten we daarom nog wat door redeneren en onze aankomende heilige nog wat scherper in beeld proberen te krijgen. Franciscus is een jonge, verliefde man. Hij bewondert en bemint zijn geliefde vanbinnen en vanbuiten. Ze zijn één. Eén en dezelfde. Maar als hij uit zijn liefdesroes is ontwaakt, zijn zij-van-binnen en zij-van-buiten uit elkaar gegaan. Gescheiden. Anders geworden. Want zij-van-buiten heeft zich gehuld in de maatschappelijke mist van controleangst en aanpassingen. Zij vangt Franciscus in haar net van stand op- en naam hooghouden.

De kloof tussen 'zij-een' en 'zij-twee'

Nu is Franciscus geen type van wél de lusten, maar níet de lasten. Zoveel heeft zijn verdere levensloop vol offers en ontberingen wel bewezen. Bovendien zal zij-van-binnen (of de eigenlijke, oorspronkelijke zij-van-buiten) niet zomaar in zijn gevoels- en gedachtewereld zijn vervaagd. Integendeel. Zij heeft hem juist aan het denken gezet. Want wat hij voelt is die discrepantie, die kloof tussen zij-een en zij-twee. De sublieme-zij en de verworden-zij. Zij-die-bevrijdt-in-de-binnenwereld en zij-die-gevangenhoudt-in-de-buitenwereld. Er is iets mis . . .

Liefde voor het vrouwelijk als een ladder naar God?

De samenleving 'ver-ont-eigen-lijkt' mensen. En zeker de maatschappij waarin Franciscus leefde en die steeds verder afdwaalde van de evangelische eenvoud en eerlijkheid. Bovendien heeft hij het sublieme vanbinnen ervaren, heeft hij een gelukzalige, welhaast goddelijke gemoedstoestand gekend, en heeft hij het streven van Aristoteles- streven naar verbinding en vereniging- en de hartenkreet van Augustinus- die schreeuw om het sublieme, het goddelijke- in al zijn aderen mogen voelen.

Zo kwam zijn meisje niet tegenover God te staan, maar aan Zijn zijde. Zij was als een ladder geworden langs welke Franciscus verder kon opstijgen in de wolken van het sublieme. Opstijgen naar God. Naar permanente gelukzaligheid. Franciscus keerde zich niet om, en niet af van zijn meisje- geen vrouwen versus God-, maar hij ging juist verder op 'de weg die hem naar zijn schone dame had gebracht' - via het vrouwelijk naar God-. Een idee dat- zoals we hebben gezien- al zo oud was als de weg naar Rome.

De Sint Theresia van Bernini: van orgasme naar goddelijke extase

Vrijheid of gevangenschap; dolende ridders of hoofse minnaars

Laten we eerst nog even terugkeren naar Lancelot. Ook deze ridder heeft de twee gezichten van zijn liefde mogen meemaken. Vóór zijn relatie met de koningin was hij een dolende ridder, was hij vrij. Maar óók daarna. De dolende ridder; een symbool van de vrijgezel. Van vrijheid en ongebondenheid. Van ontsnapping aan de natuurlijke macht van het vrouwelijk, maar ook aan die van haar ketens van codes en aanpassingsgerichte eisen.

En als minnaar? Als minnaar was hij in de ban van zijn Dame.

Maar Lancelot, is dat niet zo maar een verhaaltje? Of spreekt het verhaal van Lancelot hier boekdelen? En verraadt deze roman hoe veel van zijn tijdgenoten de liefde beleefden? Hoe de luisteraars zich maar al te goed konden inleven? In beide levens? In de gevangenschap van het minne leven? Maar ook in het vrije leven? In dat van een vrijgezel?

Ja, lezen we in Lancelot niet over de mens? Over zijn dromen en over zijn belevingswereld?

Langs de ladder van hoofse liefde naar de liefde voor God

Willen we Franciscus van Assisi begrijpen, dan moeten we inzicht zien te krijgen in zijn liefde voor de vrouw, in zijn liefde voor God, en vooral in de relatie daartussen.

Was er bij Franciscus werkelijk sprake van een omwenteling? Een omkering? Het verdere verloop van Franciscus leven laat hier erg aan twijfelen. Wat opvalt is dat onze heilige bekend stond om zijn vrouwvriendelijkheid. Franciscus was een vurig vereerder van Maria en zag vrouwen in geestelijk opzicht zeker voor vol aan.

Hoe we dat weten? De historische bronnen zijn duidelijk. Zo vinden we daar het verhaal van Clara. Op een nacht verlaat het jonge meisje haar ouders om naar Franciscus te gaan. Want zij wil haar leven wijden aan God. Franciscus vangt haar op en helpt haar een nonnenorde op te richten, de clarissen. Hij blijft deze orde zijn leven lang ondersteunen.

Sint Franciscus en Sint Clara

Een ander punt mag de plaats van het vrouwelijk in zijn geloofsbeleving, en in die van menig Italiaan van zijn tijd, wellicht bevestigen. Streng en strikt monotheïsme gaat doorgaans gepaard met een beeldverbod dat kan variëren van het verbod op het afbeelden van mens en dier tot het afbeelden in plaatsen van aanbidding van profeten en heiligen, laat staan van God zelf.

Maar daar waar meerdere goden aanbeden worden (polytheïsme), en daar waar godinnen de ruimte krijgen, zoals in de kunst uit de Steentijd, floreert het beeld, in (vrijwel) alle vrijheid.

Zo'n streng en strikt monotheïsme vinden we overduidelijk in het Judaïsme, de Islam en het Protestantisme. In het Katholicisme, daarentegen, speelt naast de aanbidding van God ook de verering van Maria een belangrijke rol. Zo zelfs dat Zij in veel opzichten de plaats inneemt van een godin.

Dit verschil vertaalt zich meteen in de beeldkunst van deze religies: Vergelijk een synagoge, een moskee of een kerkgebouw van de gereformeerde gemeente met een katholieke kerk of kapel. Abstracte afbeeldingen of slechts kale kruizen zonder corpus vinden we bij de eerste drie. Maar op de katholieke plaatsen van aanbidding treden we in een totaal ander decor. Een overvloed aan Christusbeelden, Mariabeelden en heiligenbeelden versieren er de pilaren, muren en vaak zelfs de plafonds. Een Sixtijnse kapel zou alleen al qua ornament onmogelijk gepast hebben tussen moskeeën, synagogen of protestantse kerken, maar wél qua overvloed aan beelden van levende wezens en qua configuratie tussen de versierde grotten van het Vézèredal!

De vrijheid van beeldkunst en de nadrukkelijke verering of zelfs aanbidding van Maria in woord en beeld laten zien dat zij, misschien dan wel niet volgens de officiële geloofsleer, dan toch wel in de beleving van vele gelovigen (welhaast) een godin is.

Gold dat ook voor Franciscus? Onze introverte en temperamentvolle Italiaan stond pal voor evangelische eenvoud. Arm zijn was in zijn ogen geen schande, maar een deugd. In dit licht is het opmerkelijk dat hij zich beijverde om kerken en kapellen in al hun luister te herstellen. Een vuur dat zijn verering van het vrouwelijk niet bewijst, maar wel verraadt!

Sublieme liefde zonder 'godin'

Franciscus liefde voor en verering van het Vrouwelijk lijken verankerd te liggen in lange lijnen, in zijn Mariaverering, in zijn steun aan de clarissen en in zijn liefde voor de luister van kerken en kapellen.

Maar laten we hier nog even verder gaan met detectiveje spelen. Stel dat we gelijk hebben en dat Franciscus inderdaad vanuit een natuurlijk streven via een zij-vanbinnen is uitgekomen bij het sublieme, en vanuit het sublieme bij God, dan roept dat meteen een aantal vragen op:

*Geloofde Franciscus heimelijk in een godin?
*In een godenpaar?
*In een God met een vrouwelijke kant?
*In het vrouwelijk als een spirituele kracht van God?
*Of als een manifestatie van Zijn wonderschone scheppingskracht?

*Heeft hij een spanning gevoeld tussen zijn geloof en de officiële geloofsleer?
*Heeft hij geworsteld?
*Een innerlijke strijd geleverd?

We kunnen dit moeilijk of misschien zelfs wel onmogelijk meer achterhalen. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat er een vrouw of vrouwen zijn geweest die Franciscus zowel het goddelijke als de misstanden in de samenleving hebben doen voelen.

Van Franciscus liefde voor het Vrouwelijk naar zijn liefde voor God

Laten we er even vanuit gaan dat dit allemaal zo is. Zal hij dan gevoeld en geloofd hebben dat de liefde tussen man en vrouw pas dan wérkelijk goddelijke dimensies kan aannemen wanneer deze door God wordt geleid? Dat de horizontale man-vrouw verhouding al snel vertroebelt, vervuilt, en verstikt raakt in aardse beslommeringen en dwalingen? Dat er een driehoeksverhouding moet zijn die hun liefde voor elkaar doet opgaan in de liefde van en de liefde tot God? Dat veel mannen en vrouwen voor elkaar een bron van verdriet worden? En dat zij dringend de hulp nodig hebben van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? Van Zijn herders- 'hoed mijn schapen'-? En van Maria?! Maakte de liefde voor de vrouw voor hem deel uit van een nóg grotere liefde? En maakte die Super-liefde verhoudingen met vrouwen van vlees en bloed voor hem overbodig? Misschien zelfs wel tot een hindernis voor zijn toewijding aan God?

Het 'laboureuze' leven

Volgens het evangelie hebben mensen als kinderen liefde, zorg en aandacht nodig. God boog zich daarom vanuit Zijn hemelse hoogte naar hen over. Hij had hen lief, verzorgde en vertroetelde hen. 'Ziet de vogelen des velds, zij zaaien niet, zij maaien niet, en toch oogsten zij' (Mattheüs 6:26). Zijn zoon was een voorbeeld van al die nederigheid en dienstbaarheid buiten welke wij mensen als tere en hulpbehoevende wezentjes niet zouden kunnen. We dienden dus nederig en dienstbaar te zijn, mensen belangeloos te helpen, écht te helpen, met wezenlijke en eerlijke arbeid. Franciscus omarmde het 'laboureuse' leven en volgde het eenvoudige timmermansbestaan van Jezus Christus.
Het natuurlijke werk verbond de mensen met de aarde, de planten en de dieren (vissers, veehouders, bosbouwers, tuinbouwers, akkerbouwers, wijnboeren . . . ), met de vruchten der natuur (timmermannen, bakkers, brouwers, slagers, koks . . .) en met de medemens (verpleegsters, onderwijzers, de dorpspastoor, de kapelaan . . .). Heel anders dan zij die het web der institutionele en papierenwerkelijkheid sponnen om de eerlijk werkende Italiaan in te vangen en leeg te zuigen (geldwoekeraars, bestuurlijke potentaten . . .).

Het contemplatieve leven

Naast het 'laboureuze' leven streefde Franciscus het contemplatieve leven na. Verbond het eerlijke werk je al met de natuur en met je medemens (en niet met het institutionele monster dat wat van God afgedwaalde, zieke geesten hadden voortgebracht) hoeveel temeer verbond vervolgens de beschouwing van dit wonder je niet met de Allerhoogste?
Gods schepping was het verhaal van God. Zijn stem. Het beleven van dit wonder- iets wat je ook deed met je eerlijke werk- was luisteren naar het verhaal van Hem die dat alles gemaakt had. Franciscus en de zijnen trokken zich regelmatig terug in de natuur, soms weken, soms maandenlang, om Gods wonderwerken te aan- en beschouwen.
Franciscus was- zoals we hebben gezien- een echte dierenvriend, een christen die de kinderlijke eenvoud der vogels bewonderde. Want zij luisterden eerder naar de stem van God dan dat hele leger verwrongen zielen dat misvormd was door menselijke schijnwerkelijkheden, door hebzuchtige en geldzuchtige, financiële webben, door machtssystemen en door de complexiteit waarmee eerlijke, eigenlijke mensen vleugellam werden gemaakt. Niet voor niets blies onze heilige dierendag het leven in.

'De harp van Sint Franciscus'

Il Lupo di Gubbio - San Francesco d'Assisi

Contempatief gedicht van Guido Gezelle

Het christelijke leven

Het 'laboureuze' en het contemplatieve leven van Sint Franciscus lagen natuurlijk verankerd in zijn christelijke leven waarin zijn toewijding aan God centraal stond. Deze hield onder meer in dat hij predikte, armen en zieken bijstond, en zondaars weer op het rechte pas bracht. Dit werk verbond hem met zijn medemens.

Sint Franciscus naastenliefde

Veel mensen zien in anderen al snel een obstakel op hun weg naar de bevrediging van hun behoeften. Zeker als het gaat om andersdenkenden, armoedzaaiers, vreemdelingen of besmettelijk zieken. Maar voor Franciscus waren zij juist heel kostbaar en kwetsbaar. Kostbaar omdat zij schepselen waren van God. Kostbaar omdat zij voor Franciscus waren als schapen voor hun herder. Kostbaar omdat zij als kinderen zorg en aandacht nodig hadden en bovenal liefde van hun Hemelse Vader. Kwetsbaar omdat zij verworpen waren uit de samenleving en/ of afgedwaald van de kudde en het rechte pad. Kwetsbaar omdat zij geen bestaanszekerheid hadden of erger nog dat zij als weerloze lammetjes in de wolvenklauwen van Satan de Duivel terecht dreigden te komen.

Francesco (Angelo Branduardi)

Vai ripara la mia casa ('repareer mijn huis')

Verbinding

Vriend en vijand zullen het over een ding eens zijn: Franciscus was een man van verbinding.

*Verbinding met het vrouwelijk
Als jongeman moet onze heilige zielsveel hebben gehouden van een vrouw, vrouwen of in ieder geval het vrouwelijk. Hij smachtte naar verbinding met deze geestelijke macht die lompe en onbehouwen boeren betoverde en omtoverde tot fijngevoelige en kunstzinnige ridders, en tot galante en elegante, hoofse helden.

*Verbinding met hoofse kunst
Het vrouwelijk moet hem hebben geïnspireerd. Zij moet een verrijking voor zijn gevoelsleven zijn geweest. Bovenal heeft Zij hem verbonden met de hoofse kunst. Met zang- en dichtkunst, met een wereld van vrouwelijk voelen en van vrouwelijke verhevenheid, en met het hele decor wat daarbij hoort, met haar ruisende gewaden, kastelen en torens, hoven en witte paarden, bossen en klaterende fonteinen . . . Met al haar gracieuze manieren, romantiek en wonderschone taal. Met het sublieme dat je bevrijdt uit de troosteloosheid van het dagelijkse bestaan. Uit het lelijke en uit de ontgoocheling die het (toen al) moderne, aardse bestaan teweeg bracht.

*Verbinding met het hemelse
Franciscus was al in de wolken, maar steeg nog verder op, naar het hemelse. Hij voelde zich verbonden met God- of deze nu verzonnen was of niet, maakt hier niet uit, want in zijn belevingswereld bestond Hij wis en waarachtig-, met Zijn zoon, Jezus Christus, met Maria en met Gods engelen. Een band die een stempel drukte op Franciscus gevoels- en gedachtewereld. Was het vanuit een natuurlijk streven naar verbinding met God?

*Verbinding met zijn geestverwanten
Dat zijn geloof een band smeedde met zijn medegelovigen, en in het bijzonder met zijn broeders met wie hij rondtrok om Gods Koninkrijk te verkondigen, is zonneklaar. Zij deelden hun geloof, hun idealen en hun leven, hun armoede, hun vreugde en verdriet.

*Verbinding met zijn medemens

*Verbinding met eerlijke arbeid

*Verbinding met de natuur

*Verbinding met God
Uiteindelijk moesten voor Franciscus al deze vormen van verbinding voortkomen uit en leiden tot een verbinding met God. Als het waar is dat Sint Franciscus een introverte man was, dan staat deze eigenschap verbinding met de buitenwereld geenszins in de weg. Integendeel. Hij moet zich blijkbaar van binnenuit verbonden hebben met de wereld om hem heen. Heel anders dan een extravert persoon die de beweging van de massa spiegelt.

*Verbinding met de binnenwereld/ met de grond van je natuur/ wezen

*Verbinding met kunst, taal en beeldtaal
De verbinding met God en Zijn schepping werd vertaald in kunst, taal en beeldtaal.

Samenvattend:
Verbinding
jezelf/ je binnenwereld
je medemens
de natuur/ het platteland
eerlijke arbeid die je verbindt met de natuur/ je medemens (het 'laboureuze' leven)
de eenvoud van het evangelie
kunst, taal en beeldtaal
de van God verhalende schepping (het contemplatieve leven)
het Vrouwelijk (Maria)
het Evangelie
God


Bij Franciscus ontwaren we een duidelijke koppeling tussen zijn seksuele en religieuze gevoelens. Een koppeling die- zoals we later zullen zien- weleens niet tot deze heilige alleen beperkt kon zijn.

Waarom spreekt Franciscus zo tot de verbeelding?

Franciscus laat je dromen. Franciscus laat je draven . . . doordraven. Franciscus brengt je fantasie op hol. Franciscus laat de teugels vieren. Of je nu katholiek bent of niet. Gelovig of niet. Blijkbaar is er iets- God mag weten wat- in deze man wat we herkennen en/ of waar we vurig naar verlangen. Is het dat hij ons bevrijdt uit de beknelling van het oneigenlijke? En ons terugbrengt naar het wezen, de ziel der dingen?

Laten we kritisch blijven. Franciscus stelt zo'n beetje dat dieren eerder luisteren naar de stem van God dan wij mensen. Maar waarom zou dat in Hemelsnaam zo zijn? En kun je dat misschien ook anders duiden (zonder dat je het hier letterlijk hebt over God)?

Vervreemding

Franciscus maakte mensen gevoelig voor wat mooi, wat schoon was. Tegelijkertijd legde hij alle goddeloze lelijkheid af en nagelde hij al het óneigenlijke aan het kruis- Christus had al onze zonden op zich genomen en stierf met hen een marteldood-.
Als geen ander merkte Franciscus op dat de samenleving ziek was en afgedwaald van God. Dat veel Italianen vervreemd waren geraakt. Verschillende vormen van vervreemding kwamen in het Italië van de dertiende eeuw als sombere wolken binnendrijven.

*Vervreemding van jezelf
Een grote groep mensen was 'ge-extra-verteerd'. Zij hadden zich afgekeerd van hun eigenlijke wezen om zich te richten op maatschappelijke maniertjes, met als doel om zich te verrijken, gevierd te worden en/ of macht te verwerven. Zij hulden zich in het kleed van maatschappelijke schijn en sier, verhulden hun eigenlijke wezen, en begrepen steeds minder van zichzelf. Van de ander evenmin.

*vervreemding van de ander
Vervreemding van jezelf leidt onvermijdelijk tot vervreemding van de ander. We REDUCEREN onszelf tot maatschappelijke objecten in een politiek/ economisch spel. Een mens wordt een salaris, een positie, een carrière, een object.

*vervreemding van natuur en platteland
De mens vervreemdde steeds verder van zijn eigen natuur. Dat drukte onverbiddelijk zijn stempel op zijn omgeving waar steeds meer grauwe, mensonvriendelijke steden en fabrieken verrezen. En in zo'n onnatuurlijke wereld en met zo'n oneigenlijke leefwijze vervreemdde hij nog verder. Een vicieuze cirkel.

*arbeidsvervreemding
Eigenlijke arbeid verbond je met de natuur, het platteland en met je medemens. Deze voorzag in je natuurlijke behoeften die best bourgondisch mochten zijn. De vruchten van eerlijke en ambachtelijke arbeid moesten gevierd worden! Ere aan de schepper en aan Zijn werklieden! Sint Franciscus was verre van een droge, verzuurde geest die vond dat alles klein, sober en troosteloos diende te zijn. Franciscus schuwde, ook als heilige, feesten niet, zolang deze maar bruisten of gingen bruisen vanuit Gods bron.
Echter, vaklui werden door de arbeidsdeling steeds vaker veroordeeld tot zielloze arbeid. Ze hadden hun productie of dienstketen niet meer in handen. Ze vervreemdden van hun werk. Terwijl een hele klasse zich verrijkte in een fictieve economie waarin het niet meer draaide om de eigenlijke dienst of de eigenlijke productie.

*Institutionele vervreemding
Hoewel Franciscus nadrukkelijk binnen de gelederen van de Rooms Katholieke Kerk wilde blijven, begreep hij in tweede instantie dat zijn visioen niet alleen letterlijk betekende dat hij kerken moest wederopbouwen, maar ook figuurlijk; de Kerk als instelling. Hij worstelde duidelijk met zijn gevoelens ten aanzien van de clerus die hij als goed katholiek diende te gehoorzamen. Een clerus die getuigde van lui- en laksheid. Die baadde in luxe en comfort, maar die de weg van Christus met al haar offers wél schijnbaar, maar liever toch niet al te echt wilde volgen. Franciscus wilde een nieuwe koers varen- of liever de koers die Christus had uitgezet- tégen de stroom van de kerk in. Dat leidde tot een aantal gewaagde optredens voor de 'troon' van de bisschop en zelfs die van de paus.
Verder zal hij aanstoot hebben genomen aan van allerlei papieren werkelijkheden, waaronder juristerij die met van allerlei wetten en regels al snel aan de aard en het wezen van de mens voorbijging, en die veelal niet aansloot bij zijn natuur en dagelijks leven. Hij zal Jezus indachtig zijn geweest die zijn luisteraars leerde dat de Mozaïsche wet niet vanbuiten, vanuit haar letter en complexiteit moest worden nageleefd, vanwaar zijn afkeer tegen de farizeeën en schriftgeleerden, maar juist van binnenuit, vanuit het hart en vanuit zijn evangelische eenvoud. Op een introverte wijze dus. We herinneren ons Augustinus nog wel die benadrukte dat Gods wet in onze ziel was gelegd (en dat daardoor zelfs heidenen een moreel kompas konden hebben).
In navolging van Gods Zoon zal Franciscus het niet hoog op hebben gehad met de Belastingdienst (om deze gemakshalve maar even zo te benoemen). Toch zal hij net als Jezus zich juist over tollenaars hebben ontfermd om hen weer terug te brengen op het rechte pad.

*Vervreemding van God
Uiteindelijk kwamen alle voorgaande vormen van vervreemding in zijn optiek vast voort uit de vervreemding van God.

Vanuit de intuïtie

In de voorgaande artikelen hebben we vanuit kunst, religie en filosofie geprobeerd inzicht te krijgen in de mens. In zijn belevingswereld, en in wat hem verbindt met zichzelf en de wereld om zich heen. Of wat hem in ieder geval zich daarmee verbonden doet voelen of weten. De door ons onderzochte bronnen zijn grotendeels intuïtief van aard. Later zullen we ons vraagstuk ook vanuit andere perspectieven bekijken.

Toch willen we hier benadrukken dat juist deze intuïtieve bronnen veel zeggen over ons mensen. Ze bieden namelijk een inkijk in onze belevingswereld en in ons verhaal. Ze laten zien waar wij vandaan komen en wat er in ons verborgen ligt. Kortom, ze zijn zeer waardevol voor onze wijsgerige reis.

Maar waar staan wij nu? Wat is het beeld van de mens dat wij krijgen na deze duizenden jaren lange reis door de tijd?

Verbinding vanuit een gelaagde binnenwereld

Op onze reis werd het steeds duidelijker dat wij ons verbonden voelden met verschillende werkelijkheden of lagen van de werkelijkheid. Met de natuur, de kosmos en metafysische werelden. Met creatieve en scheppende krachten. Met het universele Mannelijk & Vrouwelijk. Met goden en godinnen. Met God en met het Goddelijke. Op verschillende wijzen en in verschillende gemoedstoestanden.

Steeds duidelijker werd ook dat wij dit deden vanuit onze binnenwereld. Met de astrologie trad de kosmos al bijna letterlijk bij ons binnen. De mens keerde zich met zijn geheugen, innerlijke waarnemingen, prenatale kennis en wat dies meer zij steeds verder naar binnen.

Derhalve spiegelde de macrokosmos zich in de microkosmos. Niet alleen buiten ons, maar ook in ons konden we de verschillende werkelijkheden of lagen van de werkelijkheid terugvinden. In ieder geval, in onze beleving. Hierdoor ontstaat het volgende beeld van binnen- en buitenwereld:

DE BINNENWERELD
Het Goddelijke (God/ godenparen/ goden & godinnen)(0)
Het Universele Mannelijk & Vrouwelijk (1)
Scheppende & creatieve kennis en krachten/ Inspiratie (2)
Logos/ interne kennis/ intern onderwijs/ Jezus (3)
Metafysische werkelijkheden (Wiskundige werkelijkheid/ Ideeënwereld)(4)
De Kosmos (astronomische en astrologische werkelijkheden)(5)
De Natuur (6)
Het geheugen/ Kennis/ Prenatale Kennis/ Gevoel/ Kennis die de Mogelijkheid tot Leven biedt (7)
Het Innerlijke Lichaam/ De Innerlijke Zintuigen/ Innerlijke Waarneming (8)
BUITENWERELD EN BUITENKANT
Het lichaam/ De Zintuigen/ Externe Waarneming (9)
De Natuur (10)
De Kosmos
Kennis die de Mogelijkheid tot Leven biedt
De Metafysische Werkelijkheid (De Wiskundige Werkelijkheid/ De Ideeënwereld)
De Logos
Scheppende en creatieve kennis en krachten
Het Universele Mannelijk & Vrouwelijk
Het goddelijke


Zoals we, bijvoorbeeld, in ons artikel over de astrologie en de astronomie hebben kunnen zien, staan veel (zo niet alle) verschijnselen met elkaar in verband. Zo hebben we- om maar eens iets te noemen- dag en nacht doordat de aarde om zijn eigen as draait. Bovendien is het zonneklaar dat wij mensen associatief denkende en voelende wezens zijn. We leggen voortdurend verbanden en associëren erop los. Vanaf onze vroegste geschiedenis creëren of ontdekken we symbolische werkelijkheden en scheppen we onze eigen mythen.

We herinneren ons vast de mythe en afbeeldingen van de Egyptische Nijlgodin, Isis of Hathor, nog wel en hoe het Vrouwelijk daar werd geassocieerd met vogels, water, koren, horens, zon en maan. Met allemaal van dit soort symbolische werkelijkheden, mythen, religies en filosofieën kunnen we bovenstaand schema gemakkelijk uitbreiden tot een web van associaties en verbanden.

Zo legden ze in de grotkunst een duidelijk verband tussen de natuur (dieren) en het Mannelijk en het Vrouwelijk, in het Oude Europa tussen het Vrouwelijk, de Natuur (eieren, vogels, water en slangen) en godinnen, en in de astrologie tussen de kosmos en ons karakter. In de Griekse Oudheid werd ons geheugen vol prenatale kennis in verbinding gesteld met de ideeën (Plato) of de kosmos met een metafysische (mathematische) werkelijkheid en onze innerlijke waarneming (Pythagoras). Bij Sint Augustinus liep een lijn van God tot in het diepst van onze ziel, terwijl in Oosterse culturen schepping, schoonheid en kunst leidden naar de Liefde, de vereniging van het Universele Mannelijk en Vrouwelijk en nog verder door naar een Godenpaar (Shiva en Shakti), en van daar weer naar rituelen. Lichamen leidden naar de ziel, en het individuele weer naar het universele en andersom. Over en weer. Of hoe zat het in de Hoofse cultuur? Troonde daar de schone Dame niet in het hart van haar ridder?

web

Interessante literatuur

Het leven van Sint Franciscus (Vita beati patris nostri Francisci), Thomas van Celano

Saint Francois d'Assise, Jacques Le Goff



hirondelle

Abaelardus, over geloven, weten en logica

Hoewel Pythagoras zijn leven wijdde aan de harde logica der mathematiek, stond bij hem ontvankelijkheid voor de metafysische werkelijkheid centraal. Met je geestesoog kon je de schoonheid en harmonie der wiskunde overal in de kosmos ontwaren en diep vanbinnen ervaren. Wiskunde zat in het Grote Gevoel, en het Grote Gevoel in de Wiskunde. Wiskunde was schoonheid, kunst. En kunst en schoonheid waren wiskunde.

Ook bij Plato draaide het om de innerlijke waarneming waarbij je geestelijke zinnen werden betoverd door de zuivere vormen. In die zin een openbaring. Niet iets dat de vrucht was van buiten je gevoel om redeneren, van koel verstand. Van afstand tot je binnenwereld. De lijn van het Grote Gevoel en Innerlijk Weten- om het zomaar even te noemen- zette zich vanaf Pythagoras en Plato, via Augustinus, voort tot aan Sint Franciscus aan toe. Maar ho, wacht even . . . !

Abaelardus

Stromingen roepen tégenstromingen op, het Grote Gevoel het koele verstand. Iets dat in eerste instantie nu niet bepaald lijkt te passen bij Abaelardus. Abaelardus (Abélard) werd geboren in het jaar des Heeren 1079, in de buurt van de Franse stad Nantes. Ruim honderd jaar eerder dan Franciscus. Toch hing Franciscus ergens al in de lucht. Werd zijn reactie bepaald door iets dat komen ging? Of door iets waar hij bang voor was? En dat hij wilde afwenden?

Abaelardus moet zonder twijfel warmbloedig zijn geweest. Hartstochtelijk verliefd op zijn Héloïse. Hij moet in vuur en vlam hebben gestaan. Zijn liefde voor haar moet hebben gebrand in zijn lijf en in zijn ziel.

Want wat was er precies aan de hand? Abaelardus was een kei in de filosofie die zelfs zijn vermaarde leermeester (Willem van Champeaux) in de ingewikkelde universaliënstrijd op de knieën kreeg. Zijn roem ontging dan ook niet aan een zekere kanunnik, Fulbert genaamd. Fulbert was de oom van een wonderkind, een 17 jarig meisje dat schitterde in de schrijfkunst en de wijsbegeerte. Geen wonder dat Fulbert de briljante Abaelardus wilde aanstellen als leermeester van zijn nichtje.

Hij mocht zelfs bij Fulbert intrekken om de eenvoudige reden dat deze Héloïse bij haar oom inwoonde. En daar zat hij dan, alleen met een magisch meisje op een studeerkamer. Zij moet hem daar betoverd hebben met haar intellectuele kracht en vrouwelijkheid, die één waren wellicht. Charmant moet ze geweest zijn, betoverend mooi voor de jonge leermeester die zijn ogen niet in zijn zak had zitten. Zijn fysieke ogen niet, maar zeker ook zijn geestesoog niet. Maar niet alleen hij, maar ook zij raakte in bekoring. En zodoende kwamen zij van hun filosofie in een vurige verliefdheid terecht, en van hun wijsbegeerte in de begeerte naar elkaar. Hun zielen verenigden zich in het hogere weten, en hun lichamen in de liefde. Het meisje raakte zwanger.

Als dieven in de nacht gingen zij er in een koets vandoor naar ver, ver van Parijs. Naar Bretagne om precies te zijn. Daar trouwden ze in het geheim . . .

De wraak van oom Fulbert was, zoals te verwachten viel, niet mals! Hij liet de arme Abaelardus castreren. De wegen van het koppeltje moesten scheiden; het hoogbegaafde meisje belandde in een klooster. Of toch niet helemaal . . . Of helemaal niet . . . Want onze minnaar en minnares uit de middeleeuwen bleven elkaar trouw . . . en minnebrieven schrijven. Daarmee verwierven zij de faam van archetypisch liefdespaar evenals een Romeo en Juliette.

Héloïse & Abélard

De ratio versus het gevoel

We zitten in het katholieke Frankrijk van eind 11e begin 12e eeuw. Een periode waarin het Roomse Rijk zich moest hoeden tegen van allerlei 'valse' religies, 'goddeloze' godsdiensten en andere 'dwalingen'die haar vanuit verschillende hoeken en gaten bedreigden. Zo was daar allereerst de Islam die zijn stempel drukte op de landen aan de andere kant van de Middellandse Zee. Verder had je nog andere 'eigenwijze' monotheïsten als de Joden en de katharen die zich niet braaf aan de katholieke geloofsleer hielden, om van de heidenen die helemaal niet in God geloofden of juist in meerdere goden nog maar niet te spreken.

Het katholicisme moest verdedigd worden, te vuur en te zwaard. Letterlijk- de eerste kruistocht begon in 1096-, maar ook figuurlijk. Er moest BEWEZEN worden dat het katholicisme het 'ware' geloof was en het 'rechte pad'.En dat er aan de Heilige Drie Eenheid niet te tornen viel.

Daar stond je dan met je geloof. Je geloof, maar wat bewijst het? Want geloven is nog geen weten. Stel je voor dat de rechter zegt, 'ik geloof dat je schuldig bent', dan zal iedereen dit ervaren als een onvoorstelbaar zwaktebod. Een kwaadwillende rechter zal er dan op zijn minst valse bewijzen met de haren bijslepen, en zeker niet volstaan met de povere mededeling dat hij alleen maar 'gelooft' dat jij het hebt gedaan.


BEWIJZEN, dat was waar het bij Abaelardus om draaide. Bewijzen dat zijn geloof het ware was. Alleen . . . hoe deed je dat? Gelukkig voor Abaelardus circuleerden er in Europa vertalingen van Aristoteles werken, dankzij . . . Islamitische Arabieren en Joden! Aristoteles . . . die met de logica kwam. De rede, het verstand, de ratio.


Abélard (La Foi prise au Mot)

Abelard (The History Channel)

De logica van Aristoteles

Aristoteles . . . we herinneren hem nog wel als de Griekse filosoof die de ziel aan het leven koppelde, en het leven aan het lichaam. De Griek die de ziel uít de materie liet komen (zij het met een immateriële grondoorzaak, de 'Onbewogen Beweger') en ín de materie plaatste (de ziel was immanent). De filosoof die vond dat alle soorteigenschappen NIET VOORAF aan bijbehorende individuen gingen, als een soort stempel (of ontwerp in de geest van de Schepper), MAAR ACHTERAF in onze waarneming en analyse aan deze individuen werden toegeschreven. Toegedicht. In onze denkwereld toegekend. Op 'nominalistische', inductieve wijze.

Als we, bijvoorbeeld, honderd witte zwanen hebben gezien, en uitsluitend en alleen witte zwanen, dan kennen we de soorteigenschap 'wit' toe aan al deze individuen. 'Zwanen zijn wit'. Maar pas op! Wie onze aardbol verder afzoekt, ontdekt ook zwarte zwanen! 'De witte zwaan' was een spook in onze gedachten, en het wit geen kenmerk van een stempel, of ontwerp voor iedere zwaan. Geen eigenschap in iedere individuele zwaan! Maar een kenmerk waarmee we zélf een verzameling maakten. Een mentaal construct.

NB Je kunt op basis van losse eigenschappen en/ of combinaties verzamelingen maken van individuen/ exemplaren. Zo kun je een verzameling maken van 'rode vruchten'. Daartoe behoren 'rode bessen' en 'tomaten'. Ze maken duidelijk deel uit van dezelfde verzameling, maar ze zijn daarmee nog niet IN ESSENTIE hetzelfde. Evenzo kun je op basis van een hele serie kenmerken/ eigenschappen de verzameling 'Zwanen' maken. Dat betekent hier evenmin dat alle individuen uit de verzameling 'Zwanen' dan ook in essentie hetzelfde zijn. Je kunt je dus afvragen of het 'zwaan-zijn' een wezenlijke eigenschap is, of slechts een etiket voor een verzameling die is ontstaan uit de verdeling van een aantal min of meer willekeurige kenmerken over verschillende individuen/ exemplaren.

Toch is hiermee niet alles gezegd. In de universalieën strijd vind je ook tegenstanders van een dergelijke meer 'nominalistische' opvatting. In hun ogen behoort het 'zwaan-zijn' weldegelijk tot de essentie van het dier. (Het is een reële verzameling.)

Maar wat heeft deze uitweiding te maken met het bewijzen van de 'waarheid' van het katholieke geloof? Want dat was waar het onze Abaelardus om ging! Als aartsvader der biologen begreep Aristoteles als geen ander dat je met je analyse en met je verstand eigenschapen (predicaten) kon toeschrijven aan individuen of exemplaren (subjecten), en dat je zodoende verzamelingen kreeg ('witte zwanen') of juist niet (maar deze zwaan is zwart). Vervolgens ontdekte hij dat er van allerlei verbanden bestonden tussen deze verzamelingen, deelverzamelingen, lege verzamelingen en losse exemplaren/ individuen. Dat er verbanden bestonden die (noodzakelijk) WAAR waren, OF ONWAAR. En dat er zelfs verbanden bestonden die geldig of ongeldig waren los van de materiële inhoud! Vergelijk:

*Alle zwanen zijn wit / Dus er is tenminste één zwaan die wit is (WAAR)
*Tenminste één zwaan is wit/ Dus alle zwanen zijn wit (ONWAAR)
*Alle x-en hebben de eigenschap Y/ Dus er is tenminste één x die de eigenschap Y heeft (LOS VAN MATERIËLE INHOUD WAAR)
(Wat x en Y verder ook mogen zijn!)

De bewijskracht van de logica

Aristoteles legde onwrikbare waarheden bloot, onwankelbaar in hun logische werkelijkheid. Aristoteles bewees met zijn termenlogica dat je dingen kon afleiden of bewijzen met het verstand zonder dat je ze zelfs hebt gezien of waargenomen!

Laten we even om dit te illustreren een sprong in de tijd maken, bijna duizend jaar verder, naar de Limburgse medicus/ bioloog Eugène Dubois (we komen later nog uitgebreid op hem terug). Wat wist hij?

*Mensapen lijken (het meest) op mensen (delen veel kenmerken)

*De verschillen tussen mensen en mensapen zijn (desalniettemin) groot

*Evolutie verloopt geleidelijk (uit een muis ontstaat niet plotsklaps een olifant)

Hieruit kon hij logisch afleiden (met een geldige redenering) dat er een ontbrekende schakel moet zijn geweest; eentje die dus nog meer op de mens leek dan de mensapen. Hij wist zodoende dat er een aapmens moet hebben bestaan zonder dat hij die ook maar ooit had gezien! Overigens werd zijn logische afleiding later gestaafd in de materiële werkelijkheid: De overblijfselen van de missing link werden daadwerkelijk gevonden!

Het voorbeeld mag illustreren dat je met de rede het onzichtbare logisch zichtbaar kunt maken, bewijzen, en dat was nu precies wat Abaelardus wilde! Want was God niet onzichtbaar en wilde hij niet bewijzen dat Hij er was?!

De termenlogica van Aristoteles

De werken van Aristoteles die tot nog toe in het middeleeuwse Europa onbekend waren (of misschien ondergronds gingen), brachten met hun bekendwording op ons continent een aardschok teweeg. Zij legden een fundament voor de scholastiek, een denkrichting die de katholieke, intellectuele wereld met haar universiteiten steeds verder in haar greep kreeg. Met name de termenlogica van Aristoteles leek daarbij van grote betekenis.



Een kleine impressie van de termenlogica

Subjecten en predicaten

Als voorvader van de biologie zal het toekennen van eigenschappen (predicaten) aan individuen (subjecten) hem niet vreemd zijn geweest. Zo heb je, bijvoorbeeld, de attributieve zin 'Een Zwaan (subject) is een Vogel (predicaat)'. Schematisch weer te geven als, 'Vz'. Subject en Predicaat worden aan elkaar gekoppeld middels een koppelwerkwoord of copula (zijn).

Ps
Predicaat Subject
P: Wit (is) S: de zwaan


Proposities

We krijgen nu een korte zin (PROPOSITIE) waar we (in principe) een oordeel aan kunnen geven (WAAR of ONWAAR). Bijvoorbeeld: 'Een zwaan is een vogel', WAAR, of 'De gans is een vis', ONWAAR. In beginsel kan een PREDICAAT worden toegekend (een BEVESTIGING) of juist niet (een NEGATIE). Zo is 'Een zwaan is een vogel' een bevestiging, maar 'Een zwaan is geen vogel' een negatie. Schematisch weer te geven als:

PROPOSITIE
BEVESTIGING
Vz
VOGEL zwaan (Een zwaan is een Vogel)
NEGATIE
¬ Vz
NIET VOGEL zwaan (Een zwaan is geen vogel*)


NB *Het is niet zo dat een zwaan een Vogel is = Een zwaan is geen vogel

Operatoren en scope (reikwijdte)

Let wel: Een ontkenning (en dus ook de operator ¬) heeft een bepaalde reikwijdte, scope. Zo kan de negatie slaan op het Subject, 'Niet de zwaan (maar de forel) is een vis', op het Predicaat, 'De zwaan is geen vis (maar een vogel)', of op de hele propositie 'Het is niet zo dat de zwaan een vis is'. De logica heeft zich uitgebreid:

Propositie
Operator: bevestiging Operator: negatie
Ps ¬ Ps


We hebben het tot nog toe slechts gehad over een bepaald individu (de zwaan). We hebben gekeken naar de eigenschappen en hoedanigheden (de kwaliteit), maar niet naar de gehelen (verzamelingen), de delen (deelverzamelingen) en de losse individuen/ exemplaren ( d.w.z. de kwantiteit). Voor het KWANTIFICEREN heeft de termenlogica twee KWANTIFICATOREN:

OPERATOREN:
NEGATIE ¬
UNIVERSELE KWANTOR (ALLE)
EXISTENTIËLE KWANTOR (SOMMIGE)


Zo krijgen we, bijvoorbeeld:

*Alle (∀ ): 'Alle zwanen zijn vogels'

*Tenminste één/ sommige (∃ ):'Er is tenminste één zwaan die een vogel is/ Sommige zwanen zijn vogels'

Gevolg: het aantal soorten proposities breidt zich nog weer verder uit:

Ps
∀Ps (SaP)
∃Ps (siP)
¬Ps
∀(¬Ps) (SeP)
∃(¬Ps) (SoP)


Achtereenvolgens:
*SaP: Alle
Alle zwanen zijn vogels
*SiP: Sommige (tenminste één)
Sommige zwanen zijn zwart
*SeP: Alle niet/geen
Alle zwanen zijn geen vis/ Geen enkele zwaan is een vis
*SoP: Sommige niet/geen
Sommige waterdieren zijn geen vis/ Niet alle waterdieren zijn een vis

Nu hebben we vier oordelen (SaP ; SiP ; SeP ; SoP) die WAAR of ONWAAR kunnen zijn. Ze kunnen als volgt ruimtelijk worden weergegeven:

termenlogica

Wat we hier zien is hoe we met slechts twee cirkels/ vierkanten (verzamelingen) 4 bovengenoemde oordelen kunnen genereren!

Maar we kunnen vrolijk verder gaan door deze vier oordelen ook nog eens met elkaar te kruisen:

X SaP SiP SeP SoP
SaP
SiP
SeP
SoP


Voor onze ogen ontvouwt zich een heel verbandensysteem dat we (in principe) eindeloos kunnen blijven uitbreiden. We krijgen zodoende een heel verbanden-web.

De gegenereerde combinaties kunnen GELDIG zijn OF ONGELDIG zijn. Zo is de combinatie SaP x SeP geldig (Als de uitspraak 'Alle zwanen zijn wit' WAAR is, is de uitspraak 'Er is tenminste één zwaan wit' dat eveneens). Terwijl de combinatie SeP x SaP per definitie ONGELDIG is (Als de uitspraak 'Er is tenminste één zwaan wit' WAAR is, betekent dit NIET automatisch of logischerwijze dat de uitspraak 'Alle zwanen zijn wit' dan ook WAAR is).
(In het tweede geval is er sprake van een zogenaamde inductie fout; als een of een paar x-en de eigenschap y heeft/hebben, mogen we niet concluderen dat alle x-en de eigenschap y hebben.)



Het verbandensysteem van de termenlogica geeft ons een instrument in handen om te verifiëren of een redenering GELDIG is of juist niet (ONGELDIG). Of de verbanden kloppen of niet. Of de redenering zodanig is dat de conclusie op basis van het verbandensysteem juist is afgeleid of niet. Of de conclusie logisch volgt uit de informatie waarover we beschikken (premissen) en de aannames die we hebben gedaan (assumpties) of niet. Of de conclusie ook waar is als de premissen dat zijn of niet.

Wanneer we, bijvoorbeeld, op basis van de premissen 1) Niet alle waterdieren zijn vissen en 2) Walvissen zijn waterdieren afleiden dat 3) Walvissen vissen zijn, dan kun je aan de hand van de termenlogica BEWIJZEN dat deze redenering niet klopt. Nu is deze redenering nog tamelijk eenvoudig en overzichtelijk. We lijken hier de termenlogica niet perse nodig te hebben, al missen we wel ieder logisch BEWIJS wanneer we zomaar vaststellen dat deze redenering niet klopt. Maar we kunnen ons makkelijk voorstellen dat bij veel ingewikkelder redeneringen we NIET zomaar kunnen vaststellen of de redenering wel of niet klopt, en dat de termenlogica hier uitkomst biedt.

Het mag geen wonder heten dat uit de herontdekte termenlogica van Aristoteles een hele redeneerkunst werd ontwikkeld. Deze speelde- zoals we hebben gezien- een kapitale rol bij de latere scholastici.

Subjectief versus objectief

Gevoel dat je een weg bood naar de natuur, naar de kosmos en/ of naar hogere werkelijkheden. Wat bleef er in de optiek van deze verre voorlopers van het rationalisme van over? Het gevoel, en dus ook enkel geloof, waren in hun ogen eerder iets individueels, iets subjectiefs tegenover een feitelijke werkelijkheid die we op een universele en objectieve wijze dienden te begrijpen. D.w.z. met de ratio, de harde logica en het koele verstand. Daardoor werden de tegenstellingen tussen gevoel en rede en tussen objectief en subjectief zo niet geïntroduceerd dan toch op zijn minst wel sterk aangescherpt. Des temeer omdat het gevoel ons een rad voor ogen kon draaien, ons op een dwaalspoor kon zetten en verstrikken in de zottigheid van 'dwaze godsdiensten en geloofsleren'.

Met ons logisch verstand naar Gods beeld geschapen

De mens was begiftigd met de rede, het verstand. Dit vermogen hadden we meegekregen van de Schepper, want waren wij immers niet naar Zijn beeld geschapen? En moesten wij ons dan niet van dit goddelijke vermogen bedienen om Hem te vinden? Om te bewijzen dat Hij er was? Om aan te tonen wat het ware geloof was?

God had met de Logos alles op een logische wijze geordend en geschapen. Dus als wij naar Zijn beeld waren gemaakt, was het niet voor niets dat wij met ons logische verstand moesten ordenen, bewijzen en begrijpen.

Bernard de Clairvaux, openbaring versus rede

Sint Bernardus moest in toorn verstoken zijn geweest. Die Abaelardus met zijn logica moest hem een doorn in het oog geweest zijn. Hoe durfde hij?! Hoe haalde hij het in zijn hoofd te denken dat God zich zou manifesteren met zoiets als menselijke logica?!

Was het omdat hij voorvoelde dat je met je rede wel eens in je eigen zwaard kon vallen? Dat daarmee net zo goed het tegendeel kon worden bewezen? Dat als die logica al werkte, het hovaardig was om te denken dat wij kleine mensjes die met ons verstand hadden ontdekt, of erger nog uitgevonden? En dat die logica dan op zijn minst door God aan ons moest zijn geopenbaard?

Zeker, voor Sint Bernardus kon kennis van God enkel en alleen voortstromen uit de bron der openbaring. God liet Zich kennen via wonderen, visioenen en profetieën, middels Zijn Woord en doorheen Zijn schepping, maar Zich níet vinden met zoiets als het kale en koele verstand.

Abaelardus kon niet anders dan deze Bernardus dan ook op zijn weg vinden. En dat was wat gebeurde: Bernardus beschuldigde Abaelardus onverbiddelijk van ketterij. De zaak moest zelfs aan de paus worden voorgelegd.

Bernardus van Clairvaux

Maar wie was deze Bernardus? Bernardus (1090-1153) was abt van een cisterciënzer monnikenklooster in Cîteaux (Bourgogne). Al snel stichtte hij een dochterklooster in Clairvaux (Champagne-Ardenne), vanwaar zijn naam Bernardus van Clairvaux.

Mede dankzij deze strijdvaardige abt rezen de cisterciënzerkloosters als paddenstoelen uit de grond, zowel monniken- als nonnenkloosters. De cisterciënzers hadden tot taak het ware geloof te prediken tot in alle uithoeken en gaten. Tot in de meest onherbergzame streken, compleet met hoge bergen, moerassen, en ondoordringbare bossen, waar met de wolven en ander wild gedierte ook nog ongelovigen woonden die gekerstend dienden te worden.

Woestenijen moesten ontgonnen worden, Cisterciënzerkloosters gesticht, en landbouwgronden aangelegd. Molens verrezen, watermolens en windmolens, om de landbouw te mechaniseren en tijd uit te sparen voor het contemplatieve leven en de aanbidding van God. De orde was gericht op de landbouw, op het ambacht en op de vruchten der aarde, die verhaalden van God. Daar hoorde Bourgondisch genieten bij. Geen wonder dat vele van deze kloosters reeds in de middeleeuwen hun abdijbieren brouwden. Tot op de dag van vandaag worden verschillende abdijbieren (waaronder Trappistenbieren) zoals Affligem en West Malle, Grimbergen en Gerardus, Leffe, Chimay en . . . Sint Bernardus volop op terrassen en in cafés geserveerd.


Onze heilige nu- want daar hadden we het eigenlijk over- stond voor het ONMIDDELLIJKE geloof. Wat betekende dat? Dat betekende volgens hem dat het geloof vanuit het hart beleefd en beleden diende te worden en dat daar niet iets als logica tussen mocht komen. Bernardus was een uitgesproken aanhanger van het emotionele christendom en verwierp iedere poging om het geloof te rationaliseren.


Een gevoelsmens moet deze heilige zeker zijn geweest: Hij was een vurig vereerder van Maria. Opmerkelijk: Hij benadrukte zelfs haar rol van middelaar tussen God en ons mensen waardoor brave katholieken ook hun gebeden tot haar konden richten. Sterker nog: geregeld dienden te richten. Zij mocht worden aangeroepen voor ons wel en wee en kreeg daarmee een zweem van goddelijkheid. Bernardus noemde haar zelfs de 'koningin der hemelen', en tot op de dag van vandaag struikel je zowat over de Mariabeelden en Mariakapellen in onze zuidelijke en katholieke landen. En daarin mag zeker de lange adem van Bernardus gezien worden, zij het dat hij voor zijn gedachtengoed een vruchtbare bodem had gevonden.

Maar waarom bekroonde hij juist Maria met het middelaarschap (eerder dan Jezus)? Wat stak daarachter? Was het omdat het monotheïsme de godin had verdreven en uitgebannen? Het vrouwelijk geen vorm had gegeven? Geen stem, geen beeld, geen symbool? Omdat een oerkracht was genegeerd? Een natuurkracht verzwegen? En een natuurwet overtreden? Of was het omdat Bernardus zijn natuurlijk streven naar vereniging met het vrouwelijk voelde branden in zijn ziel als een zeeman aan wal zijn verlangen naar zee? En hij de macht waarnaar hij smachtte, en waaraan hij onderworpen was wilde vangen in beeld? In een symbool? In een godin? Of toch op zijn minst in een heilige uit 'vrouwelijker sferen . . . '?

Laten we inzoomen op haar rol van middelaar. Want juist die rol is veelzeggend. Maria was een middelaar, of liever middelares tussen boven en beneden. God en ons mensen. Ja, want enerzijds reikte zij in haar heilige, sublieme vrouwelijkheid tot in de hemel, maar anderzijds stond zij als moeder en vrouw dichtbij ons en kon je een intieme band met haar hebben.

Dit diepe inzicht van Bernardus leidde tot een wervelend succes! Had de katholieke kerk ook maar ooit zolang stand kunnen houden zonder de Mariabeleving? En zijn er zelfs tot in onze moderne tijden aan toe geen zeeën van gelovigen die getuigen van een innige Mariaverering?!

Bernardus was een man van het Grote Gevoel. Van het sublieme waarin wij onszelf compleet overstijgen. Waarin wij van de liefde voor een man of vrouw kunnen opstijgen naar universele, ja zelfs goddelijke liefde. Waarin onze seksuele en religieuze gevoelens samenstromen en elkaar opstuwen tot de beleving van overweldigende spirituele schoonheid en verbondenheid. Tantra, godenparen en Hoofse culturen mogen hier op intense en indringende wijze van getuigen. Maar zijn gevoelswereld had ook zijn keerzijde. Of liever gezegd zijn schaduwkant. Met zijn vurige karakter bestreed hij de ketterij. Allereerst die van de katharen in Zuid Frankrijk en later die van de moslims aan de overzijde van de Middellandse Zee. Hij riep zelfs op tot een tweede kruistocht.

Dualismen: lichaam-ziel, objectief-subjectief & gevoel-rede

We hadden al gezien dat Griekse filosofen als Plato en Pythagoras het lichaam tegenover de ziel stelden. Dit dualisme werd verder uitgewerkt in de boeken van Augustinus.

Met Abaelardus en Bernardus dook echter nog een ander dualisme op. Nu werd (ook) het gevoel tegenover de rede gesteld, het hoofd tegenover het hart. Voor zover deze tegenstelling niet nieuw was, werd deze verscherpt. Verhard.

Voor de scholastici waaronder Abaelardus was de rede het belangrijkste kenmerk van de menselijke ziel. Het verstand waarmee we kunnen analyseren, logisch redeneren en een mentale, objectieve weerspiegeling maken van de feitelijke werkelijkheid. De menselijke ziel wordt hier derhalve gepercipieerd als een actief, mentaal construerend verschijnsel.

Echter, voor een Bernardus, in navolging van een Augustinus, een Plato en een Pythagoras, is de menselijke ziel vooral een meer passief, ontvankelijk geheel. Ontvankelijk voor de wiskundige wereld, voor de metafysische werkelijkheid of zelfs voor Gods zaligheid. Ontvankelijk en adorerend want misschien school in dat laatste wel je persoonlijke, individuele kracht. Je liefde en/of je gevoel voor het schone. De ziel (de microkosmos) was in hun ogen eerst en vooral een spiegel van de macrokosmos.

Van binnenwereld naar brein

Was onze binnenwereld geen bibliotheek? Daar waar de ware, onvervalste kennis lag? Die der mathematica en metafysica? Die van wiskundige verhoudingen en wiskundige schoonheid? En die van God en Gods schepping? Was zij niet vol zalen en zeeën? Zeeën ideeën die daar in hun oorspronkelijke pracht te blinken stonden? Werden we niet dáár onderwezen en niet dáár verlicht?

Of ging daar het licht uit? En kwam kennis niet langer vanbinnen, maar vanbuiten? Werd de binnenwereld vervangen door ons brein? En een bibliotheek door een instrument? Een 'machine' die informatie vanbuiten, die data verwerkte en omzette in mentale constructen? Met de bewijskracht van Gods logica? Met die van de Grote Klokkenmaker die alles logisch geschapen en geordend had?

De contouren van een nieuwe denkrichting begonnen zich met Abaelardus (sterker) af te tekenen.

In vogelvlucht kunnen we een ontwikkeling waarnemen waarbij velen kennis minder gingen koppelen aan onze binnenwereld en meer aan ons brein/ onze rede als instrument om de buitenwereld te kunnen begrijpen.

IN/ VANUIT DE BINNENWERELD
Te wekken/ gewekte kennis
Gevoel
Innerlijke beleving
Mathematica Verhoudingen
Wiskundige schoonheid
Metafysica Prenatale kennis
Ideeën
God Innerlijke kennis & onderwijs
Innerlijke verlichting
Onmiddellijk geloof
Het Sublieme Religieuze en Hoofse gevoelens & belevingen
Het Universum 'Spiegeling van de macrokosmos in de micrkosmos'
De Schepping
De Kosmos
De Wereld
De Natuur
Het Verhaal van God De contemplatieve ziel
De ziel als 'lezer/ luisteraar'


KANALEN VOOR KENNIS IN DE BINNENWERELD
De Ziel als Waarnemer
Interne zintuigen/ interne waarneming
De Ziel als Ontvanger (ontvankelijkheid)
De Ziel als Spiegel
De Ziel als Afdruk (van de Kosmos)
(Gevormd door God/ getekend door de Kosmos)
De Ziel als een Ten-Opzichte-Van-Zijn
(Zoals een vis t.o.v. het water)
(Zoals de vis in het water & het water in de vis)
De Ziel als Verbinder
De Ziel als Universeel Geheugen
(Herinneringen aan God/ een voor-aardsbestaan)
Intern Onderwijs (Jezus/ Logos)
De Ziel als Bibliotheek (met 'Boeken van God')
De Ziel als Lezer/ Luisteraar (naar het verhaal van God)
(De contemplatieve Ziel)




DE REDE/ HET VERSTAND
Eigenschap van God
(God/ 'de Grote Klokkenmaker' heeft alles logisch geordend en geschapen)
Functie/ vermogen van de mens
(De mens is geschapen naar Godsbeeld)
Vermogen dat een logisch en noodzakelijk WAAR verbandensysteem kan genereren
Vermogen dat een redeneerkunst met grote bewijskracht kan genereren
Instrument dat informatie uit de buitenwereld verwerkt/ analyseert
Instrument dat op afstand/ van buitenaf en op objectieve wijze verwerkt/ analyseert
Vermogen dat Godsbewijzen kan leveren
(Middellijk geloof)


De binnenwereld en dus ook kennis uit die binnenwereld verbond de mens met de wereld om zich heen. (In ieder geval in zijn beleving). De vraag rijst nu of genoemde ontwikkeling 'van binnenwereld naar brein' geen vervreemding in de hand ging werken.

INTERESSANTE LITERATUUR

A Short History of Medieval Philosophy, J.R. Weinberg

Argumentatie en formele structuur, W.R. de Jong



hirondelle

Abaelardus, over geloven, weten en logica

Hoewel Pythagoras zijn leven wijdde aan de harde logica der mathematiek, stond bij hem ontvankelijkheid voor de metafysische werkelijkheid centraal. Met je geestesoog kon je de schoonheid en harmonie der wiskunde overal in de kosmos ontwaren en diep vanbinnen ervaren. Wiskunde zat in het Grote Gevoel, en het Grote Gevoel in de Wiskunde. Wiskunde was schoonheid, kunst. En kunst en schoonheid waren wiskunde.

Ook bij Plato draaide het om de innerlijke waarneming waarbij je geestelijke zinnen werden betoverd door de zuivere vormen. In die zin een openbaring. Niet iets dat de vrucht was van buiten je gevoel om redeneren, van koel verstand. Van afstand tot je binnenwereld. De lijn van het Grote Gevoel en Innerlijk Weten- om het zomaar even te noemen- zette zich vanaf Pythagoras en Plato, via Augustinus, voort tot aan Sint Franciscus aan toe. Maar ho, wacht even . . . !

Abaelardus

Stromingen roepen tégenstromingen op, het Grote Gevoel het koele verstand. Iets dat in eerste instantie nu niet bepaald lijkt te passen bij Abaelardus. Abaelardus (Abélard) werd geboren in het jaar des Heeren 1079, in de buurt van de Franse stad Nantes. Ruim honderd jaar eerder dan Franciscus. Toch hing Franciscus ergens al in de lucht. Werd zijn reactie bepaald door iets dat komen ging? Of door iets waar hij bang voor was? En dat hij wilde afwenden?

Abaelardus moet zonder twijfel warmbloedig zijn geweest. Hartstochtelijk verliefd op zijn Héloïse. Hij moet in vuur en vlam hebben gestaan. Zijn liefde voor haar moet hebben gebrand in zijn lijf en in zijn ziel.

Want wat was er precies aan de hand? Abaelardus was een kei in de filosofie die zelfs zijn vermaarde leermeester (Willem van Champeaux) in de ingewikkelde universaliënstrijd op de knieën kreeg. Zijn roem ontging dan ook niet aan een zekere kanunnik, Fulbert genaamd. Fulbert was de oom van een wonderkind, een 17 jarig meisje dat schitterde in de schrijfkunst en de wijsbegeerte. Geen wonder dat Fulbert de briljante Abaelardus wilde aanstellen als leermeester van zijn nichtje.

Hij mocht zelfs bij Fulbert intrekken om de eenvoudige reden dat deze Héloïse bij haar oom inwoonde. En daar zat hij dan, alleen met een magisch meisje op een studeerkamer. Zij moet hem daar betoverd hebben met haar intellectuele kracht en vrouwelijkheid, die één waren wellicht. Charmant moet ze geweest zijn, betoverend mooi voor de jonge leermeester die zijn ogen niet in zijn zak had zitten. Zijn fysieke ogen niet, maar zeker ook zijn geestesoog niet. Maar niet alleen hij, maar ook zij raakte in bekoring. En zodoende kwamen zij van hun filosofie in een vurige verliefdheid terecht, en van hun wijsbegeerte in de begeerte naar elkaar. Hun zielen verenigden zich in het hogere weten, en hun lichamen in de liefde. Het meisje raakte zwanger.

Als dieven in de nacht gingen zij er in een koets vandoor naar ver, ver van Parijs. Naar Bretagne om precies te zijn. Daar trouwden ze in het geheim . . .

De wraak van oom Fulbert was, zoals te verwachten viel, niet mals! Hij liet de arme Abaelardus castreren. De wegen van het koppeltje moesten scheiden; het hoogbegaafde meisje belandde in een klooster. Of toch niet helemaal . . . Of helemaal niet . . . Want onze minnaar en minnares uit de middeleeuwen bleven elkaar trouw . . . en minnebrieven schrijven. Daarmee verwierven zij de faam van archetypisch liefdespaar evenals een Romeo en Juliette.

Héloïse & Abélard

De ratio versus het gevoel

We zitten in het katholieke Frankrijk van eind 11e begin 12e eeuw. Een periode waarin het Roomse Rijk zich moest hoeden tegen van allerlei 'valse' religies, 'goddeloze' godsdiensten en andere 'dwalingen'die haar vanuit verschillende hoeken en gaten bedreigden. Zo was daar allereerst de Islam die zijn stempel drukte op de landen aan de andere kant van de Middellandse Zee. Verder had je nog andere 'eigenwijze' monotheïsten als de Joden en de katharen die zich niet braaf aan de katholieke geloofsleer hielden, om van de heidenen die helemaal niet in God geloofden of juist in meerdere goden nog maar niet te spreken.

Het katholicisme moest verdedigd worden, te vuur en te zwaard. Letterlijk- de eerste kruistocht begon in 1096-, maar ook figuurlijk. Er moest BEWEZEN worden dat het katholicisme het 'ware' geloof was en het 'rechte pad'.En dat er aan de Heilige Drie Eenheid niet te tornen viel.

Daar stond je dan met je geloof. Je geloof, maar wat bewijst het? Want geloven is nog geen weten. Stel je voor dat de rechter zegt, 'ik geloof dat je schuldig bent', dan zal iedereen dit ervaren als een onvoorstelbaar zwaktebod. Een kwaadwillende rechter zal er dan op zijn minst valse bewijzen met de haren bijslepen, en zeker niet volstaan met de povere mededeling dat hij alleen maar 'gelooft' dat jij het hebt gedaan.


BEWIJZEN, dat was waar het bij Abaelardus om draaide. Bewijzen dat zijn geloof het ware was. Alleen . . . hoe deed je dat? Gelukkig voor Abaelardus circuleerden er in Europa vertalingen van Aristoteles werken, dankzij . . . Islamitische Arabieren en Joden! Aristoteles . . . die met de logica kwam. De rede, het verstand, de ratio.


Abélard (La Foi prise au Mot)

Abelard (The History Channel)

De logica van Aristoteles

Aristoteles . . . we herinneren hem nog wel als de Griekse filosoof die de ziel aan het leven koppelde, en het leven aan het lichaam. De Griek die de ziel uít de materie liet komen (zij het met een immateriële grondoorzaak, de 'Onbewogen Beweger') en ín de materie plaatste (de ziel was immanent). De filosoof die vond dat alle soorteigenschappen NIET VOORAF aan bijbehorende individuen gingen, als een soort stempel (of ontwerp in de geest van de Schepper), MAAR ACHTERAF in onze waarneming en analyse aan deze individuen werden toegeschreven. Toegedicht. In onze denkwereld toegekend. Op 'nominalistische', inductieve wijze.

Als we, bijvoorbeeld, honderd witte zwanen hebben gezien, en uitsluitend en alleen witte zwanen, dan kennen we de soorteigenschap 'wit' toe aan al deze individuen. 'Zwanen zijn wit'. Maar pas op! Wie onze aardbol verder afzoekt, ontdekt ook zwarte zwanen! 'De witte zwaan' was een spook in onze gedachten, en het wit geen kenmerk van een stempel, of ontwerp voor iedere zwaan. Geen eigenschap in iedere individuele zwaan! Maar een kenmerk waarmee we zélf een verzameling maakten. Een mentaal construct.

NB Je kunt op basis van losse eigenschappen en/ of combinaties verzamelingen maken van individuen/ exemplaren. Zo kun je een verzameling maken van 'rode vruchten'. Daartoe behoren 'rode bessen' en 'tomaten'. Ze maken duidelijk deel uit van dezelfde verzameling, maar ze zijn daarmee nog niet IN ESSENTIE hetzelfde. Evenzo kun je op basis van een hele serie kenmerken/ eigenschappen de verzameling 'Zwanen' maken. Dat betekent hier evenmin dat alle individuen uit de verzameling 'Zwanen' dan ook in essentie hetzelfde zijn. Je kunt je dus afvragen of het 'zwaan-zijn' een wezenlijke eigenschap is, of slechts een etiket voor een verzameling die is ontstaan uit de verdeling van een aantal min of meer willekeurige kenmerken over verschillende individuen/ exemplaren.

Toch is hiermee niet alles gezegd. In de universalieën strijd vind je ook tegenstanders van een dergelijke meer 'nominalistische' opvatting. In hun ogen behoort het 'zwaan-zijn' weldegelijk tot de essentie van het dier. (Het is een reële verzameling.)

Maar wat heeft deze uitweiding te maken met het bewijzen van de 'waarheid' van het katholieke geloof? Want dat was waar het onze Abaelardus om ging! Als aartsvader der biologen begreep Aristoteles als geen ander dat je met je analyse en met je verstand eigenschapen (predicaten) kon toeschrijven aan individuen of exemplaren (subjecten), en dat je zodoende verzamelingen kreeg ('witte zwanen') of juist niet (maar deze zwaan is zwart). Vervolgens ontdekte hij dat er van allerlei verbanden bestonden tussen deze verzamelingen, deelverzamelingen, lege verzamelingen en losse exemplaren/ individuen. Dat er verbanden bestonden die (noodzakelijk) WAAR waren, OF ONWAAR. En dat er zelfs verbanden bestonden die geldig of ongeldig waren los van de materiële inhoud! Vergelijk:

*Alle zwanen zijn wit / Dus er is tenminste één zwaan die wit is (WAAR)
*Tenminste één zwaan is wit/ Dus alle zwanen zijn wit (ONWAAR)
*Alle x-en hebben de eigenschap Y/ Dus er is tenminste één x die de eigenschap Y heeft (LOS VAN MATERIËLE INHOUD WAAR)
(Wat x en Y verder ook mogen zijn!)

De bewijskracht van de logica

Aristoteles legde onwrikbare waarheden bloot, onwankelbaar in hun logische werkelijkheid. Aristoteles bewees met zijn termenlogica dat je dingen kon afleiden of bewijzen met het verstand zonder dat je ze zelfs hebt gezien of waargenomen!

Laten we even om dit te illustreren een sprong in de tijd maken, bijna duizend jaar verder, naar de Limburgse medicus/ bioloog Eugène Dubois (we komen later nog uitgebreid op hem terug). Wat wist hij?

*Mensapen lijken (het meest) op mensen (delen veel kenmerken)

*De verschillen tussen mensen en mensapen zijn (desalniettemin) groot

*Evolutie verloopt geleidelijk (uit een muis ontstaat niet plotsklaps een olifant)

Hieruit kon hij logisch afleiden (met een geldige redenering) dat er een ontbrekende schakel moet zijn geweest; eentje die dus nog meer op de mens leek dan de mensapen. Hij wist zodoende dat er een aapmens moet hebben bestaan zonder dat hij die ook maar ooit had gezien! Overigens werd zijn logische afleiding later gestaafd in de materiële werkelijkheid: De overblijfselen van de missing link werden daadwerkelijk gevonden!

Het voorbeeld mag illustreren dat je met de rede het onzichtbare logisch zichtbaar kunt maken, bewijzen, en dat was nu precies wat Abaelardus wilde! Want was God niet onzichtbaar en wilde hij niet bewijzen dat Hij er was?!

De termenlogica van Aristoteles

De werken van Aristoteles die tot nog toe in het middeleeuwse Europa onbekend waren (of misschien ondergronds gingen), brachten met hun bekendwording op ons continent een aardschok teweeg. Zij legden een fundament voor de scholastiek, een denkrichting die de katholieke, intellectuele wereld met haar universiteiten steeds verder in haar greep kreeg. Met name de termenlogica van Aristoteles leek daarbij van grote betekenis.



Een kleine impressie van de termenlogica

Subjecten en predicaten

Als voorvader van de biologie zal het toekennen van eigenschappen (predicaten) aan individuen (subjecten) hem niet vreemd zijn geweest. Zo heb je, bijvoorbeeld, de attributieve zin 'Een Zwaan (subject) is een Vogel (predicaat)'. Schematisch weer te geven als, 'Vz'. Subject en Predicaat worden aan elkaar gekoppeld middels een koppelwerkwoord of copula (zijn).

Ps
Predicaat Subject
P: Wit (is) S: de zwaan


Proposities

We krijgen nu een korte zin (PROPOSITIE) waar we (in principe) een oordeel aan kunnen geven (WAAR of ONWAAR). Bijvoorbeeld: 'Een zwaan is een vogel', WAAR, of 'De gans is een vis', ONWAAR. In beginsel kan een PREDICAAT worden toegekend (een BEVESTIGING) of juist niet (een NEGATIE). Zo is 'Een zwaan is een vogel' een bevestiging, maar 'Een zwaan is geen vogel' een negatie. Schematisch weer te geven als:

PROPOSITIE
BEVESTIGING
Vz
VOGEL zwaan (Een zwaan is een Vogel)
NEGATIE
¬ Vz
NIET VOGEL zwaan (Een zwaan is geen vogel*)


NB *Het is niet zo dat een zwaan een Vogel is = Een zwaan is geen vogel

Operatoren en scope (reikwijdte)

Let wel: Een ontkenning (en dus ook de operator ¬) heeft een bepaalde reikwijdte, scope. Zo kan de negatie slaan op het Subject, 'Niet de zwaan (maar de forel) is een vis', op het Predicaat, 'De zwaan is geen vis (maar een vogel)', of op de hele propositie 'Het is niet zo dat de zwaan een vis is'. De logica heeft zich uitgebreid:

Propositie
Operator: bevestiging Operator: negatie
Ps ¬ Ps


We hebben het tot nog toe slechts gehad over een bepaald individu (de zwaan). We hebben gekeken naar de eigenschappen en hoedanigheden (de kwaliteit), maar niet naar de gehelen (verzamelingen), de delen (deelverzamelingen) en de losse individuen/ exemplaren ( d.w.z. de kwantiteit). Voor het KWANTIFICEREN heeft de termenlogica twee KWANTIFICATOREN:

OPERATOREN:
NEGATIE ¬
UNIVERSELE KWANTOR (ALLE)
EXISTENTIËLE KWANTOR (SOMMIGE)


Zo krijgen we, bijvoorbeeld:

*Alle (∀ ): 'Alle zwanen zijn vogels'

*Tenminste één/ sommige (∃ ):'Er is tenminste één zwaan die een vogel is/ Sommige zwanen zijn vogels'

Gevolg: het aantal soorten proposities breidt zich nog weer verder uit:

Ps
∀Ps (SaP)
∃Ps (siP)
¬Ps
∀(¬Ps) (SeP)
∃(¬Ps) (SoP)


Achtereenvolgens:
*SaP: Alle
Alle zwanen zijn vogels
*SiP: Sommige (tenminste één)
Sommige zwanen zijn zwart
*SeP: Alle niet/geen
Alle zwanen zijn geen vis/ Geen enkele zwaan is een vis
*SoP: Sommige niet/geen
Sommige waterdieren zijn geen vis/ Niet alle waterdieren zijn een vis

Nu hebben we vier oordelen (SaP ; SiP ; SeP ; SoP) die WAAR of ONWAAR kunnen zijn. Ze kunnen als volgt ruimtelijk worden weergegeven:

termenlogica

Wat we hier zien is hoe we met slechts twee cirkels/ vierkanten (verzamelingen) 4 bovengenoemde oordelen kunnen genereren!

Maar we kunnen vrolijk verder gaan door deze vier oordelen ook nog eens met elkaar te kruisen:

X SaP SiP SeP SoP
SaP
SiP
SeP
SoP


Voor onze ogen ontvouwt zich een heel verbandensysteem dat we (in principe) eindeloos kunnen blijven uitbreiden. We krijgen zodoende een heel verbanden-web.

De gegenereerde combinaties kunnen GELDIG zijn OF ONGELDIG zijn. Zo is de combinatie SaP x SeP geldig (Als de uitspraak 'Alle zwanen zijn wit' WAAR is, is de uitspraak 'Er is tenminste één zwaan wit' dat eveneens). Terwijl de combinatie SeP x SaP per definitie ONGELDIG is (Als de uitspraak 'Er is tenminste één zwaan wit' WAAR is, betekent dit NIET automatisch of logischerwijze dat de uitspraak 'Alle zwanen zijn wit' dan ook WAAR is).
(In het tweede geval is er sprake van een zogenaamde inductie fout; als een of een paar x-en de eigenschap y heeft/hebben, mogen we niet concluderen dat alle x-en de eigenschap y hebben.)



Het verbandensysteem van de termenlogica geeft ons een instrument in handen om te verifiëren of een redenering GELDIG is of juist niet (ONGELDIG). Of de verbanden kloppen of niet. Of de redenering zodanig is dat de conclusie op basis van het verbandensysteem juist is afgeleid of niet. Of de conclusie logisch volgt uit de informatie waarover we beschikken (premissen) en de aannames die we hebben gedaan (assumpties) of niet. Of de conclusie ook waar is als de premissen dat zijn of niet.

Wanneer we, bijvoorbeeld, op basis van de premissen 1) Niet alle waterdieren zijn vissen en 2) Walvissen zijn waterdieren afleiden dat 3) Walvissen vissen zijn, dan kun je aan de hand van de termenlogica BEWIJZEN dat deze redenering niet klopt. Nu is deze redenering nog tamelijk eenvoudig en overzichtelijk. We lijken hier de termenlogica niet perse nodig te hebben, al missen we wel ieder logisch BEWIJS wanneer we zomaar vaststellen dat deze redenering niet klopt. Maar we kunnen ons makkelijk voorstellen dat bij veel ingewikkelder redeneringen we NIET zomaar kunnen vaststellen of de redenering wel of niet klopt, en dat de termenlogica hier uitkomst biedt.

Het mag geen wonder heten dat uit de herontdekte termenlogica van Aristoteles een hele redeneerkunst werd ontwikkeld. Deze speelde- zoals we hebben gezien- een kapitale rol bij de latere scholastici.

Subjectief versus objectief

Gevoel dat je een weg bood naar de natuur, naar de kosmos en/ of naar hogere werkelijkheden. Wat bleef er in de optiek van deze verre voorlopers van het rationalisme van over? Het gevoel, en dus ook enkel geloof, waren in hun ogen eerder iets individueels, iets subjectiefs tegenover een feitelijke werkelijkheid die we op een universele en objectieve wijze dienden te begrijpen. D.w.z. met de ratio, de harde logica en het koele verstand. Daardoor werden de tegenstellingen tussen gevoel en rede en tussen objectief en subjectief zo niet geïntroduceerd dan toch op zijn minst wel sterk aangescherpt. Des temeer omdat het gevoel ons een rad voor ogen kon draaien, ons op een dwaalspoor kon zetten en verstrikken in de zottigheid van 'dwaze godsdiensten en geloofsleren'.

Met ons logisch verstand naar Gods beeld geschapen

De mens was begiftigd met de rede, het verstand. Dit vermogen hadden we meegekregen van de Schepper, want waren wij immers niet naar Zijn beeld geschapen? En moesten wij ons dan niet van dit goddelijke vermogen bedienen om Hem te vinden? Om te bewijzen dat Hij er was? Om aan te tonen wat het ware geloof was?

God had met de Logos alles op een logische wijze geordend en geschapen. Dus als wij naar Zijn beeld waren gemaakt, was het niet voor niets dat wij met ons logische verstand moesten ordenen, bewijzen en begrijpen.

Bernard de Clairvaux, openbaring versus rede

Sint Bernardus moest in toorn verstoken zijn geweest. Die Abaelardus met zijn logica moest hem een doorn in het oog geweest zijn. Hoe durfde hij?! Hoe haalde hij het in zijn hoofd te denken dat God zich zou manifesteren met zoiets als menselijke logica?!

Was het omdat hij voorvoelde dat je met je rede wel eens in je eigen zwaard kon vallen? Dat daarmee net zo goed het tegendeel kon worden bewezen? Dat als die logica al werkte, het hovaardig was om te denken dat wij kleine mensjes die met ons verstand hadden ontdekt, of erger nog uitgevonden? En dat die logica dan op zijn minst door God aan ons moest zijn geopenbaard?

Zeker, voor Sint Bernardus kon kennis van God enkel en alleen voortstromen uit de bron der openbaring. God liet Zich kennen via wonderen, visioenen en profetieën, middels Zijn Woord en doorheen Zijn schepping, maar Zich níet vinden met zoiets als het kale en koele verstand.

Abaelardus kon niet anders dan deze Bernardus dan ook op zijn weg vinden. En dat was wat gebeurde: Bernardus beschuldigde Abaelardus onverbiddelijk van ketterij. De zaak moest zelfs aan de paus worden voorgelegd.

Bernardus van Clairvaux

Maar wie was deze Bernardus? Bernardus (1090-1153) was abt van een cisterciënzer monnikenklooster in Cîteaux (Bourgogne). Al snel stichtte hij een dochterklooster in Clairvaux (Champagne-Ardenne), vanwaar zijn naam Bernardus van Clairvaux.

Mede dankzij deze strijdvaardige abt rezen de cisterciënzerkloosters als paddenstoelen uit de grond, zowel monniken- als nonnenkloosters. De cisterciënzers hadden tot taak het ware geloof te prediken tot in alle uithoeken en gaten. Tot in de meest onherbergzame streken, compleet met hoge bergen, moerassen, en ondoordringbare bossen, waar met de wolven en ander wild gedierte ook nog ongelovigen woonden die gekerstend dienden te worden.

Woestenijen moesten ontgonnen worden, Cisterciënzerkloosters gesticht, en landbouwgronden aangelegd. Molens verrezen, watermolens en windmolens, om de landbouw te mechaniseren en tijd uit te sparen voor het contemplatieve leven en de aanbidding van God. De orde was gericht op de landbouw, op het ambacht en op de vruchten der aarde, die verhaalden van God. Daar hoorde Bourgondisch genieten bij. Geen wonder dat vele van deze kloosters reeds in de middeleeuwen hun abdijbieren brouwden. Tot op de dag van vandaag worden verschillende abdijbieren (waaronder Trappistenbieren) zoals Affligem en West Malle, Grimbergen en Gerardus, Leffe, Chimay en . . . Sint Bernardus volop op terrassen en in cafés geserveerd.


Onze heilige nu- want daar hadden we het eigenlijk over- stond voor het ONMIDDELLIJKE geloof. Wat betekende dat? Dat betekende volgens hem dat het geloof vanuit het hart beleefd en beleden diende te worden en dat daar niet iets als logica tussen mocht komen. Bernardus was een uitgesproken aanhanger van het emotionele christendom en verwierp iedere poging om het geloof te rationaliseren.


Een gevoelsmens moet deze heilige zeker zijn geweest: Hij was een vurig vereerder van Maria. Opmerkelijk: Hij benadrukte zelfs haar rol van middelaar tussen God en ons mensen waardoor brave katholieken ook hun gebeden tot haar konden richten. Sterker nog: geregeld dienden te richten. Zij mocht worden aangeroepen voor ons wel en wee en kreeg daarmee een zweem van goddelijkheid. Bernardus noemde haar zelfs de 'koningin der hemelen', en tot op de dag van vandaag struikel je zowat over de Mariabeelden en Mariakapellen in onze zuidelijke en katholieke landen. En daarin mag zeker de lange adem van Bernardus gezien worden, zij het dat hij voor zijn gedachtengoed een vruchtbare bodem had gevonden.

Maar waarom bekroonde hij juist Maria met het middelaarschap (eerder dan Jezus)? Wat stak daarachter? Was het omdat het monotheïsme de godin had verdreven en uitgebannen? Het vrouwelijk geen vorm had gegeven? Geen stem, geen beeld, geen symbool? Omdat een oerkracht was genegeerd? Een natuurkracht verzwegen? En een natuurwet overtreden? Of was het omdat Bernardus zijn natuurlijk streven naar vereniging met het vrouwelijk voelde branden in zijn ziel als een zeeman aan wal zijn verlangen naar zee? En hij de macht waarnaar hij smachtte, en waaraan hij onderworpen was wilde vangen in beeld? In een symbool? In een godin? Of toch op zijn minst in een heilige uit 'vrouwelijker sferen . . . '?

Laten we inzoomen op haar rol van middelaar. Want juist die rol is veelzeggend. Maria was een middelaar, of liever middelares tussen boven en beneden. God en ons mensen. Ja, want enerzijds reikte zij in haar heilige, sublieme vrouwelijkheid tot in de hemel, maar anderzijds stond zij als moeder en vrouw dichtbij ons en kon je een intieme band met haar hebben.

Dit diepe inzicht van Bernardus leidde tot een wervelend succes! Had de katholieke kerk ook maar ooit zolang stand kunnen houden zonder de Mariabeleving? En zijn er zelfs tot in onze moderne tijden aan toe geen zeeën van gelovigen die getuigen van een innige Mariaverering?!

Bernardus was een man van het Grote Gevoel. Van het sublieme waarin wij onszelf compleet overstijgen. Waarin wij van de liefde voor een man of vrouw kunnen opstijgen naar universele, ja zelfs goddelijke liefde. Waarin onze seksuele en religieuze gevoelens samenstromen en elkaar opstuwen tot de beleving van overweldigende spirituele schoonheid en verbondenheid. Tantra, godenparen en Hoofse culturen mogen hier op intense en indringende wijze van getuigen. Maar zijn gevoelswereld had ook zijn keerzijde. Of liever gezegd zijn schaduwkant. Met zijn vurige karakter bestreed hij de ketterij. Allereerst die van de katharen in Zuid Frankrijk en later die van de moslims aan de overzijde van de Middellandse Zee. Hij riep zelfs op tot een tweede kruistocht.

Dualismen: lichaam-ziel, objectief-subjectief & gevoel-rede

We hadden al gezien dat Griekse filosofen als Plato en Pythagoras het lichaam tegenover de ziel stelden. Dit dualisme werd verder uitgewerkt in de boeken van Augustinus.

Met Abaelardus en Bernardus dook echter nog een ander dualisme op. Nu werd (ook) het gevoel tegenover de rede gesteld, het hoofd tegenover het hart. Voor zover deze tegenstelling niet nieuw was, werd deze verscherpt. Verhard.

Voor de scholastici waaronder Abaelardus was de rede het belangrijkste kenmerk van de menselijke ziel. Het verstand waarmee we kunnen analyseren, logisch redeneren en een mentale, objectieve weerspiegeling maken van de feitelijke werkelijkheid. De menselijke ziel wordt hier derhalve gepercipieerd als een actief, mentaal construerend verschijnsel.

Echter, voor een Bernardus, in navolging van een Augustinus, een Plato en een Pythagoras, is de menselijke ziel vooral een meer passief, ontvankelijk geheel. Ontvankelijk voor de wiskundige wereld, voor de metafysische werkelijkheid of zelfs voor Gods zaligheid. Ontvankelijk en adorerend want misschien school in dat laatste wel je persoonlijke, individuele kracht. Je liefde en/of je gevoel voor het schone. De ziel (de microkosmos) was in hun ogen eerst en vooral een spiegel van de macrokosmos.

Van binnenwereld naar brein

Was onze binnenwereld geen bibliotheek? Daar waar de ware, onvervalste kennis lag? Die der mathematica en metafysica? Die van wiskundige verhoudingen en wiskundige schoonheid? En die van God en Gods schepping? Was zij niet vol zalen en zeeën? Zeeën ideeën die daar in hun oorspronkelijke pracht te blinken stonden? Werden we niet dáár onderwezen en niet dáár verlicht?

Of ging daar het licht uit? En kwam kennis niet langer vanbinnen, maar vanbuiten? Werd de binnenwereld vervangen door ons brein? En een bibliotheek door een instrument? Een 'machine' die informatie vanbuiten, die data verwerkte en omzette in mentale constructen? Met de bewijskracht van Gods logica? Met die van de Grote Klokkenmaker die alles logisch geschapen en geordend had?

De contouren van een nieuwe denkrichting begonnen zich met Abaelardus (sterker) af te tekenen.

In vogelvlucht kunnen we een ontwikkeling waarnemen waarbij velen kennis minder gingen koppelen aan onze binnenwereld en meer aan ons brein/ onze rede als instrument om de buitenwereld te kunnen begrijpen.

IN/ VANUIT DE BINNENWERELD
Te wekken/ gewekte kennis
Gevoel
Innerlijke beleving
Mathematica Verhoudingen
Wiskundige schoonheid
Metafysica Prenatale kennis
Ideeën
God Innerlijke kennis & onderwijs
Innerlijke verlichting
Onmiddellijk geloof
Het Sublieme Religieuze en Hoofse gevoelens & belevingen
Het Universum 'Spiegeling van de macrokosmos in de micrkosmos'
De Schepping
De Kosmos
De Wereld
De Natuur
Het Verhaal van God De contemplatieve ziel
De ziel als 'lezer/ luisteraar'


KANALEN VOOR KENNIS IN DE BINNENWERELD
De Ziel als Waarnemer
Interne zintuigen/ interne waarneming
De Ziel als Ontvanger (ontvankelijkheid)
De Ziel als Spiegel
De Ziel als Afdruk (van de Kosmos)
(Gevormd door God/ getekend door de Kosmos)
De Ziel als een Ten-Opzichte-Van-Zijn
(Zoals een vis t.o.v. het water)
(Zoals de vis in het water & het water in de vis)
De Ziel als Verbinder
De Ziel als Universeel Geheugen
(Herinneringen aan God/ een voor-aardsbestaan)
Intern Onderwijs (Jezus/ Logos)
De Ziel als Bibliotheek (met 'Boeken van God')
De Ziel als Lezer/ Luisteraar (naar het verhaal van God)
(De contemplatieve Ziel)




DE REDE/ HET VERSTAND
Eigenschap van God
(God/ 'de Grote Klokkenmaker' heeft alles logisch geordend en geschapen)
Functie/ vermogen van de mens
(De mens is geschapen naar Godsbeeld)
Vermogen dat een logisch en noodzakelijk WAAR verbandensysteem kan genereren
Vermogen dat een redeneerkunst met grote bewijskracht kan genereren
Instrument dat informatie uit de buitenwereld verwerkt/ analyseert
Instrument dat op afstand/ van buitenaf en op objectieve wijze verwerkt/ analyseert
Vermogen dat Godsbewijzen kan leveren
(Middellijk geloof)


De binnenwereld en dus ook kennis uit die binnenwereld verbond de mens met de wereld om zich heen. (In ieder geval in zijn beleving). De vraag rijst nu of genoemde ontwikkeling 'van binnenwereld naar brein' geen vervreemding in de hand ging werken.

INTERESSANTE LITERATUUR

A Short History of Medieval Philosophy, J.R. Weinberg

Argumentatie en formele structuur, W.R. de Jong



hirondelle

Van Verlichting naar vervreemding

Het oude katholieke Europa

In de eeuwen die volgden op Karel de Grote lag Europa grotendeels in de greep van de katholieke kerk. De Bijbelse geschriften waren gecanoniseerd (heilig verklaard) en het christendom geïnstitutionaliseerd. De kerk werd vanuit Rome door de hogere geestelijkheid (de paus, de bisschoppen en aartsbisschoppen) bestuurd, terwijl deze met haar lagere geestelijkheid (kapellanen en pastoors) het leven van de gelovigen van de wieg tot het graf bestierde. De pastoor was de herder, de parochianen waren zijn kudde.

Hoe zag het leven van de meeste katholieken eruit? Vlak na je geboorte werd je gedoopt. Dat moest vaak met grote spoed gebeuren want als je de doop níet haalde- de babysterfte was in die eeuwen schrikbarend groot-, dan miste je onverbiddelijk óók nog eens het eeuwige leven. Veel vrouwen stierven jong, veel moeders op het kraambed.

De mensen uit het Europa van toen waren door dit alles vertrouwd met de dood. Des te meer omdat zij in de regel met meer generaties onder een dak woonden, met drie of soms zelfs met vier. Met opa's, oma's of zelfs overgrootvaders en moeders erbij; ze leefden doorgaans meer in familie- dan enkel in gezinsverband. Toch zagen zij de dood vol vertrouwen en met een kinderlijk geloof tegemoet; je wisselde immers je leven in dit aardse tranendal in voor een veel beter bestaan in het hiernamaals. In dat opzicht kon meneer pastoor meer voor de mensen betekenen dan de geneesheren, die je áárdse leventje al niet of nauwelijks konden redden, laat staan dat zij je vooruitzicht konden bieden op de gelukzaligheid van een eeuwigdurend, hemels bestaan. Het hele leven was in de eerste plaats níet gericht op het geluk hier beneden, maar op het leven na de dood. Dat was ook wat de kerk je leerde: Want, 'waartoe zijn wij hier op aarde?' 'Om God te dienen en daardoor naar de Hemel te gaan'.

Vanaf het tweede deel van de zestiende eeuw leerde je op de catechismusles in een vraag en antwoordspel de katholieke leerstellingen op te dreunen. Het grootste deel van de bevolking was analfabeet. Lezen en schrijven was voorbehouden aan de adel en de geestelijkheid voor wie de ontwikkeling van het volk nu niet bepaald op de eerste plaats kwam. De verstandshouding tussen de edelen en de geestelijken van toen laat zich karikaturiseren met het bekende, 'houden jullie (de geestelijken) ze dom? Dan houden wij (de edelen) ze arm!' Als je niet tot deze bevoorrechte klassen behoorde, was de kans groot dat je gedoemd was te ploeteren, te ploegen en te zwoegen op het land, als boer, als boerenknecht of als dagloner. Het liedje 'Pauvre Martin, pauvre misère' van de Franse chansonnier Georges Brassens vat het leven van dit soort boerensloebers treffend samen:



Pauvre Martin,
Pauvre misère,
Creuse la terre,
Creuse le temps.



Pauvre Martin

Of anders werkte je vrijwel zeker in de nijverheid, aan spinnenwiel of weefgetouw, de textielindustrie of als ambachtsman, als bakker, brouwer of slager, als smid, timmerman of wagenmaker. En dan kon je nog van geluk spreken; want hoeveel zielen moesten niet een dakloos bestaan leiden? Hoeveel zielen moesten niet de straat slijpen? Rondzwerven over lange landbouwwegen? Of door onveilige bossen? Als marskramer? Of als scharensliep? Om van de bedelaren nog maar niet te spreken?

Het leven was zwaar. Boeren en boerenknechten moesten wroeten als mollen in de aarde. Ze moesten vechten tegen onkruid, ongedierte en niet zelden tegen de onvruchtbaarheid van hun grond. Tegen bederf, schimmel en rot. Ze waren overgeleverd aan de grillen van de natuur en van het weer. Misoogsten waren schering en inslag. De belastingen waren hoog, en de tienden moesten worden voldaan. Struikrovers maakten de wegen onveilig.

Toch voelden de mensen zich verbonden met de natuur en met hun arbeid. Ze leefden met de zon, de sterren en de maan, zonsopgang, zonsondergang en het middaguur, met licht en duisternis, met de aankondigingen die zich aftekenden in de lucht, wolkentekeningen, tinten en kleurschakeringen, met onweer, wind en regen, knallende zon, warmte en kou, droogte en/ of nattigheid. Ze leefden met de seizoenen en met de cycli, met de zaden, de wortels, en de bestuiving, met de knoppen, de bloemen, de knollen, de bollen en de vruchten. Ze leefden met de paartijd, de draagtijd, het lammeren en het kalveren, hun honden, katten, kippen en hun vee. Ze hoorden die roep van hun weiden, moestuinen, stallen, akkers en boom- of wijngaarden en wisten wat ze moesten doen, zaaien, maaien of oogsten, melken, mesten of het hooi binnenhalen, graven, ploegen, spitten of voederen. Lange dagen brachten zij buiten door op hun land, meestal in de omarming van de oorspronkelijke natuur, met bomen, bossen en/ of rivieren, wolven, beren, bergen en/of beken. De wereld om hen heen sprak tot hun ogen en oren, tong, neus en tastzin. En niet in de laatste plaats tot hun hart. Al die geuren, kleuren, beelden en geluiden, al die prikkels, al dat gevoel, dat alles was één groot, machtig verhaal. In de beleving van velen was het de stem van de Schepper, van God.

In de draaimolen van de Heer draaide je met kerk, kosmos en natuur mee. In je beleving ging je in het rond met de zon, rond in je gebeden; met de metten rond middernacht, de lauden rond zonsopgang, de sext rond het middag- en de vespers rond het avonduur, en weer rond, van voren af aan . . . De kerkklokken voerden je al luidend mee in de rondgang van het kerkelijke leven, met de roep ter kerke te gaan voor de vroegmis, de avondmis of de wekelijks wederkerende hoogmis.

De kerk of kathedraal lag meestal in de moederschoot van het dorp of de stad. De huizen lagen dromerig rondom geschaard, al kon het in de straten een drukte van belang zijn. Jaar in jaar uit kwamen met de seizoenen gekerstende land- , licht- en landbouwfeesten terug, en in het goede gezelschap van deze christelijke feestdagen, Pasen en Pinksteren, Carnaval en Kerst . . ., en heiligendagen, van alle mogelijke lokale en alom bekende sinten, van Sint Gerlach die als kluizenaar een heilig leven leidde in een oude eikenboom (5 januari), Sint Joris die in vele volksverhalen draken versloeg (23 april), Sint Maarten op wiens feestdag (11 november) de kinderen in het pikkedonker met lampionnen langs de deuren gingen, tot de driekoningen die de pas geboren Jezus hun groet kwamen brengen (6 januari), aan toe.

De grote gebeurtenissen van je leven stonden onder de regie van de kerk, ze hadden veel weg van een geestelijk schouwspel. Je leven werd ingeluid in de kerk, je deed je eerste communie in de kerk, je trouwde in de kerk, je liet je kinderen dopen in de kerk en je werd begraven bij de kerk, in gewijde grond. Je leefde onder de vleugels van de kerk, en je deelde er je liefde, je lijden en je leut. Dat laatste vaak in het dorpscafé tegenover . . . de kerk. Wanneer het moment gekomen was waarop je je laatste adem ging uitblazen en het tijdelijke inwisselen voor het eeuwige, dan was daar meneer pastoor die je de laatste sacramenten gaf. Het laatste ritueel van de velen die je in je roomse leven mocht meemaken.

De kerken hadden veel weg van een theater waarin toneelstukken vol ritten en rituelen werden opgevoerd, bewierookt met mysterieuze zang, wierook en kerk-latijn, een taal waar simpele keuterboertjes geen iota van begrepen. De wonderen waren de wereld nog niet uit. Tijdens de eucharistieviering, een vast onderdeel van de hoogmis, brak de priester een brood en nam hij een slok van de miswijn. De wijn veranderde daarbij in het bloed en het brood in het lichaam van Jezus Christus. Een wonder dat in die tijden letterlijk genomen diende te worden en zeker niet symbolisch moest worden opgevat.

Voor de gewone sterveling die vaak in een armoedig, bouwvallig boerderijtje of landarbeidershuisje woonde, waren de kerken en kathedralen indrukwekkend grote en hoge gebouwen waarvan de torens zo’n beetje in de hemel staken. Wanneer een simpel keuterboertje vanuit zijn berooide, krakkemikkige wereldje waarin hij als een kip zijn kostje bij elkaar moest scharrelen, de kerk binnentrad, moet hij diep, diep onder de indruk zijn geweest. In de enorme, duizelingwekkend hoge ruimte werd hij overspoeld met pracht en praal en werd hij overweldigd door alle luxe, luister en statigheid. De gigantische, gebrandschilderde ramen, de crucifixen, de Mariabeelden, de heiligenbeelden, de engelen met harpen en hemelse trompetten, de wandversieringen, de Bijbelse taferelen in het rond, de pilaren, de bogen, het schip, de kaarsen, het altaar, het lichtspel en de gouden lambrisering, de gewijde sfeer, de geur van wierook en heiligheid, en dan nog het weerkaatsende geluid dat er een hemelse dimensie aan gaf . . . het moet hem telkens weer het gevoel hebben gegeven dat hij in een andere, goddelijke wereld was terechtgekomen.

Met haar zinnenstrelende, meerdimensionale beeld- en symbolentaal sloot de katholieke kerk naadloos aan bij de oude, mythologische werelden.

Ook de geestelijken baadden niet zelden in weelde en luxe. Meneer pastoor mocht nog wel eens een bourgondisch, goed met wijn begoten leven leiden. Misschien is het grapje van de bekende Vlaamse schrijver Felix Timmermans hier wel treffend: Ah Ja, want wat is het verschil tussen Jezus en een varken? Wel, Jezus stierf voor ons allen, maar het varken alleen voor meneer pastoor.

Het leven was voor de kleine man van die dagen daarentegen hard en zwaar. Maar je stond er niet alleen voor. Allereerst had je God, de Vader. God was liefdevol en machtig. Daarbij was hij barmhartig en vergevingsgezind. Had je een bezwaard geweten? Knaagde er iets aan je? Had je een schuldcomplex? Bekommering des geestes? Foute neigingen? Kon je de verleidingen niet weerstaan? Of was je in bekoring? Had je iets fout gedaan? Was je de mist in gegaan? Of kon je niet met jezelf in het reine komen? Dan hoefde je van je hart geen moordkuil te maken. Want dan kon je alles opbiechten in de beslotenheid van het biechthok en vergeving krijgen voor je zonden. Je kon weer in het reine komen en met een schone lei beginnen. Dat was makkelijk zat en wat meer is, je biechtvader mocht niet uit de biecht klappen. Alles bleef tussen jou en hem, tenminste . . . ook God wist er natuurlijk van. Vervolgens had je een heel leger aan heiligen die je konden helpen op van allerlei terreinen van het leven. Ze konden een goed woordje voor je doen bij God en je zodoende laten genezen van je ziekte. Ze konden je bijstaan in de strijd en je beschermen in de beoefening van je vak. Veel heiligen waren patroonheilige van een land, een streek, een gilde of beroepsgroep. Meneer pastoor was de herder die zijn schapen hoedde voor het kwaad en met zijn zielzorg geestelijk sterkte. Ook híj kon je met raad en daad bijstaan.

Maar veruit het belangrijkst was in de beleving van vele katholieken de Heilige Maria, hun Mater Dei! Maria die middellaarster was tussen de mensen en God. De Heilige Moeder die de aarde met de Hemel verbond. Onze Lieve Vrouw die goed bereikbaar was, dicht bij je stond, die liefdevol was, warm en met wie je een intieme band kon hebben, maar die tegelijk machtig was, majestueus, hemels.

Verder had je nog je engelbewaarder die met zijn 'krekelstemmetje' je geweten liet spreken. De 'krekel' die je op het rechte pad wilde houden, soms tot vervelends toe. De engelen, zeker, die waren er en hulden de wereld in wonderen voor wie daarin geloven wilde.

Je had de seculiere geestelijken die te midden van de mensen stonden, maar ook de reguliere geestelijken die zich uit de waan van alle dag hadden teruggetrokken en in hun kloosters een aan God gewijd bestaan leden. Zij waren geen deel van deze zotte wereld, al ontfermden zij zich over de mensheid. Niet alleen door het gebed, maar ook, bijvoorbeeld, door het ontginnen van woeste gronden, de aanleg van landbouwgronden, de bouw van watermolens, de armenzorg en de verzorging van zieken. Bovendien vormden de kloosters vaak een veilige haven voor hen die opgejaagd of anderszins in gevaar waren. En ook in het klooster kon je een liefdevol, wijs en waardig luisterend oor worden geboden.

Toch was de katholieke kerk aartsconservatief en weinig gericht op vernieuwingen. Zij moet Europa eeuwenlang, heerlijk hebben in-gesust. Misschien zelfs nog weleens in de maling hebben genomen, getuige de lucratieve handel in aflaatbrieven, waarmee je je straf in het hiernamaals (eeuwig branden in de hel) voor een lief sommetje kon afkopen, en relikwieën die de kas van de kerk spekten. Relikwieën die, als ze échte overblijfselen van heiligen waren geweest, ons een raar, om maar niet te zeggen verontrustend beeld van deze sinten zouden moeten geven. Zo zouden er zijn geweest die honderden tanden moeten hebben gehad, en een mond waar een haai jaloers op kon zijn. Maar o wee je gebeente wanneer je hier openlijk mee spotte of anderszins bezwaar tegen maakte. De straffen die op ketterij stonden waren voor de duvel niet mals. Martelingen die je met al hun wreedheid en vernuftigheid steil achterover doen slaan, huiveringwekkende executies, heksenvervolgingen en verbrandingen- de kerk was niet altijd en overal wars van achterlijk bijgeloof-, uitbuiting en onderdrukking vormden de schaduwkant van een kerk waarin velen zich oprecht en te goedertrouw hebben ingezet voor hun medemens.

Karel de Grote had niet alleen een katholiek stempel op Europa gedrukt, maar hij had ook het feodale stelsel in het leven geroepen. Als geen ander begreep hij dat hij in zijn eentje onmogelijk de controle kon houden over zijn voor die tijd grenzeloos grote rijk. Dat hij zich niet in stukjes kon splitsen om overal tegelijk te zijn, tot in alle uithoeken van zijn grondgebied aan toe. Des te minder daar hij te maken had met ondoordringbare bergen, bossen en moerassen, met ondoorwaadbare, woeste wateren, met een 'wildgroei' aan verschillende zeden, culturen en gewoonten en met talloze 'eigenzinnige' en strijdlustige volkeren. Het getuigt van diep inzicht dat hij zijn rijk wél in stukken verdeelde en land in leen gaf aan heren die hem daarvoor in ruil bescherming, trouw en een deel van de opbrengsten verschuldigd waren. En misschien nóg wijzer was wel dat hij de boeren en de burgerbevolking óók onder bescherming liet stellen van deze vazallen, die op hun beurt onder hun onderdanen soldaten konden rekruteren en/ of oproepen voor het gevecht.

Toch zat er wel een maar aan deze oplossing. Iets dat in de loop van de tijd steeds duidelijker werd: Een klassenmaatschappij ontstond waaruit zich niet alleen de hoge en de lage adel ontvouwde, maar ook het plebs en met dit alles een groeiende sociaal economische ongelijkheid. Tegelijkertijd kregen de edelen kinderen en die weer kinderen, met een steeds verdergaande versplintering van de verschillende landen ten gevolg. Een wildgroei aan vorstendommen, hertogdommen, graafschappen, baronie&eyml;n, stadsstaten, heerlijkheden, kerkstaten, stiften en noem het maar op maakte van de kaart een steeds onoverzichtelijker en onbegrijpelijker geheel. Laat staan dat de bevolking van die tijd het nog kon volgen. De bekende Bretonse schrijver Chateaubriand zag deze ontwikkeling zelfs uitmonden in 'graven van een kippenhok'.

Een tegenbeweging kon niet uitblijven. Absolutisme en zelfs despotisme kropen als een kwaadaardige spin uit het ei. Centralisme culmineerde in het Frankrijk van Lodewijk XIV, de zonnekoning, die zijn rijk vanuit Versailles met harde hand regeerde.

De Renaissance

In de zekerheden die de mensen in het oude, katholieke Europa hadden, ontstonden stiekem aan scheurtjes. Was de kerk wel zo alwetend? Met de kruistochten en de komst van de Joden in Europa kwamen de Europeanen steeds meer in aanraking met de Arabische cultuurschatten, waaronder vele Oud Griekse geschriften die de 'Saracenen' zorgvuldig hadden bewaard en/ of vertaald. Kennis uit de Oudheid stroomde de katholieke wereld binnen.

Verfrissend vonden velen. Vernieuwend. Verheffend. Een hele beweging werd op gang gebracht. De Oudheid werd wedergeboren. De Renaissance deed haar intrede in Europa. De oude, katholieke wereld werd al aan het wankelen gebracht, maar kreeg nóg een zetje. De wetenschappelijke kennis en inzicht die vanuit de Arabische wereld tot ons kwam, begon te gisten en te werken in de hoofden van de Europeanen, en werkte een verandering van ons wereldbeeld in de hand. Vergeet niet dat in die periode ook Aristoteles in de oude, katholieke wereld werd ontdekt!

Observaties zetten aan het denken. Rekenpartijen begonnen te pleiten tegen de oude, ingeblikte kennis. Men begon zich dingen ernstig af te vragen. Eerst heimelijk. Daarna openlijk. Want wás de aarde wel plat? En niet rond? Want hoe kon het anders komen dat scheepjes aan de horizon verdwenen?! En ons planeetje? Stond zij wérkelijk in het middelpunt van het universum? En dan, was het écht zo dat de zon om de aarde draaide en niet andersom?

Copernicus toonde aan dat de kerk het bij het foute eind had. Maar helaas! moest hij het bekopen met de brandstapel. De kerk liet niet met zich spotten. Toch verloor Zij steeds meer grip op de intellectuele wereld die met groeiende belangstelling naar de Griekse en Romeinse Oudheid ging opkijken. Ook binnen de gelederen van de geestelijkheid zelf won dit 'nieuwe-oude-gedachtengoed' aan invloed. Voortaan leefde niet alleen Plato in het christelijke denken, maar ook Aristoteles kreeg er een voorname plaats.

Mede dankzij Thomas van Aquino, een Italiaans geestelijke, theoloog en filosoof uit de dertiende eeuw. Dat mag misschien enigszins verbazen. Want rekende Aristoteles niet af met de kennis van binnenuit? Verwees hij de ideeënleer niet naar Fabeltjesland? Vond hij het bestaan van universalia geen klinkklare onzin? En zaten de soorten niet tussen onze twee oren? Plaatste hij het zijn niet in het exemplaar? En het leven niet in het individu? De ziel nu. Hoe leerden wij die volgens hem kennen? Was dat niet door te kijken naar de levende natuur? Door te observeren? Te bestuderen? En koppelde hij zodoende niet het leven aan het lichaam? En het lichaam aan het leven? En getuigde dit niet van een verregaand materialistisch denken, zo middenin een Platonisch denkende omgeving? En onze kennis? Kwam die nu niet langer van bínnenuit, maar van buítenaf? Via onze zintuiglijke waarneming? En betekende dat niet een hele ommekeer? Waren onze zintuigen nu plotseling géén verraders meer?! En geen bron van bedrog?

De logica nu. Zetelde deze in een metafysische werkelijkheid? Of troonde deze in een Platonische ruimte? Volgens Aristoteles niet. Volgens hem was de logica het kind van de rede, een natuurlijk vermogen waarmee we (op basis van onze zintuiglijke waarnemingen) de natuurlijke werkelijkheid kunnen begrijpen en indelen in soorten en categorieën.

Terug naar Thomas van Aquino. Hoe kon hij het christendom in lijn brengen met Aristoteles? Vrij simpel. Als God zich namelijk nu eens níet (alleen) vanbinnen openbaarde? Maar zich (ook) buíten ons, in de natuurlijke werkelijkheid, manifesteerde? Als Hij zich liet kennen door Zijn schepping heen? Dan waren onze zintuiglijke waarnemingen op slag een belangrijke kennisbron! En werd de weg geplaveid voor de natuurwetenschappen.

Mogelijk was Thomas van Aquino ook beïnvloed door Franciscus van Assisi die zo'n 3 jaar na zijn geboorte heilig was verklaard. Een heilige die waarschijnlijk los van Aristoteles weer ruimte gaf aan onze zintuigen. Die de stem van God hoorde in de natuur en die het contemplatieve leven omarmde.

In meerdere opzichten kwam er beweging in het Europese denken dat in de zekerheden van het oude katholicisme leek te zijn ingedommeld. Werden beetje bij beetje de poten onder haar zetel weggezaagd? Zeker is dat het oude katholieke Europa werd wakker geschud door nieuwe ontdekkingen. De wereld bleek veel groter dan we dachten. Nieuwe continenten, nieuwe werelddelen, en daarmee hele nieuwe werelden, met andere culturen, andere beschavingen en exotische charmes kwamen aan het licht en verlichtten de geesten. Marco Polo (1254-1324) liet de Europeanen ruiken aan het geurige, zinnenbetoverende oosten, met Perzië, Indië en China. Terwijl Christoforo Columbo of beter bekend als Columbus (1451-1506) Europa verraste met het bestaan van het verre westen, Amerika.

Het oude, katholieke Europa werd opgeschud, iets dat in de kunst van die tijd goed te merken is. In de literatuur, de muziek, de schilder- en de beeldhouwkunst werd het een drukte van belang. Alles was vol, sierde, zwierde, kringelde en krulde.

De Reformatie

Donkere wolken trokken zich samen boven het rijk waarin de mensen al eeuwen in de molen van Rome meedraaiden. Maar dan was daar die steen des aanstoots; die duivelse aflaat! Rook die niet naar handel in Gods Tempel?! En was dat geen gruwel voor Jezus aangezicht? Ontstak Gods Zoon niet in toorn? En dreef hij al die handelaren en geldwisselaars niet pardoes de tempel uit? Was zulk een aflaat überhaupt wel Bijbels? En was de Bijbel niet Gods Woord? Erger nog waren al die heiligen dat wel? En al hun verering of zelfs aanbidding niet nog minder? Wekte dat alles niet de schijn van afgoderij? Al die heiligenverhalen dan, al die symboliek, al die wonderen, al die ritten en rituelen, al die 'theatervoorstellingen', waren die geen eigen leven gaan leiden? En waren we met al die pracht en al die praal, met al die rijkdom en al die luxe niet ver afgedwaald van de eenvoud van het evangelie? Van het apostolische leven? Van de schrift? Of wat te zeggen van al die beelden, al die afbeeldingen, al die ornamenten en al die wierook, trokken die geen mistgordijn op waarin Gods Woord de Bijbel, de Heilige Schrift, uit het zicht raakte?

Het gemor was begonnen. In 1517 leidde dat tot de actie van een Duitse monnik, Maarten Luther, die 95 stellingen aan een kerkdeur nagelde. Hiermee maakte hij zijn bezwaar tegen van allerlei mistoestanden in de katholieke kerk in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar, waaronder die van de handel in aflaten. Twee jaar later werd hij geëxcommuniceerd, zonder pardon uit de katholieke kerk gezet. Maar Luther gaf de strijd niet op, ging verder met zijn verzet. Het protestantisme was geboren, de Reformatie begonnen. Een schisma een feit.

Luther

Luther spijkert stellingen op een kerkdeur

Radicalisering vond plaats. Vooral met de opkomst van het calvinisme. Johannes Calvijn (1509-1564) was van Franse origine, maar liet vooral in het Zwitserse Genève een straffe wind waaien. Hij was jurist, theoloog en predikant, maar bovenal de grondlegger van een buitengewoon strenge christelijke leer. Hij was de geestesvader van de predestinatieleer- volgens welke God je al voor je geboorte had voorbestemd voor de hemel of de hel-, van calvinistische rechtspraak en kerkelijke tribunalen en bovenal van een calvinistische staat. Men diende recht in de calvinistische leer te zijn- rekkelijkheid werd niet geduld-, en zich strikt aan de calvinistische wetten te houden. Dit alles moest met harde hand worden gehandhaafd. Rechtlijnigheid, boetedoening en tucht waren het devies.

Calvijn

Calvijn was een enthousiast voorstander van de doodstraf. Lijfstraffen hoorden daar als vanzelfsprekend bij. Zo belandde de Spaanse theoloog Michel Servet vanwege zijn kritiek op Calvijn mede door diens toedoen op de brandstapel.

Het schrift en de geschriften

'Sola scriptura'


Met het protestantisme en het calvinisme voorop vond een kaalslag plaats in onze christelijke beleving. Niet langer sprak God door Zijn schepping heen. Niet langer sprak hij daarmee tot onze oren en ogen, tot onze tong en neus. Tot ons hart. Niet langer manifesteerde Hij zich in de natuur, noch in Zijn wonderwerken. Niet langer openbaarde Hij zich in onze binnenwereld. En niet langer verscheen Hij op mystieke wijze in onze dromen en visioenen. Het verhaal van God dat in het katholicisme uitstroomde in een 'sprookjeswereld' vol beelden, geuren en geluiden, ritten, rituelen en 'theater', werd het zwijgen opgelegd. Aan de wortels van de boom der heiligen werd de bijl gezet. Hagiografieën en andere heiligenverhalen werden weggesnoeid, waren plotseling uit den boze. De weelderig tierende symboliek werd geknot. Het mythologische web der verbanden en associaties als spinrag weggehaald. De warme, intieme band met Maria verboden. Terwijl in de beeldenstorm het beeld, de beeldtaal en de verbeelding aan diggelen gingen. De meer mythologische, méérdimensionale beleving van het geloof werd drooggelegd, ingedijkt, ingepolderd, afgevlakt. De lange, rechte weg van het protestantse geloof aangelegd. Een geloof dat louter en alleen nog op de schrift gebaseerd mocht zijn. 'Sola scriptura'(de Schrift alleen).

De schrift die geen ruimte mocht geven aan vrije associaties en verbanden. Waarin de woorden als in een wet bij elkaar de betekenissen afdwongen, inperkten, inpaalden en bepaalden. Die verre van poëtisch, maar wettisch, rechtlijnig en eenduidig diende te worden geïnterpreteerd en opgevat. In protestantse kringen werd de exegese met al zijn haarkloverijen de favoriete tak van sport.

Sixtijnse kapel Rome

Kaal interieur gereformeerde kerk

Naar lineair schrift

Staat de Reformatie op zichzelf? Is deze alleen ingegeven door de wantoestanden van die tijd? Of lopen de lijnen langer? En kunnen we deze in een groter verband plaatsen (Even los van puur theologische zaken)?

We maken even een sprong in de tijd, naar de onze om precies te zijn. We verlaten Europa en reizen naar Australië. We zijn aangekomen bij de Aboriginals. Jagers-verzamelaars die met hun tekeningen talloze rotswanden laten spreken van hun mythologie; de Droomtijd (waarvan het heilige boek het Australische landschap zelf is en waarin we kunnen lezen over de belangrijke gebeurtenissen). De versierde wanden van dit Tropische Australië worden voornamelijk bevolkt door dieren. Net als in het Vézère-dal. En even als in het Vézère-dal vinden we er rijen strepen en stippen, op de wanden of in botten en beenderen.

Oudste rotsschildering Aboriginals

Maar wat verschilt is dat de Zuid Franse grotkunstcultuur is uitgestorven. De Cro-magnonmensen van toen zijn dood en begraven. Hun stromen kunstwerken zijn stilgevallen, en hun wandtekeningen stille getuigen uit een ver verleden. We kunnen ze niets meer vragen. Wat die strepen en stippen mogen betekenen, bleef lang een mysterie. De rotswandcultuur van de Aboriginals daarentegen is springlevend. Hun collectie kunstwerken groeit met de dag. Belangrijker nog is dat we vandaag de dag ook de hele context nog kunnen observeren. Bij de Aboriginals dienen de versierde rotswanden als het decor in een theater. De strepen en stippen helpen daarbij de teksten op te zeggen. Ze zijn een geheugensteuntje voor de voorganger. Ze geven ritme en maat aan.

Maar dat is nu, in Australië, en niet in het Frankrijk van de IJstijd. Mogen we dus zomaar concluderen dat de strepen en stippen daar dezelfde functie hadden als bij de inheemse bevolking van het huidige Australië ? Daar zit een risico in, vooral omdat de mensheid evolueert. De Aboriginals van nu zijn nu eenmaal niet de Aboriginals van 17.000 jaar geleden, laat staan de Cro-magnonmensen uit die tijd. Maar nu komt het: De oudste rotswandtekeningen in Australië zijn wél zo'n 17.000 jaar oud. En wat meer is: Er is sprake van een duidelijk continuüm. Veel is duidelijk overgeleverd zonder daarbij ingrijpende veranderingen te hebben ondergaan. En dat al duizenden jaren lang, tot op de dag van vandaag. Met een slag om de arm kunnen we dus stellen dat óók bij de Cro-magnonmensen de tekeningen de tekst begeleidden en/ of de tekst de tekeningen. Gezien de associatieve en daarmee scheppende kracht van de rotswandversieringen lijkt dat laatste waarschijnlijker.

Waar het hier omgaat is dat het lineaire geluidsmateriaal, de rijen stippen en strepen, en het meerdimensionale beeldmateriaal apart zijn weergegeven. Bij dergelijke jagers-verzamelaarsvolkeren zijn deze duidelijk niet in elkaar geïntegreerd. Als we het beeld alle ruimte willen geven, dan rijst het het driedimensionale in. Dan maken we er een panorama van. Stellen wij ons nu op in het middelpunt, dan kunnen we tekeningen met elkaar verbinden als sterren aan de hemel. Dan kunnen we associaties maken, verbanden leggen, verhalen vinden, scheppen en creëren. Want waarom zou je eigenlijk een albatros willen opsluiten in een kooitje? Of de ruimte en vrijheid van het beeld inperken? Vangen in een rechte lijn? Voor het beeld hebben we in principe de keus. Maar hoe anders ligt dat niet voor een woord, een zin, een gesproken tekst! De klanken volgen elkaar op, de een na de ander. Ze volgen elkaar op in de tijd. Het zijn lineaire sequenties. Per definitie rechte lijnen. Hier hebben we geen keus. Eigenlijk alle reden dus om beeld en geluid los van elkaar weer te geven.

Maar tijden veranderen. Het overgrote deel van zijn geschiedenis heeft Homo sapiens geleefd als een jager-verzamelaar, tot zo'n dikke tienduizend jaar geleden de landbouw ontstond. Met de landbouw werd het landschap steeds meer ingericht. Wegen werden aangelegd, kanalen gegraven. Ons denken werd zoetjes aan wat rechtlijniger. Doelgerichter. Economischer. Iets dat we kunnen terugvinden in de voorlopers van ons schrift. De (conventionele) tekeningen en open symbolen (die in een wisselwerking tussen individuen en de groep ontstonden) gingen er steeds gestileerder uitzien en verschenen steeds vaker in één vlak of zelfs in één lijn. Langzaamaan maakten mythogrammen plaats voor pictogrammen, tekens die nog altijd tekeningen waren van een ding of levend wezen, maar die behoorlijk aan ruimtelijkheid hadden ingeboet.

'Sixtijnse kapel' Lascaux

Dieren in reliëf Lascaux

Hiërogliefen Oude Egypte

Evolutie van het Chinese schrift

De landbouw floreerde vooral op de vruchtbare gronden langs grote rivieren zoals de Eufraat en de Tigris in Mesopotamië, de Nijl in Egypte of de Gele Rivier in China. In deze gebieden groeiden niet alleen de gewassen, maar ook de bevolkingen. Met het water wasten ook de nederzettingen aan. Dorpen ontstonden, steden, een hele infrastructuur. Van leven in klein-stamverband was absoluut geen sprake meer.

Al die mensen bij elkaar riepen om orde, om voorzieningen, om technieken, om een infrastructuur, een organisatie, een administratie, een rechtssysteem, een bestuur. Belasting werd geheven, terwijl de teksten vaak technischer werden, zakelijker, administratiever en/of 'juridischer' van aard. 'Militairder' zelfs. Maatschappelijker. Abstracter.

Het gevolg laat zich raden: Met de toename van technische en maatschappelijke begrippen, 'tekenden' de tekens steeds minder waar zij voor stonden. In plaats daarvan gaven zij hoe langer hoe meer een bepaalde klank of letter weer. Deze ontwikkeling valt mooi waar te nemen bij de Egyptische hiërogliefen. Zo had je, bijvoorbeeld, het teken voor 'mond'. Wie dit teken bekijkt kan er met het grootste gemak inderdaad een mond in herkennen. Het is een gestileerde, maar figuratieve tekening. Het Oud Egyptische woord voor mond bestond uit één klank, de 'r'. Al snel verwees het teken niet langer meer naar genoemd lichaamsdeel, maar naar de hier net genoemde letter en klank.

De letter 'r' in het Oude Egypte

Van mythogrammen komen we via pictogrammen uit bij een schrift waarin beeld en geluid steeds verder versmelten. Tenslotte legt het figuratieve karakter van de tekens het af, en wijkt dit voor hun nieuwe, auditieve karakter. Afbeeldingen veranderen in klankweergaven. En deze klankweergaven hoe langer hoe meer in abstracte letters. Het fonologisch bepaalde schrift is geboren.

Het schrift in de gebruikelijke zin van het woord, is zo'n 5000 à 6000 jaar geleden ontstaan bij de Indianen. Bij de Azteken en de Maya’s die landbouw bedreven en in grote agglomeraties leefden. In min of meer diezelfde periode verschijnt het schrift, onafhankelijk van deze Indianen, in een heel ander deel van de wereld; in het Midden-Oosten, bij de Soemeriërs die met hun spijkerschrift talloze kleitabletten vol kalkten. Iets later, zo'n 4500 jaar geleden, kwam een Chinees schrift op aan de oevers van de Gele Rivier. In het Midden-Oosten ontstond een schrift dat in een rechte lijn van links naar rechts en dan weer van rechts naar links liep. Zigzaggend als een ploeger die zijn akker bewerkt.

Als we de mythogrammen bij de jagers-verzamelaarsvolkeren als de oorsprong van het schrift tellen, dan is het zonneklaar dat het schrift op zichzelf in de loop van de geschiedenis haar mythologische, meerdimensionale karakter heeft verloren. Daarmee draagt het schrift zeker bij aan een zakelijker, rechtlijniger denken.

Filteren en wegzuiveren

Maar was het vuur in de smidse der mythologieën daardoor ook definitief uitgedoofd? En vlogen de vonken er niet langer meer vrij de ruimte in? Dat niet. De beeldkunst bleef volop bestaan en welig tieren in kerken, tempels en kathedralen, in kapellen en andere heilige plaatsen. Zij bleef verhalen en vertellen, creëren, associëren en verbanden leggen. Ook in niet religieuze context. Bovendien bleek het lineaire schrift wel degelijk als pakezel der mythologieën te kunnen dienen. Als drager van hun teksten. Als een kanaal, een medium.

Echter, het schrift zélf droeg niet of nauwelijks meer bij aan de creatie, de schepping of misschien zelfs aan de ontdekking van een mythologische werkelijkheid (of schijnwerkelijkheid). Maar vorm en inhoud van de teksten konden dat wél. Niet voor niets hebben we de poëzie uitgevonden (of ontdekt).

Natuurlijk helpt de dichtkunst met haar rijm, haar ritme, haar maat en haar metriek bij het memoriseren van de tekst. En vanzelfsprekend giet zij de tekst in een elegante, gracieuze vorm of geeft zij er anderszins een bijzonder cachet aan. Om maar niet te zeggen dat zij de tekst laat zingen. Maar er is meer. Dichtkunst voegt geluid bij en roept beelden op in onze gedachten, in onze geest. Zij maakt de tekst met zijn vorm en zijn inhoud beeldend en welluidend, sprekend en muzikaal. Vorm wordt inhoud, en inhoud vorm. De 'geest' rijst op in beeld en geluid, en beeld en geluid lossen op in 'geest'. Woorden ontmoeten er woorden in ongebruikelijke combinaties en constellaties. Woorden worden er symbolen, moleculen, atomen die elkaar in hun chemie bijzondere betekenissen geven. De alchemie der dichtkunst doet haar werk. Een schoolvoorbeeld:


Il pleure dans mon coeur
Comme il pleut sur la ville

(Paul Verlaine)



Il pleure dans mon coeur (Verlaine)

Wordt huilen regenen, en regenen huilen? Regent het trieste, melancholieke hart? En huilt de druilerige stad? Wordt binnen buiten? En buiten binnen? Of wat te zeggen van:


Il neige
Il neige sur Liège
Et tant tourne la neige
Que je ne sais plus
S'il neige
S'il neige vers Liège
Ou si c'est Liège qui neige vers le ciel

(Jacques Brel)


Il neige sur Liège

Of van:


Vois sur ces canaux
Dormir ces vaisseaux
Dont l'humeur est vagabonde
C'est pour assouvir
Ton moindre désir
Qu'ils viennent du bout du monde.

(Charles Baudelaire)


L'invitation au voyage

Worden de schepen er geen dromen? Dromen die je meenemen, meevoeren naar het betoverende Oosten? En Versmelten druilerige Hollandse Havens er niet met de charmes van Bali in een magisch mengsel?

Uit woorden worden werelden geboren. Van alle mogelijke mengsels, associaties en interpretaties, of liever nog belevingen. Van een gedwongen een op een vertaling in onze gedachten is daar geen sprake. Van één voorgeschreven interpretatie evenmin. Kortom, poëzie voegt aan de tekst vele dimensies toe.

Zoals we hebben gezien, kreeg die poëtische, mythologische beleving binnen de katholieke kerk volop de ruimte. Daarmee kwam deze welhaast als een feniks uit de as. Het monotheïsme stond namelijk (zeker in aanvang) vijandig tegenover het figuratieve beeld. Gods wetten kregen er een belangrijke plaats. Die waren eenduidig en zeker niet voor van allerlei interpretaties en belevingen vatbaar. Precies die drang en die dwang keerden in het calvinisme ongenadig terug.

Natuurlijk deden de katholieke geestelijken ook aan exegese, natuurlijk bestudeerden zij ook de Bijbel, en natuurlijk ontwikkelden zij ook de katholieke geloofsleer. Maar dat stond een veel ruimere beleving van het geloof niet in de weg. Er was veel meer dan de letter van de wet, en dan nog kon je er met enige souplesse mee omgegaan.

Na het rechtlijnig worden van het schrift, werd de geloofsbelevenis van de protestanten dat ook. Het draaide allemaal om Gods Woord, de Bijbel, waarin de woorden bij elkaar de betekenissen afdwongen, iedere rekkelijkheid in de betekenis van de woorden werd weggesnoeid en iedere vrije interpretatie weggezuiverd. Iedere Bijbelse symboliek werd platgeslagen. Iedere meander rechtgetrokken. De tekst filtreerde. De exegese trok er de enig mogelijke interpretatie en leer uit. Het calvinisme was star, strak en streng. Kaal. De kerken waren kaal, de kerkdiensten waren kaal en de kruizen zonder corpus waren kaal. Alles was sober en prentte de gelovigen een zwaar schuldbesef in. Iedere dag was weer een strijd tegen onze zondige neigingen. Straf hing je voortdurend als een zware wolk boven je hoofd. Geen biechtvader en geen biecht die daar ook maar iets aan kon doen, geen Maria, geen engelen en geen heiligen. Sterker nog: Met de predestinatie was alles al voorbeschikt. Dus ook je lot in het hiernamaals; in de hemel of in het hellevuur.

Descartes

Met de Renaissance en de Reformatie dreigde het katholieke Europa steeds verder weg te zakken in het moeras der oude, vergane werelden. Hoewel de Franse filosoof en wiskundige René Descartes (1596-1650) een braaf katholiek was, die zelfs de Heilige Maagd vereerde, haalde hij drie belangrijke pijlers onder alle godsdiensten in enge zin en onder de oude, mythologische wereld in bredere zin glashard onderuit:

Descartes keerde zich tegen:
het geloof/ blinde vertrouwen in innerlijke kennisbronnen (zoals intuïtie en opnebaring)
geloof/ vertrouwen in kennis die niet voortspruit uit de rede/ het verstand
het blinde vertrouwen in/ zomaar voortbouwen op overgeleverde kennis (die vaak tijd-, plaats- en cultuurgebonden is)


Dat deed hij, of leek hij te doen, in zijn 'Discours de la méthode'.

Maar allereerst, wie was hij? En waarom deed hij dat? Descartes was afkomstig uit de provincie Touraine ofwel de 'Tuin van Frankrijk' die met zijn typische Franse landschap vol kastelen en wijngaarden een en al romantiek ademt. Hij kwam uit een vooraanstaande, katholieke familie.

Op 11 jarige leeftijd werd hij naar het Jezuïetencollege gestuurd, waar hij zich een briljant leerling betoonde. Briljant, maar ronduit eigenzinnig. Standaard lesprogramma's waren niet aan hem besteed. Hij wilde zijn eigen plan trekken en vooral lang op bed kunnen blijven liggen. Een gewoonte die hij de rest van zijn leven volhield.

Na zijn studie rechten vertrok hij naar de Zeven Verenigde Nederlanden waar hij een groot deel van zijn leven verbleef. Waarschijnlijk voelde hij zich aangetrokken tot het vrije wetenschappelijke klimaat. In het pittoreske kasteel Endegeest (Oegstgeest) heeft hij zich lange tijd aan zijn geliefde wiskunde kunnen wijden. Het eerste deel van de dag lag hij doorgaans in een Berlijnse kachel, met onderin de kachel en bovenin een soort bed waarin je heerlijk kon doezelen, filosoferen en op wiskundige vraagstukken broeden. Zijn aandeel aan deze wetenschap is groot. Het tweede deel van de dag kwamen zijn overige werkzaamheden aan bod. De vurige René raakte nog weleens in een ruzie of vechtpartij betrokken waarin hij zijn degen als geen ander wist te hanteren; hij was een meester in de schermkunst. Descartes moet regelmatig zijn handschoen voor de voeten van zijn tegenstander hebben geworpen (een parmantige uitnodiging voor gevecht, waar deze moedig op in kon gaan door hem op te rapen). Descartes moet een driftig heerschap zijn geweest. Na al die drukte moest hij zeker weer aan zijn bed toe zijn geweest. Om zich wederom te kunnen wijden aan zijn wiskunde.

René Descartes

Dualisme tussen materie & geest

Wat hem gefascineerd moet hebben in de mathematica was de toepasbaarheid hiervan. De theorie kon in de praktijk gestaafd worden; in de bouwkunst, in de architectuur, in de scheepvaart, in de waterwerken, en noem het maar op. (Zijn keuze om naar Nederland te gaan lijkt in dit licht niet verrassend.) De immateriële mathematica bleek in de materiële werkelijkheid te kloppen. Je kon er dingen van te voren mee berekenen. Sterker nog, de wiskunde leek de wereld te bestieren. De wereld of liever nog het hele universum.

In de ogen van Descartes was er sprake van een duidelijke hiërarchie. Betrouwbare kennis kon dan ook alleen vanuit de mathematica worden opgetrokken, en dus vanuit de rede. De rede lag verankerd in de geest. Derhalve was de geest superieur aan de materie die zielloos c.q. geesteloos was. Met Descartes keerde een oud bekend dualisme weer; de keiharde tegenstelling tussen de geest en het stof. De Franse filosoof rekende genadeloos af met Aristoteles en zijn vele aanhangers uit later tijden.

Vier soorten van onbetrouwbare kennis

Maar in welk opzicht bedreigde hij nu de oude orde? In zijn 'Discours de la Méthode' laat Descartes zien dat we om te beginnen vier soorten kennis (of schijnkennis) hebben: 1) theologische kennis die gaat over geopenbaarde waarheden die ons verstandsvermogen ver te boven gaan 2) bijgeloof en/ of occulte kennis waarmee astrologen ons een rad voor ogen draaien, magiërs ons in de maling nemen, alchemisten ons op een dwaalspoor zetten . . . etc. 3) filosofische kennis oftewel kennis die we te danken hebben aan filosofen die het werkelijk nergens over eens zijn en 4) wetenschappelijke kennis die gebaseerd is op filosofische inzichten, en die dus is gebouwd op drijfzand.

Onbetrouwbare kennis:
Theologische kennis Kennis over geopenbaarde waarheden die ver boven ons verstandsvermogen liggen
Bijgeloof/ occulte kennis Astrologie
Magie
Filosofische kennis Kennis van filosofen die het nergens over eens zijn
Wetenschappelijke kennis Kennis gebouwd op het 'drijfzand' van de filosofie


Van tafel ermee: "Tabula rasa"!



Conclusie, al deze kennis stuurt ons met een kluitje in het riet. En al deze kennis moet dus van tafel.


TABULA RASA


We moeten niets meer voor gesneden koek aannemen. We moeten met een schone lei beginnen. Betekent dit dat we nu vooral moeten afgaan op onze zintuiglijke waarnemingen? Pas op! Deze zijn, bezien vanuit ons cartesiaanse dualisme, ronduit bedrieglijk.

Mathematica

Maar als dat zo is, waar kunnen we dan nog wél betrouwbare kennis vandaan halen?! Uit de wiskunde. En vanuit de wiskunde, wiskundig voortbouwend op haar wetten en zekerheden. (Merk op dat de wiskunde deel uitmaakte van de filosofie, en dat voor Descartes wiskundige of wiskundig onderbouwde filosofie niet verward diende te worden met de overige filosofie.)

Alleen hoe weten we dat zo zeker? We moesten toch aan alles twijfelen? En eerst en vooral sceptisch zijn? Een 'cartesiaanse duivel' voor mogelijk houden? Zo-eentje die ons compleet in de maling neemt? Zo zelfs dat we niet meer weten wat werkelijkheid is en wat slechts een droom? Want dromen we misschien niet wat we denken te zien?! Of wat we denken te weten?

Welke zekerheid rest ons eigenlijk nog? De zekerheid dat we denken en dus zijn.


COGITO, ERGO SUM


'Ik denk, dus ik ben'


Denken dat we doen met onze rede of ons verstand. De rede waarmee we de wiskunde kunnen vinden. Ontdekken.

Geen wonder dat Descartes ware, wiskundige kennis wilde vinden in zichzelf. Het rationalisme verscheen op het toneel. Hoewel voor Descartes zélf, ondanks al zijn scepsis, de waarheid van de door God geopenbaarde kennis (nog) altijd onaantastbaar was, gaf hij met zijn tabula rasa wel de sleutels in handen om zelfs daar aan te gaan twijfelen. Dankzij het gedachtengoed van Descartes kwamen voor velen de zekerheden van de oude mythologische wereld ten val. Die van de oude mythologische wereld, en (daarmee) ook die van de oude katholieke wereld.

De Verlichting

Na al die donkere tijden vol mystiek, magie en mythologie, alchemie en astrologie, heksenvervolgingen en occultisme, aflaten en analfabetisme, blind geloof, bijgeloof en andere achterlijkheid kwam er eindelijk licht in de duisternis. Er kwam een einde aan de donkere middeleeuwen. Een einde aan van allerlei verhalen en vieringen. Een einde aan van alles dat je maar was wijsgemaakt . . .

Althans, zo zullen vele kritische geesten in de achttiende eeuw dat hebben ervaren. Na de Renaissance, de Reformatie en de opkomst van het rationalisme brak er een nieuw tijdperk aan. De weg was gebaand:

Zo werd reeds in de Renaissance onze horizon verbreed, letterlijk zelfs met de ontdekking van Amerika, en met kennis en inzichten uit de Grieks/ Romeinse Oudheid in meer figuurlijke zin, en zorgde de protestantse kerk voor onderwijs voor het gewone volk omdat zoveel mogelijk zielen de Bijbel moesten kunnen bestuderen, een streven dat niet al te katholiek was. Tegelijkertijd gaf het protestantisme een boost aan de taalwetenschap. De Bijbel moest immers in vele moderne talen vertaald worden, en Bijbelteksten (taal- en letterkundig) geanalyseerd. Het rationalisme tenslotte gaf alle ruimte aan de rede. TABULA RASA, het tijdperk van de Verlichting was aangebroken. Nu ging het om de vooruitgang!

Genootschappen, salons, academies en universiteiten

De Verlichting kwam als de lente. Europa bruiste van nieuwe energie en levenskracht. Een nieuwe beweging bloeide op. Vele verlichte geesten sloegen de handen in een om de wereld vooruit te duwen, en staken de koppen bijeen om van hun streven werkelijkheid te maken. Genootschappen, academies en sociëteiten, salons en universiteiten schoten als paddenstoelen uit de grond.

Zo had je onder de academies, bijvoorbeeld, de prestigieuze Académie Française (1635) voor de taalwetenschappen en de geroemde Académie des Sciences (1666) voor de natuurwetenschappen. Onder de talloze salons had je die van Mademoiselle de Lespinasse, waar de medewerkers van de 'Encyclopédie' elkaar plachten te ontmoeten. Een van de kopstukken was de vermaarde duc d'Alembert. Met het samenstellen van de Encyclopedie werd een nieuwe mijlpaal geslagen in de geschiedenis. Kennis op van allerlei mogelijke terreinen werd zoveel mogelijk en op wetenschappelijke wijze vastgelegd. Een onderneming die het wetenschapsbedrijf voor zeker in de versnelling zette.

Literaire cafés kwamen er ook. Ze werden het trefpunt van letterkundige en leesgenootschappen die gezamenlijk boeken aankochten. Onder het genot van koffie en Schone Letteren werd er gewerkt aan de verheffing van de gasten en de genodigden. De literaire cafés hadden veelal een sociale inslag en streefden de culturele vorming van een breder publiek na.

Die sociale drive is ook duidelijk terug te vinden bij de maatschappijen tot nut van het algemeen die zich tot taak stelden de economie sterker te maken en de armoede te bestrijden. In het Ierse Dublin werd in 1731 een waar bastion tot het nut van het algemeen opgericht. Het was de 'Society for the Improvement of Husbandry, Agriculture, and other useful arts'. Maar ook Frankrijk had haar 'Sociétés Royales d'Agriculture'. In heel Europa kwamen universiteiten op die als zonnen de 'duisternis der onverlichte tijden' verjoegen.

Godsdienst

Het zou een misvatting zijn om in de Verlichting één samenhangende manier van denken te zien. Bovendien bestreek de beweging vele terreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, het transport, de landbouw, de nijverheid en de industrie, de techniek, de natuurwetenschappen, de taalwetenschappen, de filosofie, de economie, de rechtspraak, het bestuur, het onderwijs, de maatschappij, de kunst en de godsdienst waar een duidelijke accentverschuiving viel waar te nemen.

Draaide vóór de Verlichting alles vooral om de Hemel en het leven na de dood, ten tijde van de Verlichting kwam het bestaan hier op aarde steeds meer in de belangstelling te staan. Naast het humanisme heeft ook zeker het calvinisme hieraan bijgedragen. Paradoxaal genoeg heeft een versobering op het gebied van de armenzorg hier een rol gespeeld. Ontfermde de katholieke kerk zich ruimhartig over álle armen, de calvinisten daarentegen werden daar een stuk zuiniger in. Waar voor vele katholieken de armoede welhaast een ideaal was- had Jezus geen steen als hoofdkussen, en was Sint Franciscus niet met Vrouwe Armoede getrouwd?-, was het lijden van gebrek in de ogen van de calvinisten eerder een teken van afkeuring van God. Had je wel geleefd naar Zijn Woord? Had je wel hard gewerkt? En sober geleefd? Leidde je niet toevallig een zondig bestaan? Was je geen goddeloze losbol? En had je je verantwoordelijkheid eigenlijk wel genomen?

De katholieke, collectieve verantwoordelijkheid werd geschrapt. Calvinistische, individuele verantwoordelijkheid kwam er voor in de plaats (een goede voedingsbodem voor onze latere verzekeringsmaatschappijen). Het wegvallen van de biecht, het verdwijnen van de heiligen en de ongenadige predestinatieleer maakten het wel en wee van de ellendigen er niet bepaald beter op. Je stond er alleen voor, en je moest het vooral zelf zien te rooien. Je moest laten zien dat God je had voorbestemd voor de Hemel. Dat God je gunstig gezind was, en je aldus had gezegend met materiële voorspoed. Daar hoorde natuurlijk in principe geen armoede bij.

Hoe dan ook moest je met een braaf christelijk leven laten zien dat je in aanmerking kon komen voor een tegemoetkoming vanuit de kerk. De armenzorg beperkte zich hoofdzakelijk tot het warme nest van je calvinistische kerk, of tot hen die nog bekeerd moesten worden. Wie daarbuiten leefde laadde al snel de verdenking op zich dat het allemaal aan zijn of haar eigen lasterlijke levenswandel was te wijten.


CALVINISME EN KAPITALISME GINGEN HAND IN HAND


Wilde je laten zien dat God je welgezind was, dan was het zaak om je zaakjes goed op orde te hebben. Wat maakte dat calvinisten overal geld uit probeerden te halen. Om dat te doen, moest je vooral praktisch, economisch en zakelijk zijn ingesteld. De landbouw moest het maximale opbrengen. De industrie en nijverheid dienden efficiënt te zijn. De productiekosten moesten worden gedrukt, terwijl de productie zelf moest worden vergroot. Het vervoer moest zonder omwegen zijn. De transacties moesten gesmeerd verlopen. Het landschap moest kaal geschraapt en als een bord uitgelikt worden, terwijl het vermogen opeen moest worden gestapeld. Alles diende geordend, recht en toe berust te zijn voor zijn taak of voor zijn nut. Rechtlijnig nuts-denken won terrein. Het mag geen wonder heten dat de welvaart doorgaans groter was in de calvinistische gebieden (met name de Noordelijke Nederlanden en Zwitserland) dan in onze katholieke landen en landstreken.

De landbouw

Ten tijde van de Verlichting heerste er een optimistische stemming. Een we-kunnen-alles-aan hing in de lucht, een we-kunnen-alles-overwinnen. In de ogen van steeds meer verlichte geesten zelfs de natuur. Woeste gronden werden ontgonnen, van moerassen akkers en weiden gemaakt. De waterhuishouding kregen we steeds meer onder controle. Waterwerken werden aangelegd om het land droger of juist natter te maken.

Sinds mensenheugenis hadden we meegedraaid met de natuur, maar nu was de tijd gekomen om in te grijpen. Want waarom zouden we ons tevreden stellen met een armetierige landbouw als we die ook lucratiever konden maken? Waarom zouden we de cyclus winterkoren-zomerkoren- braak maar slaafs blijven volgen als we de grond ook permanent konden bebouwen? Waarom zouden we blijven rondtobben met arme grond terwijl we die door bemesting ook vruchtbaarder konden maken? Of waarom zouden we het vee wat laten plukken, grazen of pikken op laag of dun begroeide gronden terwijl we het ook konden vetmesten met de vruchten van weelderig tierende voedergewassen? Of waarom zouden we blijven voortmodderen met ouderwetse, aftandse ploegen terwijl we dankzij de voortschrijdende techniek ook moderner materieel ter beschikking hadden? Een ding was duidelijk; het was hoogtijd om de landbouw te moderniseren, des temeer de bevolking in Europa gigantisch groeide. Met vele monden die gevoed moesten worden als gevolg.

Verstedelijking, industrie en nijverheid

Met nijverheid en industrie was op zichzelf ten tijde van de Verlichting niets nieuws onder de zon. Al duizenden jaren probeerde de mens met steeds inventievere methoden en technieken uit dierlijk of plantaardig materiaal draden te spinnen, en uit draden stoffen te weven. En ook de productie van staal kende zelfs toen al een lange geschiedenis. Zo werd reeds in de 14e eeuw in het Belgische Luik (Liège) mijnbouw gepleegd om met de gedolven kolen ijzererts te kunnen smelten. Overigens was de mijnbouw op zichzelf nog veel ouder: zo dateert de vuursteengroeve in het Zuid Limburgse Rijckholt zelfs uit het derde millennium vóór Christus!

Toch heeft de Verlichting de industrialisatie een enorme duw in de rug gegeven. Zo bracht zij na 'eindeloze' tijden waarin we het moesten doen met simpele ossen-, paarden-, mens-, wind- en waterkracht, het 'wonder' van de stoomkracht die fabrieksmachines op volle toeren liet draaien, treinen stomend liet voort denderen en tonnen-wegende schepen stampend over de wateren voortstuwde.

Met de opkomst van de grote industrie en de gemotoriseerde transportmiddelen nam de verstedelijking hand over hand toe. Steeds meer mensen kwamen opééngepakt in grauwe fabriekssteden te wonen, en steeds verder raakten natuur en platteland bij hen uit het zicht. Ze waren losgezongen van een werkelijkheid waarin de mens duizenden, zo niet honderd duizenden of zelfs miljoenen jaren was geëvolueerd. De rekening voor de vooruitgang kwam onverbiddelijk.

Wetenschap en techniek

Zoals we hebben gezien, leefde in wetenschappelijke kringen volop het idee van de vooruitgang. Met al onze nieuwe kennis, inzichten en technieken konden we ons bevrijden uit de ketenen van achterlijkheid, onwetendheid en onderdrukking. De tijd van de ontwikkelde, moderne mens was aangebroken! Licht in de duisternis! Er leek te worden afgerekend met subjectieve wetenschap, wetenschap vanuit het hart, vanuit onze intuïtie, vanuit ons gevoel.

De voorheen zo toonaangevende theologie verloor aan terrein. God werd steeds minder het uitgangspunt, geloof steeds minder het startpunt. De wetenschap diende voortaan objectief te zijn. Gedragen door de rede en voortgedreven door ons nuchtere verstand.

De Newtoniaanse natuurkunde toonde wel aan dat je je als wetenschapper volledig buiten je onderzoeksveld kon plaatsen. Je maakte er geen deel vanuit en je kon het in alle objectiviteit observeren. Meten was weten en alles behoorde zoveel mogelijk te worden gevangen in de wetten van de wiskunde die wis en waarachtig voor iedereen dezelfde waren. De zorgvuldig wiskundig geformuleerde wetten van de natuurkunde waren verifieerbaar, en zonder mankeren voor eeuwig en altijd dezelfde. De observaties en experimenten waren herhaalbaar en hun resultaten exact voorspelbaar. De gravitatiekracht, versnellingen, wentelingen, cirkelbewegingen en vertragingen; ze voldeden allen aan onwrikbare wetten. Uit dit alles was een ding wel duidelijk: In het universum liep alles als een klok. Was God niet het startpunt van de wetenschap, voor velen was Hij nog altijd wel de conclusie: God hield van orde en regelmaat. Alle natuurkundige verschijnselen verliepen naar Zijn strak bepaalde wetten. God was de Grote Horlogemaker van het universum.

Newtoniaanse natuurkunde

De telescoop, die in 1608 door Jansen en/of Liperhey werd uitgevonden, maar die relatief kort daarna door Kepler, Newton en Galilei aanzienlijk werd verbeterd, confronteerde ons in alle hevigheid met het grenzeloos grote. Tegelijkertijd, of het scheelt niet veel althans, vond de Nederlandse lakenhandelaar van Leeuwenhoek (1632-1723) het microscoop uit (zij het dat hij daarbij dankbaar gebruik maakte van de uitvinding van Lipperhey en/of Jansen). Nu werd ons wereldbeeld niet alleen opgeschrikt door het grenzeloos grote, maar ook nog eens door het grenzeloos kleine.

Telescoop van Liperhey

We werden, zoals de bekende Franse filosoof, wis- en natuurkundige, Blaise Pascal (1623-1662) dat verwoordde, een 'roseau pensant', een 'denkend rietplantje', dat je zo ziet buigen in de wind, vallen door een sikkel of zeis, of knakken onder een slagregen. Van ons bleef niets over dan een nietig wezentje dat gevangen was tussen twee oneindige ruimtes; die van het grote en die van het kleine. En vanuit die middenpositie hadden wij te kampen met een stevige beperking; we konden noch het oneindig grote, noch het oneindig kleine bevatten. Toch was de mens in de ogen van Pascal geen hulpeloos wezentje; want we waren niet zomaar een 'roseau', maar een 'roseau PENSANT'; een denkend wezen, bij wie in dat denken zijn grote kracht school.

Pensées de Blaise Pascal

De mens is een denkend rietplantje

Met het microscoop werd niet alleen het immens kleine ontdekt, maar ook een hele nieuwe wereld blootgelegd. De wereld van de micro-organismen, kleine, vaak krioelende wezentjes, onzichtbaar voor het blote oog. En onder die krioelende 'wezentjes' bracht Huygens het bestaan van mannelijke zaadcellen, spermatozoïden, aan het licht. Zijn (voor die tijd) ietwat beschamende ontdekking en bevinding- leven ontstond niet spontaan, maar op geslachtelijke wijze; uit zaadcellen- bleef aanvankelijk preuts afgeschermd voor de buitenwereld. Huygens correspondeerde met enkele vertrouwelingen, en deelde met hen zijn observaties en gedachten. Moest men bekomen van de schrik? Zat men er een beetje mee in zijn maag? Hoe dan ook duurde het even voordat Huygens werk werd erkend door de Engelse Royal Society.

De ontdekking van micro-organismen

Met al die nieuwe kennis, nieuwe inzichten, nieuwe instrumenten en nieuwe technieken en technische hulpmiddelen, waaronder niet in de laatste plaats de stoommachines, veranderde de wereld in een rap tempo.

De rede

Je zou er bijna melancholisch van worden: Want à la


Où sont les neiges d'antan?

'waar is toch de sneeuw van weleer?'

(van de Frans middeleeuwse dichter François Villon)


kun je je afvragen waar toch die goede oude tijd is gebleven; waarin de ziel nog het torenraam was van waaruit je uitkeek op een hogere werkelijkheid. De tijd waarin de ziel nog een microkosmos was waarin de macrokosmos zich spiegelde, en dat in haar ideale of zelfs goddelijke vorm. Plato, Pythagoras, Augustinus en Descartes, waar zijn zij gebleven?!

Natuurlijk kwam er met Aristoteles in vroege tijden reeds 'rot' aan de wortel van dit gedachtengoed. Zoals we hebben gezien, werd de ziel gekoppeld aan het leven en het leven aan het lichaam. In die zin moest ook ons denkvermogen deel uitmaken van een materiële wereld en daarmee zijn ontvankelijkheid voor hogere (immateriële) werkelijkheden verliezen, al wilde Aristoteles zelf zo ver nog niet gaan.

Wel had hij al richting aangegeven, en voorgesorteerd op die Entzauberung der Welt, de grote ontgoocheling die niets mythologisch, niets metafysisch, niets magisch, mystieks of bovennatuurlijks meer toeliet.

Met Abelardus kwamen de constructen van de geest, of liever nog van ons verstand, centraal te staan. Logische constructen die ons op middellijke wijze hielpen de werkelijkheid te begrijpen en waarheden af te leiden.

Wilde Abelardus nog met het verstand en middels mentale constructen het bestaan van God en dat van Zijn metafysische werkelijkheid bewijzen, zo werd bij de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) ons verstand fysiologisch benaderd en gereduceerd tot een wat aardser lichaamsfunctie waarvan de machinerie bestond uit ons brein.

In ruimere zin werd onze belevingswereld volledig bepaald door onze zintuiglijke waarneming (indrukken) en de daaraan gekoppelde innerlijke waarneming (voorstellingen). Niet alleen bij ons mensen, maar ook bij dieren. Met dat verschil dat deze indrukken en voorstellingen soort gebonden zijn. We kunnen ons dat makkelijk voorstellen: Zo zal een regenworm in een heel andere wereld leven dan een wolf, een uil of een bij. Geen wonder dat Hume wordt gerekend onder de empiristen (de zintuiglijke waarneming speelt een sleutelrol) en onder de sceptici. Want wat kunnen we met zekerheid weten, als al ons weten per definitie subjectief is?


Van de ziel die opent op hogere werkelijkheden, zijn we via ons natuurlijk redeneervermogen dat is geschapen naar dat van God (Logos), en waarmee we deze werkelijkheden op indirecte wijze kunnen afleiden en/ of bewijzen, uitgekomen bij een lichaamsfunctie die in ons in staat stelt te denken. De verbinding met het hogere wordt indirecter, verzwakt en verdwijnt uiteindelijk in de opvatting van veel filosofen en (andere) wetenschappers.


Een van de grootste filosofen uit de Verlichting heeft hierin een beslissende stap gezet, Immanuel Kant (1770-1827).

Kritiek der zuivere rede (Immanuel Kant)

Immanuel Kant gaat nog verder. Want in zijn optiek zijn de dingen zelf, in wat zij werkelijk zijn, voor ons een onbekende.

Zintuiglijke waarneming & voorstellingsvermogen

Alleen hoe kan dit? In zijn 'Kritik der reinen Vernunft' (De Kritiek der zuivere Rede) legt deze Duitse filosoof uit dat we door de dingen om ons heen beïnvloed worden. Wanneer we ze nu zintuiglijk waarnemen, dringen zij niet zelf, of niet in wat zij zelf zijn bij ons binnen. Dat komt niet alleen doordat onze zintuigen op zichzelf al een vertekend, selectief en/ of willekeurig beeld geven, maar ook nog eens doordat we van onze zintuiglijke indrukken voorstellingen maken. VOORSTELLINGEN- het woord zegt het al- die niet de werkelijkheid of conform de werkelijkheid zelf zijn!

Kennisverwerving

Kant buigt zich over de (epistemologische) vraag wat we weten of wat we kunnen weten. Daarbij zijn we afhankelijk van een aantal vermogens. Zo onderscheidt Kant in feite:

Schakels der Kennisverwerving
De Uitwendige Zintuiglijke Waarneming
(De prikkels die onze zintuigen opvangen van buiten)
Inwendige Zintuiglijke Waarneming
(De opgevangen prikkels worden in ons omgezet in beelden, geluiden, geuren, smaken en gevoel)
DEZE PLAATSEN WE AUTOMATISCH IN TIJD EN RUIMTE!
Het Voorstellingsvermogen
De inwendige zintuiglijke waarnemingen worden uitgewerkt in voorstellingen/ belevingen
(*)
Het Denkvermogen
Het waarnemen van patronen/ algemeenheden
Het (puur) Logisch Denkvermogen


(*)Merk op dat we ons ook voorstellingen kunnen maken van dingen die niet (direct) gekoppeld zijn aan onze zintuiglijke waarnemingen in het hier en nu. Herinneringen kunnen hierbij natuurlijk een grote rol spelen.

Kant legt uit dat we ons denkvermogen op verschillende manieren kunnen gebruiken en/ of dat we verschillende denkvermogens kunnen onderscheiden. Zo kunnen we ervaring opdoen uit onze zintuiglijke waarnemingen. Je zou hier kunnen denken aan patronen die we ontdekken en algemeenheden die we opmerken. Inductie is hiervan een mooi voorbeeld. Als we honderd keer alleen maar witte zwanen zijn tegengekomen, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat alle zwanen wit zijn. Toch is dat niet noodzakelijkerwijs waar (er kunnen nog altijd zwarte zwanen zijn).

Naast ons ervaringsvermogen hebben we nog ons puur logisch denkvermogen waarmee we denken in louter noodzakelijke waarheden en verbanden. Daarnaast kunnen we bepaalde dingen/ zaken (inhoud) logisch overdenken. Dat is wat veel wetenschappers op hun vakgebied plachten te doen. We noemen dit voor het gemak maar even wetenschappelijk denken, dat hoort bij een wetenschappelijk denkvermogen.(*).

De werkelijkheden

Met deze vermogens hebben we volgens Kant (in ieder geval) te maken met twee werkelijkheden:

De twee werkelijkheden:
De werkelijkheid der Dingen (zelf)
De mentale/ psychologische werkelijkheid


Het bestaan van de grote derde werkelijkheid (of schijnwerkelijkheid), de goddelijke en/ of metafysische werkelijkheid (waaronder een Platonische en/ of wiskundige wereld), wordt door Kant in twijfel getrokken. Hierbij speelt zijn kennisleer een sleutelrol.

Kants kennisleer

Kant verdeelt onze kennis in verschillende categorieën in:

*A PRIORI KENNIS
Dit is kennis die er al is/ die we (ergens) zelf al hebben (nog) voordat deze bewust in ons aanwezig is. Deze kennis gaat VOORAF een eventuele bewustwording hiervan. Een belangrijk kenmerk is dat deze kennis NOODZAKELIJK WAAR is. We hoeven deze niet later (achteraf) en van buitenaf te verkrijgen/ verwerven. (Wel kunnen we a priori kennis natuurlijk op school of op de universiteit opdoen, maar dan herkennen we hem.)

*A POSTERIORI KENNIS
I.t.t. a priori kennis gaat het hier om kennis die er niet noodzakelijkerwijs al is/ die we nog niet (ergens) vanzelf al hebben (voorafgaande aan een eventuele bewustwording hiervan). We verkrijgen/ verwerven deze kennis van buitenaf, en dus noodzakelijkerwijs via onze zintuiglijke waarneming. Omdat deze kennis er niet noodzakelijkerwijs van te voren is/ wij deze niet vanzelf al hebben, spreken we hier niet van a priori (voorafgaande) kennis, maar van a posteriori kennis.

*EMPIRISCHE KENNIS
Empirische kennis is kennis die (uiteindelijk) valt terug te voeren op onze zintuiglijke waarneming. Een belangrijke vorm hiervan is, zoals we hebben gezien, ervaringskennis. (Empirische kennis is per definitie a posteriori van aard.)

*KENNIS VAN HET ZUIVERE DENKEN
Deze puur rationele kennis valt niet terug te voeren op de empirie of op onze ervaringswereld.

*ZUIVERE KENNIS
Kennis is zuiver wanneer deze ofwel puur zintuiglijk van aard is ofwel puur rationeel (d.w.z. voortspruitend uit ons denkvermogen).

*INHOUDELIJKE KENNIS
Kennis van de dingen zelf

*LOGISCHE KENNIS
Abstracte kennis (van verbanden) die noodzakelijkerwijs waar is.

*OBJECTIEVE KENNIS
Kennis die niet aan één subject gebonden is, en die (in principe) voor iedereen dezelfde is/ moet zijn.

*SUBJECTIEVE KENNIS
Individuele kennis die aan één individu/ subject gebonden is, en die niet voor iedereen dezelfde is.

De metafysische werkelijkheid

Terug nu naar de vraag of er een metafysische werkelijkheid bestaat. De kennis die we hiervan zouden moeten hebben is per definitie a priori. Deze is er immers al/ of deze hebben we (ergens) al (nog) VOORDAT deze bewust bij ons aanwezig is. Bovendien moet deze kennis objectief en noodzakelijkerwijs waar zijn.

Maar betekent dit ook dat a priori kennis altijd en overal waar is (i.t.t. wat we hierboven leken te veronderstellen)? Dus ook in de werkelijkheid buiten ons? Hier stuiten we op een heikel punt. Kant wijst er namelijk op dat we alles wat we zintuiglijk waarnemen automatisch plaatsen in de tijd en in de ruimte. Hoewel zintuiglijke kennis empirisch en a posteriori is, is de kennis van ruimte en tijd die we gebruiken bij onze zintuiglijk waarneming dat niet. Deze kennis hebben we namelijk AL VOOR zo'n zintuiglijke waarneming ter beschikking. Zij is dus a priori van aard.

Maar is ONS BEGRIP van ruimte en tijd daarom ook altijd en overal waar? Ook buiten ons? Het antwoord luidt, nee.

Laten we beginnen met tijd. Tijd heeft te maken met verplaatsing, verandering en beweging (van het een t.o.v. het ander), maar is in de grond niet wat wij er in onze beleving van hebben gemaakt. Een beleving, een VOORSTELLING die we overigens koppelen aan ons ruimtebesef. Want rangschikken we tijdstippen niet van nature op een lijn, het ene na het andere? Tijd is een voorbeeld van a priori kennis die desondanks niet altijd en overal waar is. Het is kennis die niet buiten ons, maar wel in ons noodzakelijkerwijs waar is. Zij is immers voor iedereen dezelfde, en in die zin objectief.

Als tijd nu a priori kennis is die in onze mentale wereld noodzakelijkerwijs waar is, maar niet daarbuiten, dan kunnen we niet langer volhouden dat alle a priori kennis per definitie altijd en overal waar is. Dus kunnen we, zonder dat we daarbij in natuurkundige details hoeven te treden, de vraag opwerpen of ons begrip van ruimte dan wél buiten onze mentale wereld noodzakelijkerwijs waar zou zijn. Sterker nog, we hebben alle rede om daar sterk aan te gaan twijfelen. En daarmee lijkt het bestaan van een hele metafysische werkelijkheid steeds meer een sprookje te worden.

Zeker, want het bouwwerk van de metafysica lijkt als een kaartenhuis in elkaar te zakken. We hebben hier duidelijk te maken met een domino-effect: met de zekerheid van het 'buiten-menselijke' of liever 'buiten-mentale' bestaan van tijd (volgens Kant beleven ook dieren waarschijnlijk tijd op eenzelfde wijze als wij) valt die van alle a priori kennis en dus ook die van ruimte. Maar als die van ruimte is gevallen, wordt automatisch ook die van de wiskunde aan het wankelen gebracht. Want is de hele geometrie niet zo'n beetje opgetrokken uit ons begrip van ruimte?

Alles blijft een vreemde

Als we de balans opmaken, dan zijn wij als mensen behoorlijk geïsoleerd geraakt:

*De dingen zélf blijven in hun werkelijke zijn voor ons onbekend.
Dus is en blijft de wereld der dingen ergens een vreemde voor ons.

*We zitten opgesloten in onze eigen mentale wereld die geen getrouwe afspiegeling blijkt te zijn van de wereld om ons heen, laat staan van een metafysische werkelijkheid.

*We zijn dus evenmin met een metafysische werkelijkheid verbonden: Want deze bestaat niet of is voor ons mensen simpelweg niet kenbaar.

*God bestaat niet of is een vreemde voor ons. Volgens Kant kunnen we in ieder geval vanuit de wetenschap niets zinnigs zeggen over God.

ALLES IS ONS VREEMD:
De dingen zelf Onze zintuiglijke waarnemingen en onze voorstellingen zijn subjectief en niet conform dé werkelijkheid
De metafysische werkelijkheid Voor zover deze bestaat, is deze voor ons onkenbaar
God Voor zover deze bestaat, is deze voor ons onkenbaar
Macrokosmos De macrokosmos wordt niet op getrouwe wijze afgespiegeld in onze 'microkosmos', mentale wereld


Wat ons dan misschien nog wél verbindt is dat we een deel van onze mentale wereld met elkaar delen (waardoor deze objectief is).

Verder op weg naar de vervreemding

De weg naar de vervreemding lijkt te beginnen bij de opkomst van de landbouw: Wegen werden aangelegd, kanalen, en ook ons denken werd rechtlijniger. Ons schrift lineair. Onze meerdimensionale, mythologische beleving vervlakte. Van een open-symbolen-panorama waarin we volop associeerden en onze verhalen creëerden, kwamen velen van ons zelfs uit bij een strak wettisch denken en 'sola scriptura'. Het werd meer filteren dan verruimen. En ook het web der verbanden dat de wereld in onze beleving omspande, leek als in een herfstwind weg te waaien en heen te gaan.

Wakkerde Aristoteles het vuur der vervreemding aan? En ging met zijn 'Over de Ziel' het licht in onze binnenwereld uit? Ging onze innerlijke bibliotheek dicht? En ons innerlijk weten heen? Spiegelde de macrokosmos zich niet langer in de microkosmos? En bleef er van verlichtte en verbonden zielen niets over? De nadruk kwam nu in ieder geval te liggen op de materie. Op natuurlijke lichamen. Op vormen, structuren. Op lichaamsfuncties. Op de zintuiglijke waarneming en op onze rede. Ons verstand. Ons brein, wel beschouwd.

Die beweging van binnen naar buiten leek door te zetten: Met Abaelardus ging het draaien om de harde, logische bewijskracht. Die geleverd diende te worden met onze rede. Ons verstand. Met een functie die of een vermogen dat als een soort instrument, een soort machine informatie uit de buitenwereld kon verwerken en omzetten in objectieve, mentale constructen. Ons subjectieve, innerlijk weten, ons gevoel en onze intuïtie konden daarbij eigenlijk alleen nog maar lelijk in de weg staan. De aandacht verschoof (in moderne bewoordingen) van binnenwereld naar brein.

Descartes was een meester in het schermen. Letterlijk en figuurlijk: Hij haalde hard uit naar alle theologen, astrologen en filosofen. Om van de magiërs nog maar niet te spreken. TABULA RASA. Weg met alle kennis die niet stoelt op het mathematische denken. Op de rede. Op de ratio. Van tafel ermee!

De 'trein van het brein' denderde voort, dwars door de Verlichting, door naar onze moderne tijd. 'We zijn ons brein'.

Kant nu hulde de mens in een dikke mist van onwetendheid: De dingen konden wij niet kennen, niet in wie of wat zij zelf waren. De on-kenbaarheid der dingen. Wat wij wisten waren louter mentale constructies; voorstellingen van de werkelijkheid, maar niet de werkelijkheid zelf. In die zin was alles om ons heen . . . een vreemde, vreemd.

Ondertussen zag Sint Franciscus rondom ruïnes. Ruïnes van kerken en kapellen. Ruïnes van het christelijke geloof en van de kerk in figuurlijke zin. Ruïnes van barmhartigheid, naastenliefde en verbinding . . . : In de moderne steden van toen had de vervreemding toegeslagen. Op alle domeinen van het leven: Vervreemding van jezelf, vervreemding van je naaste, vervreemding van zieken, leprozen en hulpbehoeftigen, vervreemding van de natuur, van eerlijke arbeid en dienstbaarheid . . . vervreemding van God.

Vervreemde het monotheïsme ons niet van de Godin? Of van het universele Vrouwelijk dat als natuurkracht werd vereerd? Of als kosmische of zelfs . . . goddelijke macht? En probeerde de katholieke kerk de verbinding niet te herstellen? Door van een EVA een AVÉ te maken?

Met de Beeldenstorm ging Maria weer aan gruzelementen. De Reformatie rekende af met een hele beeld- en symbolentaal die diep wortelde in de natuur en in de campagne. In de aarde waar wij in en uit zijn ontstaan. En waardoor wij gevormd en getekend zijn. Vanbinnen en vanbuiten. Ons verhaal verstomde en een wereld ging heen.

Steeds verder afgesneden van natuur & platteland kwam dit proces in de stedelijke gebieden in een stroomversnelling. En steeds minder wekten zij de natuur in ons, afgezonderd als wij waren van onze natuurlijke leefomgeving. Steeds zwakker klonk de stem van onze binnenwereld. Tot zij in diepe slaap was gevallen? Tot zij stilviel?

Stappen op weg naar de vervreemding
De opkomst van de landbouw
Minder mythologisch, meerdimensionaal beleven
Krimpend associatie-web
Vervlakking van het 'open-symbolen-panorama'
Rechtlijniger denken
Aristoteles(*)
Van de immateriële ziel naar de ziel in en uit een natuurlijk lichaam
Van de ziel als spiegel/ spiegeling van de macrokosmos naar een koppeling tussen ziel en lichamelijke functies
Van de ziel als verbinder met de metafysische werkelijkheid/ de natuur/ de kosmos naar een koppeling tussen ziel en zintuiglijke waarneming
Abaelardus
Van kennen/ weten/ waarnemen vanuit je binnenwereld naar logische beschouwing 'van buitenaf'
Van innerlijke kennis/ waarneming naar de rede/ het verstand als instrument voor logische bewijskracht
Descartes
TABULA RASA: weg met alle andere vormen van kennis anders dan die vanuit onze rede/ verstand
Van binnenwereld naar 'brein'
Kant
De on-kenbaarheid der dingen
VOORSTELLINGEN van de werkelijkheid
Wat wij waarnemen zijn voorstellingen van de werkelijkheid, niet de werkelijkheid zélf
(Vergelijk de wereld van een bladsnijmier met die van ons mensen)
Metafysische kennis is niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
NB Kennis van de metafysische 'werkelijkheid' is a priori kennis
A priori kennis is kennis die we al hebben, en die niet is verkregen uit onze zintuiglijke waarneming
Onze voorstelling van tijd ('op een lijn') is objectieve, a priori kennis
(We plaatsen onze waarneming allemaal op dezelfde wijze, automatisch in tijd en ruimte)
Echter: tijd is in de werkelijkheid buiten ons iets anders (verplaatsing van het een t.o.v. het ander)
Niet alle a priori kennis is noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
Metafysische kennis is a priori kennis, dus is deze niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
De wetenschap kan geen uitspraken doen over God
Theologische kennis is geen zintuiglijke kennis
Theologische kennis is metafysische kennis, en dus niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
We hebben te maken met de on-kenbaarheid der dingen, en met metafysische en theologische kennis die NIET noodzakelijk waar zijn in de werkelijkheid buiten ons
Franciscus van Assisi
Stedelijke samenleving/ afgesneden van natuur en platteland
Vervreemding van de natuur in je/ van je binnenwereld
Vervreemding van de 'van God sprekende schepping'/ Gods verhaal/ de stem van God
Het verval van de kerk/ het christelijke leven
Vervreemding van God
Vervreemding van je naaste en van naastenliefde
Vervreemding van nederigheid, barmhartigheid en dienstbaarheid
Vervreemding van het 'laboureuze' en contemplatieve leven
Vervreemding van taal en kunst uit onze binnenwereld (wortelend in evangelie, natuur en platteland)
De opkomst van het kapitalisme
Vervreemding van de eigenlijke producten en diensten/ de reële economie
Vervreemding van de eigenlijke arbeid/ het werkveld
Vervreemding van de gemeenschapszin
Institutionele vervreemding


ontkoppeling

INTERESSANTE LITERATUUR

Le Discours de la méthode, René Descartes

Das Europa der Aufklärung, Ulrich Im Hof

Kritik der Reinen Vernunft, Immanuel Kant



hirondelle

Van Verlichting naar vervreemding

Het oude katholieke Europa

In de eeuwen die volgden op Karel de Grote lag Europa grotendeels in de greep van de katholieke kerk. De Bijbelse geschriften waren gecanoniseerd (heilig verklaard) en het christendom geïnstitutionaliseerd. De kerk werd vanuit Rome door de hogere geestelijkheid (de paus, de bisschoppen en aartsbisschoppen) bestuurd, terwijl deze met haar lagere geestelijkheid (kapellanen en pastoors) het leven van de gelovigen van de wieg tot het graf bestierde. De pastoor was de herder, de parochianen waren zijn kudde.

Hoe zag het leven van de meeste katholieken eruit? Vlak na je geboorte werd je gedoopt. Dat moest vaak met grote spoed gebeuren want als je de doop níet haalde- de babysterfte was in die eeuwen schrikbarend groot-, dan miste je onverbiddelijk óók nog eens het eeuwige leven. Veel vrouwen stierven jong, veel moeders op het kraambed.

De mensen uit het Europa van toen waren door dit alles vertrouwd met de dood. Des te meer omdat zij in de regel met meer generaties onder een dak woonden, met drie of soms zelfs met vier. Met opa's, oma's of zelfs overgrootvaders en moeders erbij; ze leefden doorgaans meer in familie- dan enkel in gezinsverband. Toch zagen zij de dood vol vertrouwen en met een kinderlijk geloof tegemoet; je wisselde immers je leven in dit aardse tranendal in voor een veel beter bestaan in het hiernamaals. In dat opzicht kon meneer pastoor meer voor de mensen betekenen dan de geneesheren, die je áárdse leventje al niet of nauwelijks konden redden, laat staan dat zij je vooruitzicht konden bieden op de gelukzaligheid van een eeuwigdurend, hemels bestaan. Het hele leven was in de eerste plaats níet gericht op het geluk hier beneden, maar op het leven na de dood. Dat was ook wat de kerk je leerde: Want, 'waartoe zijn wij hier op aarde?' 'Om God te dienen en daardoor naar de Hemel te gaan'.

Vanaf het tweede deel van de zestiende eeuw leerde je op de catechismusles in een vraag en antwoordspel de katholieke leerstellingen op te dreunen. Het grootste deel van de bevolking was analfabeet. Lezen en schrijven was voorbehouden aan de adel en de geestelijkheid voor wie de ontwikkeling van het volk nu niet bepaald op de eerste plaats kwam. De verstandshouding tussen de edelen en de geestelijken van toen laat zich karikaturiseren met het bekende, 'houden jullie (de geestelijken) ze dom? Dan houden wij (de edelen) ze arm!' Als je niet tot deze bevoorrechte klassen behoorde, was de kans groot dat je gedoemd was te ploeteren, te ploegen en te zwoegen op het land, als boer, als boerenknecht of als dagloner. Het liedje 'Pauvre Martin, pauvre misère' van de Franse chansonnier Georges Brassens vat het leven van dit soort boerensloebers treffend samen:



Pauvre Martin,
Pauvre misère,
Creuse la terre,
Creuse le temps.



Pauvre Martin

Of anders werkte je vrijwel zeker in de nijverheid, aan spinnenwiel of weefgetouw, de textielindustrie of als ambachtsman, als bakker, brouwer of slager, als smid, timmerman of wagenmaker. En dan kon je nog van geluk spreken; want hoeveel zielen moesten niet een dakloos bestaan leiden? Hoeveel zielen moesten niet de straat slijpen? Rondzwerven over lange landbouwwegen? Of door onveilige bossen? Als marskramer? Of als scharensliep? Om van de bedelaren nog maar niet te spreken?

Het leven was zwaar. Boeren en boerenknechten moesten wroeten als mollen in de aarde. Ze moesten vechten tegen onkruid, ongedierte en niet zelden tegen de onvruchtbaarheid van hun grond. Tegen bederf, schimmel en rot. Ze waren overgeleverd aan de grillen van de natuur en van het weer. Misoogsten waren schering en inslag. De belastingen waren hoog, en de tienden moesten worden voldaan. Struikrovers maakten de wegen onveilig.

Toch voelden de mensen zich verbonden met de natuur en met hun arbeid. Ze leefden met de zon, de sterren en de maan, zonsopgang, zonsondergang en het middaguur, met licht en duisternis, met de aankondigingen die zich aftekenden in de lucht, wolkentekeningen, tinten en kleurschakeringen, met onweer, wind en regen, knallende zon, warmte en kou, droogte en/ of nattigheid. Ze leefden met de seizoenen en met de cycli, met de zaden, de wortels, en de bestuiving, met de knoppen, de bloemen, de knollen, de bollen en de vruchten. Ze leefden met de paartijd, de draagtijd, het lammeren en het kalveren, hun honden, katten, kippen en hun vee. Ze hoorden die roep van hun weiden, moestuinen, stallen, akkers en boom- of wijngaarden en wisten wat ze moesten doen, zaaien, maaien of oogsten, melken, mesten of het hooi binnenhalen, graven, ploegen, spitten of voederen. Lange dagen brachten zij buiten door op hun land, meestal in de omarming van de oorspronkelijke natuur, met bomen, bossen en/ of rivieren, wolven, beren, bergen en/of beken. De wereld om hen heen sprak tot hun ogen en oren, tong, neus en tastzin. En niet in de laatste plaats tot hun hart. Al die geuren, kleuren, beelden en geluiden, al die prikkels, al dat gevoel, dat alles was één groot, machtig verhaal. In de beleving van velen was het de stem van de Schepper, van God.

In de draaimolen van de Heer draaide je met kerk, kosmos en natuur mee. In je beleving ging je in het rond met de zon, rond in je gebeden; met de metten rond middernacht, de lauden rond zonsopgang, de sext rond het middag- en de vespers rond het avonduur, en weer rond, van voren af aan . . . De kerkklokken voerden je al luidend mee in de rondgang van het kerkelijke leven, met de roep ter kerke te gaan voor de vroegmis, de avondmis of de wekelijks wederkerende hoogmis.

De kerk of kathedraal lag meestal in de moederschoot van het dorp of de stad. De huizen lagen dromerig rondom geschaard, al kon het in de straten een drukte van belang zijn. Jaar in jaar uit kwamen met de seizoenen gekerstende land- , licht- en landbouwfeesten terug, en in het goede gezelschap van deze christelijke feestdagen, Pasen en Pinksteren, Carnaval en Kerst . . ., en heiligendagen, van alle mogelijke lokale en alom bekende sinten, van Sint Gerlach die als kluizenaar een heilig leven leidde in een oude eikenboom (5 januari), Sint Joris die in vele volksverhalen draken versloeg (23 april), Sint Maarten op wiens feestdag (11 november) de kinderen in het pikkedonker met lampionnen langs de deuren gingen, tot de driekoningen die de pas geboren Jezus hun groet kwamen brengen (6 januari), aan toe.

De grote gebeurtenissen van je leven stonden onder de regie van de kerk, ze hadden veel weg van een geestelijk schouwspel. Je leven werd ingeluid in de kerk, je deed je eerste communie in de kerk, je trouwde in de kerk, je liet je kinderen dopen in de kerk en je werd begraven bij de kerk, in gewijde grond. Je leefde onder de vleugels van de kerk, en je deelde er je liefde, je lijden en je leut. Dat laatste vaak in het dorpscafé tegenover . . . de kerk. Wanneer het moment gekomen was waarop je je laatste adem ging uitblazen en het tijdelijke inwisselen voor het eeuwige, dan was daar meneer pastoor die je de laatste sacramenten gaf. Het laatste ritueel van de velen die je in je roomse leven mocht meemaken.

De kerken hadden veel weg van een theater waarin toneelstukken vol ritten en rituelen werden opgevoerd, bewierookt met mysterieuze zang, wierook en kerk-latijn, een taal waar simpele keuterboertjes geen iota van begrepen. De wonderen waren de wereld nog niet uit. Tijdens de eucharistieviering, een vast onderdeel van de hoogmis, brak de priester een brood en nam hij een slok van de miswijn. De wijn veranderde daarbij in het bloed en het brood in het lichaam van Jezus Christus. Een wonder dat in die tijden letterlijk genomen diende te worden en zeker niet symbolisch moest worden opgevat.

Voor de gewone sterveling die vaak in een armoedig, bouwvallig boerderijtje of landarbeidershuisje woonde, waren de kerken en kathedralen indrukwekkend grote en hoge gebouwen waarvan de torens zo’n beetje in de hemel staken. Wanneer een simpel keuterboertje vanuit zijn berooide, krakkemikkige wereldje waarin hij als een kip zijn kostje bij elkaar moest scharrelen, de kerk binnentrad, moet hij diep, diep onder de indruk zijn geweest. In de enorme, duizelingwekkend hoge ruimte werd hij overspoeld met pracht en praal en werd hij overweldigd door alle luxe, luister en statigheid. De gigantische, gebrandschilderde ramen, de crucifixen, de Mariabeelden, de heiligenbeelden, de engelen met harpen en hemelse trompetten, de wandversieringen, de Bijbelse taferelen in het rond, de pilaren, de bogen, het schip, de kaarsen, het altaar, het lichtspel en de gouden lambrisering, de gewijde sfeer, de geur van wierook en heiligheid, en dan nog het weerkaatsende geluid dat er een hemelse dimensie aan gaf . . . het moet hem telkens weer het gevoel hebben gegeven dat hij in een andere, goddelijke wereld was terechtgekomen.

Met haar zinnenstrelende, meerdimensionale beeld- en symbolentaal sloot de katholieke kerk naadloos aan bij de oude, mythologische werelden.

Ook de geestelijken baadden niet zelden in weelde en luxe. Meneer pastoor mocht nog wel eens een bourgondisch, goed met wijn begoten leven leiden. Misschien is het grapje van de bekende Vlaamse schrijver Felix Timmermans hier wel treffend: Ah Ja, want wat is het verschil tussen Jezus en een varken? Wel, Jezus stierf voor ons allen, maar het varken alleen voor meneer pastoor.

Het leven was voor de kleine man van die dagen daarentegen hard en zwaar. Maar je stond er niet alleen voor. Allereerst had je God, de Vader. God was liefdevol en machtig. Daarbij was hij barmhartig en vergevingsgezind. Had je een bezwaard geweten? Knaagde er iets aan je? Had je een schuldcomplex? Bekommering des geestes? Foute neigingen? Kon je de verleidingen niet weerstaan? Of was je in bekoring? Had je iets fout gedaan? Was je de mist in gegaan? Of kon je niet met jezelf in het reine komen? Dan hoefde je van je hart geen moordkuil te maken. Want dan kon je alles opbiechten in de beslotenheid van het biechthok en vergeving krijgen voor je zonden. Je kon weer in het reine komen en met een schone lei beginnen. Dat was makkelijk zat en wat meer is, je biechtvader mocht niet uit de biecht klappen. Alles bleef tussen jou en hem, tenminste . . . ook God wist er natuurlijk van. Vervolgens had je een heel leger aan heiligen die je konden helpen op van allerlei terreinen van het leven. Ze konden een goed woordje voor je doen bij God en je zodoende laten genezen van je ziekte. Ze konden je bijstaan in de strijd en je beschermen in de beoefening van je vak. Veel heiligen waren patroonheilige van een land, een streek, een gilde of beroepsgroep. Meneer pastoor was de herder die zijn schapen hoedde voor het kwaad en met zijn zielzorg geestelijk sterkte. Ook híj kon je met raad en daad bijstaan.

Maar veruit het belangrijkst was in de beleving van vele katholieken de Heilige Maria, hun Mater Dei! Maria die middellaarster was tussen de mensen en God. De Heilige Moeder die de aarde met de Hemel verbond. Onze Lieve Vrouw die goed bereikbaar was, dicht bij je stond, die liefdevol was, warm en met wie je een intieme band kon hebben, maar die tegelijk machtig was, majestueus, hemels.

Verder had je nog je engelbewaarder die met zijn 'krekelstemmetje' je geweten liet spreken. De 'krekel' die je op het rechte pad wilde houden, soms tot vervelends toe. De engelen, zeker, die waren er en hulden de wereld in wonderen voor wie daarin geloven wilde.

Je had de seculiere geestelijken die te midden van de mensen stonden, maar ook de reguliere geestelijken die zich uit de waan van alle dag hadden teruggetrokken en in hun kloosters een aan God gewijd bestaan leden. Zij waren geen deel van deze zotte wereld, al ontfermden zij zich over de mensheid. Niet alleen door het gebed, maar ook, bijvoorbeeld, door het ontginnen van woeste gronden, de aanleg van landbouwgronden, de bouw van watermolens, de armenzorg en de verzorging van zieken. Bovendien vormden de kloosters vaak een veilige haven voor hen die opgejaagd of anderszins in gevaar waren. En ook in het klooster kon je een liefdevol, wijs en waardig luisterend oor worden geboden.

Toch was de katholieke kerk aartsconservatief en weinig gericht op vernieuwingen. Zij moet Europa eeuwenlang, heerlijk hebben in-gesust. Misschien zelfs nog weleens in de maling hebben genomen, getuige de lucratieve handel in aflaatbrieven, waarmee je je straf in het hiernamaals (eeuwig branden in de hel) voor een lief sommetje kon afkopen, en relikwieën die de kas van de kerk spekten. Relikwieën die, als ze échte overblijfselen van heiligen waren geweest, ons een raar, om maar niet te zeggen verontrustend beeld van deze sinten zouden moeten geven. Zo zouden er zijn geweest die honderden tanden moeten hebben gehad, en een mond waar een haai jaloers op kon zijn. Maar o wee je gebeente wanneer je hier openlijk mee spotte of anderszins bezwaar tegen maakte. De straffen die op ketterij stonden waren voor de duvel niet mals. Martelingen die je met al hun wreedheid en vernuftigheid steil achterover doen slaan, huiveringwekkende executies, heksenvervolgingen en verbrandingen- de kerk was niet altijd en overal wars van achterlijk bijgeloof-, uitbuiting en onderdrukking vormden de schaduwkant van een kerk waarin velen zich oprecht en te goedertrouw hebben ingezet voor hun medemens.

Karel de Grote had niet alleen een katholiek stempel op Europa gedrukt, maar hij had ook het feodale stelsel in het leven geroepen. Als geen ander begreep hij dat hij in zijn eentje onmogelijk de controle kon houden over zijn voor die tijd grenzeloos grote rijk. Dat hij zich niet in stukjes kon splitsen om overal tegelijk te zijn, tot in alle uithoeken van zijn grondgebied aan toe. Des te minder daar hij te maken had met ondoordringbare bergen, bossen en moerassen, met ondoorwaadbare, woeste wateren, met een 'wildgroei' aan verschillende zeden, culturen en gewoonten en met talloze 'eigenzinnige' en strijdlustige volkeren. Het getuigt van diep inzicht dat hij zijn rijk wél in stukken verdeelde en land in leen gaf aan heren die hem daarvoor in ruil bescherming, trouw en een deel van de opbrengsten verschuldigd waren. En misschien nóg wijzer was wel dat hij de boeren en de burgerbevolking óók onder bescherming liet stellen van deze vazallen, die op hun beurt onder hun onderdanen soldaten konden rekruteren en/ of oproepen voor het gevecht.

Toch zat er wel een maar aan deze oplossing. Iets dat in de loop van de tijd steeds duidelijker werd: Een klassenmaatschappij ontstond waaruit zich niet alleen de hoge en de lage adel ontvouwde, maar ook het plebs en met dit alles een groeiende sociaal economische ongelijkheid. Tegelijkertijd kregen de edelen kinderen en die weer kinderen, met een steeds verdergaande versplintering van de verschillende landen ten gevolg. Een wildgroei aan vorstendommen, hertogdommen, graafschappen, baronie&eyml;n, stadsstaten, heerlijkheden, kerkstaten, stiften en noem het maar op maakte van de kaart een steeds onoverzichtelijker en onbegrijpelijker geheel. Laat staan dat de bevolking van die tijd het nog kon volgen. De bekende Bretonse schrijver Chateaubriand zag deze ontwikkeling zelfs uitmonden in 'graven van een kippenhok'.

Een tegenbeweging kon niet uitblijven. Absolutisme en zelfs despotisme kropen als een kwaadaardige spin uit het ei. Centralisme culmineerde in het Frankrijk van Lodewijk XIV, de zonnekoning, die zijn rijk vanuit Versailles met harde hand regeerde.

De Renaissance

In de zekerheden die de mensen in het oude, katholieke Europa hadden, ontstonden stiekem aan scheurtjes. Was de kerk wel zo alwetend? Met de kruistochten en de komst van de Joden in Europa kwamen de Europeanen steeds meer in aanraking met de Arabische cultuurschatten, waaronder vele Oud Griekse geschriften die de 'Saracenen' zorgvuldig hadden bewaard en/ of vertaald. Kennis uit de Oudheid stroomde de katholieke wereld binnen.

Verfrissend vonden velen. Vernieuwend. Verheffend. Een hele beweging werd op gang gebracht. De Oudheid werd wedergeboren. De Renaissance deed haar intrede in Europa. De oude, katholieke wereld werd al aan het wankelen gebracht, maar kreeg nóg een zetje. De wetenschappelijke kennis en inzicht die vanuit de Arabische wereld tot ons kwam, begon te gisten en te werken in de hoofden van de Europeanen, en werkte een verandering van ons wereldbeeld in de hand. Vergeet niet dat in die periode ook Aristoteles in de oude, katholieke wereld werd ontdekt!

Observaties zetten aan het denken. Rekenpartijen begonnen te pleiten tegen de oude, ingeblikte kennis. Men begon zich dingen ernstig af te vragen. Eerst heimelijk. Daarna openlijk. Want wás de aarde wel plat? En niet rond? Want hoe kon het anders komen dat scheepjes aan de horizon verdwenen?! En ons planeetje? Stond zij wérkelijk in het middelpunt van het universum? En dan, was het écht zo dat de zon om de aarde draaide en niet andersom?

Copernicus toonde aan dat de kerk het bij het foute eind had. Maar helaas! moest hij het bekopen met de brandstapel. De kerk liet niet met zich spotten. Toch verloor Zij steeds meer grip op de intellectuele wereld die met groeiende belangstelling naar de Griekse en Romeinse Oudheid ging opkijken. Ook binnen de gelederen van de geestelijkheid zelf won dit 'nieuwe-oude-gedachtengoed' aan invloed. Voortaan leefde niet alleen Plato in het christelijke denken, maar ook Aristoteles kreeg er een voorname plaats.

Mede dankzij Thomas van Aquino, een Italiaans geestelijke, theoloog en filosoof uit de dertiende eeuw. Dat mag misschien enigszins verbazen. Want rekende Aristoteles niet af met de kennis van binnenuit? Verwees hij de ideeënleer niet naar Fabeltjesland? Vond hij het bestaan van universalia geen klinkklare onzin? En zaten de soorten niet tussen onze twee oren? Plaatste hij het zijn niet in het exemplaar? En het leven niet in het individu? De ziel nu. Hoe leerden wij die volgens hem kennen? Was dat niet door te kijken naar de levende natuur? Door te observeren? Te bestuderen? En koppelde hij zodoende niet het leven aan het lichaam? En het lichaam aan het leven? En getuigde dit niet van een verregaand materialistisch denken, zo middenin een Platonisch denkende omgeving? En onze kennis? Kwam die nu niet langer van bínnenuit, maar van buítenaf? Via onze zintuiglijke waarneming? En betekende dat niet een hele ommekeer? Waren onze zintuigen nu plotseling géén verraders meer?! En geen bron van bedrog?

De logica nu. Zetelde deze in een metafysische werkelijkheid? Of troonde deze in een Platonische ruimte? Volgens Aristoteles niet. Volgens hem was de logica het kind van de rede, een natuurlijk vermogen waarmee we (op basis van onze zintuiglijke waarnemingen) de natuurlijke werkelijkheid kunnen begrijpen en indelen in soorten en categorieën.

Terug naar Thomas van Aquino. Hoe kon hij het christendom in lijn brengen met Aristoteles? Vrij simpel. Als God zich namelijk nu eens níet (alleen) vanbinnen openbaarde? Maar zich (ook) buíten ons, in de natuurlijke werkelijkheid, manifesteerde? Als Hij zich liet kennen door Zijn schepping heen? Dan waren onze zintuiglijke waarnemingen op slag een belangrijke kennisbron! En werd de weg geplaveid voor de natuurwetenschappen.

Mogelijk was Thomas van Aquino ook beïnvloed door Franciscus van Assisi die zo'n 3 jaar na zijn geboorte heilig was verklaard. Een heilige die waarschijnlijk los van Aristoteles weer ruimte gaf aan onze zintuigen. Die de stem van God hoorde in de natuur en die het contemplatieve leven omarmde.

In meerdere opzichten kwam er beweging in het Europese denken dat in de zekerheden van het oude katholicisme leek te zijn ingedommeld. Werden beetje bij beetje de poten onder haar zetel weggezaagd? Zeker is dat het oude katholieke Europa werd wakker geschud door nieuwe ontdekkingen. De wereld bleek veel groter dan we dachten. Nieuwe continenten, nieuwe werelddelen, en daarmee hele nieuwe werelden, met andere culturen, andere beschavingen en exotische charmes kwamen aan het licht en verlichtten de geesten. Marco Polo (1254-1324) liet de Europeanen ruiken aan het geurige, zinnenbetoverende oosten, met Perzië, Indië en China. Terwijl Christoforo Columbo of beter bekend als Columbus (1451-1506) Europa verraste met het bestaan van het verre westen, Amerika.

Het oude, katholieke Europa werd opgeschud, iets dat in de kunst van die tijd goed te merken is. In de literatuur, de muziek, de schilder- en de beeldhouwkunst werd het een drukte van belang. Alles was vol, sierde, zwierde, kringelde en krulde.

De Reformatie

Donkere wolken trokken zich samen boven het rijk waarin de mensen al eeuwen in de molen van Rome meedraaiden. Maar dan was daar die steen des aanstoots; die duivelse aflaat! Rook die niet naar handel in Gods Tempel?! En was dat geen gruwel voor Jezus aangezicht? Ontstak Gods Zoon niet in toorn? En dreef hij al die handelaren en geldwisselaars niet pardoes de tempel uit? Was zulk een aflaat überhaupt wel Bijbels? En was de Bijbel niet Gods Woord? Erger nog waren al die heiligen dat wel? En al hun verering of zelfs aanbidding niet nog minder? Wekte dat alles niet de schijn van afgoderij? Al die heiligenverhalen dan, al die symboliek, al die wonderen, al die ritten en rituelen, al die 'theatervoorstellingen', waren die geen eigen leven gaan leiden? En waren we met al die pracht en al die praal, met al die rijkdom en al die luxe niet ver afgedwaald van de eenvoud van het evangelie? Van het apostolische leven? Van de schrift? Of wat te zeggen van al die beelden, al die afbeeldingen, al die ornamenten en al die wierook, trokken die geen mistgordijn op waarin Gods Woord de Bijbel, de Heilige Schrift, uit het zicht raakte?

Het gemor was begonnen. In 1517 leidde dat tot de actie van een Duitse monnik, Maarten Luther, die 95 stellingen aan een kerkdeur nagelde. Hiermee maakte hij zijn bezwaar tegen van allerlei mistoestanden in de katholieke kerk in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar, waaronder die van de handel in aflaten. Twee jaar later werd hij geëxcommuniceerd, zonder pardon uit de katholieke kerk gezet. Maar Luther gaf de strijd niet op, ging verder met zijn verzet. Het protestantisme was geboren, de Reformatie begonnen. Een schisma een feit.

Luther

Luther spijkert stellingen op een kerkdeur

Radicalisering vond plaats. Vooral met de opkomst van het calvinisme. Johannes Calvijn (1509-1564) was van Franse origine, maar liet vooral in het Zwitserse Genève een straffe wind waaien. Hij was jurist, theoloog en predikant, maar bovenal de grondlegger van een buitengewoon strenge christelijke leer. Hij was de geestesvader van de predestinatieleer- volgens welke God je al voor je geboorte had voorbestemd voor de hemel of de hel-, van calvinistische rechtspraak en kerkelijke tribunalen en bovenal van een calvinistische staat. Men diende recht in de calvinistische leer te zijn- rekkelijkheid werd niet geduld-, en zich strikt aan de calvinistische wetten te houden. Dit alles moest met harde hand worden gehandhaafd. Rechtlijnigheid, boetedoening en tucht waren het devies.

Calvijn

Calvijn was een enthousiast voorstander van de doodstraf. Lijfstraffen hoorden daar als vanzelfsprekend bij. Zo belandde de Spaanse theoloog Michel Servet vanwege zijn kritiek op Calvijn mede door diens toedoen op de brandstapel.

Het schrift en de geschriften

'Sola scriptura'


Met het protestantisme en het calvinisme voorop vond een kaalslag plaats in onze christelijke beleving. Niet langer sprak God door Zijn schepping heen. Niet langer sprak hij daarmee tot onze oren en ogen, tot onze tong en neus. Tot ons hart. Niet langer manifesteerde Hij zich in de natuur, noch in Zijn wonderwerken. Niet langer openbaarde Hij zich in onze binnenwereld. En niet langer verscheen Hij op mystieke wijze in onze dromen en visioenen. Het verhaal van God dat in het katholicisme uitstroomde in een 'sprookjeswereld' vol beelden, geuren en geluiden, ritten, rituelen en 'theater', werd het zwijgen opgelegd. Aan de wortels van de boom der heiligen werd de bijl gezet. Hagiografieën en andere heiligenverhalen werden weggesnoeid, waren plotseling uit den boze. De weelderig tierende symboliek werd geknot. Het mythologische web der verbanden en associaties als spinrag weggehaald. De warme, intieme band met Maria verboden. Terwijl in de beeldenstorm het beeld, de beeldtaal en de verbeelding aan diggelen gingen. De meer mythologische, méérdimensionale beleving van het geloof werd drooggelegd, ingedijkt, ingepolderd, afgevlakt. De lange, rechte weg van het protestantse geloof aangelegd. Een geloof dat louter en alleen nog op de schrift gebaseerd mocht zijn. 'Sola scriptura'(de Schrift alleen).

De schrift die geen ruimte mocht geven aan vrije associaties en verbanden. Waarin de woorden als in een wet bij elkaar de betekenissen afdwongen, inperkten, inpaalden en bepaalden. Die verre van poëtisch, maar wettisch, rechtlijnig en eenduidig diende te worden geïnterpreteerd en opgevat. In protestantse kringen werd de exegese met al zijn haarkloverijen de favoriete tak van sport.

Sixtijnse kapel Rome

Kaal interieur gereformeerde kerk

Naar lineair schrift

Staat de Reformatie op zichzelf? Is deze alleen ingegeven door de wantoestanden van die tijd? Of lopen de lijnen langer? En kunnen we deze in een groter verband plaatsen (Even los van puur theologische zaken)?

We maken even een sprong in de tijd, naar de onze om precies te zijn. We verlaten Europa en reizen naar Australië. We zijn aangekomen bij de Aboriginals. Jagers-verzamelaars die met hun tekeningen talloze rotswanden laten spreken van hun mythologie; de Droomtijd (waarvan het heilige boek het Australische landschap zelf is en waarin we kunnen lezen over de belangrijke gebeurtenissen). De versierde wanden van dit Tropische Australië worden voornamelijk bevolkt door dieren. Net als in het Vézère-dal. En even als in het Vézère-dal vinden we er rijen strepen en stippen, op de wanden of in botten en beenderen.

Oudste rotsschildering Aboriginals

Maar wat verschilt is dat de Zuid Franse grotkunstcultuur is uitgestorven. De Cro-magnonmensen van toen zijn dood en begraven. Hun stromen kunstwerken zijn stilgevallen, en hun wandtekeningen stille getuigen uit een ver verleden. We kunnen ze niets meer vragen. Wat die strepen en stippen mogen betekenen, bleef lang een mysterie. De rotswandcultuur van de Aboriginals daarentegen is springlevend. Hun collectie kunstwerken groeit met de dag. Belangrijker nog is dat we vandaag de dag ook de hele context nog kunnen observeren. Bij de Aboriginals dienen de versierde rotswanden als het decor in een theater. De strepen en stippen helpen daarbij de teksten op te zeggen. Ze zijn een geheugensteuntje voor de voorganger. Ze geven ritme en maat aan.

Maar dat is nu, in Australië, en niet in het Frankrijk van de IJstijd. Mogen we dus zomaar concluderen dat de strepen en stippen daar dezelfde functie hadden als bij de inheemse bevolking van het huidige Australië ? Daar zit een risico in, vooral omdat de mensheid evolueert. De Aboriginals van nu zijn nu eenmaal niet de Aboriginals van 17.000 jaar geleden, laat staan de Cro-magnonmensen uit die tijd. Maar nu komt het: De oudste rotswandtekeningen in Australië zijn wél zo'n 17.000 jaar oud. En wat meer is: Er is sprake van een duidelijk continuüm. Veel is duidelijk overgeleverd zonder daarbij ingrijpende veranderingen te hebben ondergaan. En dat al duizenden jaren lang, tot op de dag van vandaag. Met een slag om de arm kunnen we dus stellen dat óók bij de Cro-magnonmensen de tekeningen de tekst begeleidden en/ of de tekst de tekeningen. Gezien de associatieve en daarmee scheppende kracht van de rotswandversieringen lijkt dat laatste waarschijnlijker.

Waar het hier omgaat is dat het lineaire geluidsmateriaal, de rijen stippen en strepen, en het meerdimensionale beeldmateriaal apart zijn weergegeven. Bij dergelijke jagers-verzamelaarsvolkeren zijn deze duidelijk niet in elkaar geïntegreerd. Als we het beeld alle ruimte willen geven, dan rijst het het driedimensionale in. Dan maken we er een panorama van. Stellen wij ons nu op in het middelpunt, dan kunnen we tekeningen met elkaar verbinden als sterren aan de hemel. Dan kunnen we associaties maken, verbanden leggen, verhalen vinden, scheppen en creëren. Want waarom zou je eigenlijk een albatros willen opsluiten in een kooitje? Of de ruimte en vrijheid van het beeld inperken? Vangen in een rechte lijn? Voor het beeld hebben we in principe de keus. Maar hoe anders ligt dat niet voor een woord, een zin, een gesproken tekst! De klanken volgen elkaar op, de een na de ander. Ze volgen elkaar op in de tijd. Het zijn lineaire sequenties. Per definitie rechte lijnen. Hier hebben we geen keus. Eigenlijk alle reden dus om beeld en geluid los van elkaar weer te geven.

Maar tijden veranderen. Het overgrote deel van zijn geschiedenis heeft Homo sapiens geleefd als een jager-verzamelaar, tot zo'n dikke tienduizend jaar geleden de landbouw ontstond. Met de landbouw werd het landschap steeds meer ingericht. Wegen werden aangelegd, kanalen gegraven. Ons denken werd zoetjes aan wat rechtlijniger. Doelgerichter. Economischer. Iets dat we kunnen terugvinden in de voorlopers van ons schrift. De (conventionele) tekeningen en open symbolen (die in een wisselwerking tussen individuen en de groep ontstonden) gingen er steeds gestileerder uitzien en verschenen steeds vaker in één vlak of zelfs in één lijn. Langzaamaan maakten mythogrammen plaats voor pictogrammen, tekens die nog altijd tekeningen waren van een ding of levend wezen, maar die behoorlijk aan ruimtelijkheid hadden ingeboet.

'Sixtijnse kapel' Lascaux

Dieren in reliëf Lascaux

Hiërogliefen Oude Egypte

Evolutie van het Chinese schrift

De landbouw floreerde vooral op de vruchtbare gronden langs grote rivieren zoals de Eufraat en de Tigris in Mesopotamië, de Nijl in Egypte of de Gele Rivier in China. In deze gebieden groeiden niet alleen de gewassen, maar ook de bevolkingen. Met het water wasten ook de nederzettingen aan. Dorpen ontstonden, steden, een hele infrastructuur. Van leven in klein-stamverband was absoluut geen sprake meer.

Al die mensen bij elkaar riepen om orde, om voorzieningen, om technieken, om een infrastructuur, een organisatie, een administratie, een rechtssysteem, een bestuur. Belasting werd geheven, terwijl de teksten vaak technischer werden, zakelijker, administratiever en/of 'juridischer' van aard. 'Militairder' zelfs. Maatschappelijker. Abstracter.

Het gevolg laat zich raden: Met de toename van technische en maatschappelijke begrippen, 'tekenden' de tekens steeds minder waar zij voor stonden. In plaats daarvan gaven zij hoe langer hoe meer een bepaalde klank of letter weer. Deze ontwikkeling valt mooi waar te nemen bij de Egyptische hiërogliefen. Zo had je, bijvoorbeeld, het teken voor 'mond'. Wie dit teken bekijkt kan er met het grootste gemak inderdaad een mond in herkennen. Het is een gestileerde, maar figuratieve tekening. Het Oud Egyptische woord voor mond bestond uit één klank, de 'r'. Al snel verwees het teken niet langer meer naar genoemd lichaamsdeel, maar naar de hier net genoemde letter en klank.

De letter 'r' in het Oude Egypte

Van mythogrammen komen we via pictogrammen uit bij een schrift waarin beeld en geluid steeds verder versmelten. Tenslotte legt het figuratieve karakter van de tekens het af, en wijkt dit voor hun nieuwe, auditieve karakter. Afbeeldingen veranderen in klankweergaven. En deze klankweergaven hoe langer hoe meer in abstracte letters. Het fonologisch bepaalde schrift is geboren.

Het schrift in de gebruikelijke zin van het woord, is zo'n 5000 à 6000 jaar geleden ontstaan bij de Indianen. Bij de Azteken en de Maya’s die landbouw bedreven en in grote agglomeraties leefden. In min of meer diezelfde periode verschijnt het schrift, onafhankelijk van deze Indianen, in een heel ander deel van de wereld; in het Midden-Oosten, bij de Soemeriërs die met hun spijkerschrift talloze kleitabletten vol kalkten. Iets later, zo'n 4500 jaar geleden, kwam een Chinees schrift op aan de oevers van de Gele Rivier. In het Midden-Oosten ontstond een schrift dat in een rechte lijn van links naar rechts en dan weer van rechts naar links liep. Zigzaggend als een ploeger die zijn akker bewerkt.

Als we de mythogrammen bij de jagers-verzamelaarsvolkeren als de oorsprong van het schrift tellen, dan is het zonneklaar dat het schrift op zichzelf in de loop van de geschiedenis haar mythologische, meerdimensionale karakter heeft verloren. Daarmee draagt het schrift zeker bij aan een zakelijker, rechtlijniger denken.

Filteren en wegzuiveren

Maar was het vuur in de smidse der mythologieën daardoor ook definitief uitgedoofd? En vlogen de vonken er niet langer meer vrij de ruimte in? Dat niet. De beeldkunst bleef volop bestaan en welig tieren in kerken, tempels en kathedralen, in kapellen en andere heilige plaatsen. Zij bleef verhalen en vertellen, creëren, associëren en verbanden leggen. Ook in niet religieuze context. Bovendien bleek het lineaire schrift wel degelijk als pakezel der mythologieën te kunnen dienen. Als drager van hun teksten. Als een kanaal, een medium.

Echter, het schrift zélf droeg niet of nauwelijks meer bij aan de creatie, de schepping of misschien zelfs aan de ontdekking van een mythologische werkelijkheid (of schijnwerkelijkheid). Maar vorm en inhoud van de teksten konden dat wél. Niet voor niets hebben we de poëzie uitgevonden (of ontdekt).

Natuurlijk helpt de dichtkunst met haar rijm, haar ritme, haar maat en haar metriek bij het memoriseren van de tekst. En vanzelfsprekend giet zij de tekst in een elegante, gracieuze vorm of geeft zij er anderszins een bijzonder cachet aan. Om maar niet te zeggen dat zij de tekst laat zingen. Maar er is meer. Dichtkunst voegt geluid bij en roept beelden op in onze gedachten, in onze geest. Zij maakt de tekst met zijn vorm en zijn inhoud beeldend en welluidend, sprekend en muzikaal. Vorm wordt inhoud, en inhoud vorm. De 'geest' rijst op in beeld en geluid, en beeld en geluid lossen op in 'geest'. Woorden ontmoeten er woorden in ongebruikelijke combinaties en constellaties. Woorden worden er symbolen, moleculen, atomen die elkaar in hun chemie bijzondere betekenissen geven. De alchemie der dichtkunst doet haar werk. Een schoolvoorbeeld:


Il pleure dans mon coeur
Comme il pleut sur la ville

(Paul Verlaine)



Il pleure dans mon coeur (Verlaine)

Wordt huilen regenen, en regenen huilen? Regent het trieste, melancholieke hart? En huilt de druilerige stad? Wordt binnen buiten? En buiten binnen? Of wat te zeggen van:


Il neige
Il neige sur Liège
Et tant tourne la neige
Que je ne sais plus
S'il neige
S'il neige vers Liège
Ou si c'est Liège qui neige vers le ciel

(Jacques Brel)


Il neige sur Liège

Of van:


Vois sur ces canaux
Dormir ces vaisseaux
Dont l'humeur est vagabonde
C'est pour assouvir
Ton moindre désir
Qu'ils viennent du bout du monde.

(Charles Baudelaire)


L'invitation au voyage

Worden de schepen er geen dromen? Dromen die je meenemen, meevoeren naar het betoverende Oosten? En Versmelten druilerige Hollandse Havens er niet met de charmes van Bali in een magisch mengsel?

Uit woorden worden werelden geboren. Van alle mogelijke mengsels, associaties en interpretaties, of liever nog belevingen. Van een gedwongen een op een vertaling in onze gedachten is daar geen sprake. Van één voorgeschreven interpretatie evenmin. Kortom, poëzie voegt aan de tekst vele dimensies toe.

Zoals we hebben gezien, kreeg die poëtische, mythologische beleving binnen de katholieke kerk volop de ruimte. Daarmee kwam deze welhaast als een feniks uit de as. Het monotheïsme stond namelijk (zeker in aanvang) vijandig tegenover het figuratieve beeld. Gods wetten kregen er een belangrijke plaats. Die waren eenduidig en zeker niet voor van allerlei interpretaties en belevingen vatbaar. Precies die drang en die dwang keerden in het calvinisme ongenadig terug.

Natuurlijk deden de katholieke geestelijken ook aan exegese, natuurlijk bestudeerden zij ook de Bijbel, en natuurlijk ontwikkelden zij ook de katholieke geloofsleer. Maar dat stond een veel ruimere beleving van het geloof niet in de weg. Er was veel meer dan de letter van de wet, en dan nog kon je er met enige souplesse mee omgegaan.

Na het rechtlijnig worden van het schrift, werd de geloofsbelevenis van de protestanten dat ook. Het draaide allemaal om Gods Woord, de Bijbel, waarin de woorden bij elkaar de betekenissen afdwongen, iedere rekkelijkheid in de betekenis van de woorden werd weggesnoeid en iedere vrije interpretatie weggezuiverd. Iedere Bijbelse symboliek werd platgeslagen. Iedere meander rechtgetrokken. De tekst filtreerde. De exegese trok er de enig mogelijke interpretatie en leer uit. Het calvinisme was star, strak en streng. Kaal. De kerken waren kaal, de kerkdiensten waren kaal en de kruizen zonder corpus waren kaal. Alles was sober en prentte de gelovigen een zwaar schuldbesef in. Iedere dag was weer een strijd tegen onze zondige neigingen. Straf hing je voortdurend als een zware wolk boven je hoofd. Geen biechtvader en geen biecht die daar ook maar iets aan kon doen, geen Maria, geen engelen en geen heiligen. Sterker nog: Met de predestinatie was alles al voorbeschikt. Dus ook je lot in het hiernamaals; in de hemel of in het hellevuur.

Descartes

Met de Renaissance en de Reformatie dreigde het katholieke Europa steeds verder weg te zakken in het moeras der oude, vergane werelden. Hoewel de Franse filosoof en wiskundige René Descartes (1596-1650) een braaf katholiek was, die zelfs de Heilige Maagd vereerde, haalde hij drie belangrijke pijlers onder alle godsdiensten in enge zin en onder de oude, mythologische wereld in bredere zin glashard onderuit:

Descartes keerde zich tegen:
het geloof/ blinde vertrouwen in innerlijke kennisbronnen (zoals intuïtie en opnebaring)
geloof/ vertrouwen in kennis die niet voortspruit uit de rede/ het verstand
het blinde vertrouwen in/ zomaar voortbouwen op overgeleverde kennis (die vaak tijd-, plaats- en cultuurgebonden is)


Dat deed hij, of leek hij te doen, in zijn 'Discours de la méthode'.

Maar allereerst, wie was hij? En waarom deed hij dat? Descartes was afkomstig uit de provincie Touraine ofwel de 'Tuin van Frankrijk' die met zijn typische Franse landschap vol kastelen en wijngaarden een en al romantiek ademt. Hij kwam uit een vooraanstaande, katholieke familie.

Op 11 jarige leeftijd werd hij naar het Jezuïetencollege gestuurd, waar hij zich een briljant leerling betoonde. Briljant, maar ronduit eigenzinnig. Standaard lesprogramma's waren niet aan hem besteed. Hij wilde zijn eigen plan trekken en vooral lang op bed kunnen blijven liggen. Een gewoonte die hij de rest van zijn leven volhield.

Na zijn studie rechten vertrok hij naar de Zeven Verenigde Nederlanden waar hij een groot deel van zijn leven verbleef. Waarschijnlijk voelde hij zich aangetrokken tot het vrije wetenschappelijke klimaat. In het pittoreske kasteel Endegeest (Oegstgeest) heeft hij zich lange tijd aan zijn geliefde wiskunde kunnen wijden. Het eerste deel van de dag lag hij doorgaans in een Berlijnse kachel, met onderin de kachel en bovenin een soort bed waarin je heerlijk kon doezelen, filosoferen en op wiskundige vraagstukken broeden. Zijn aandeel aan deze wetenschap is groot. Het tweede deel van de dag kwamen zijn overige werkzaamheden aan bod. De vurige René raakte nog weleens in een ruzie of vechtpartij betrokken waarin hij zijn degen als geen ander wist te hanteren; hij was een meester in de schermkunst. Descartes moet regelmatig zijn handschoen voor de voeten van zijn tegenstander hebben geworpen (een parmantige uitnodiging voor gevecht, waar deze moedig op in kon gaan door hem op te rapen). Descartes moet een driftig heerschap zijn geweest. Na al die drukte moest hij zeker weer aan zijn bed toe zijn geweest. Om zich wederom te kunnen wijden aan zijn wiskunde.

René Descartes

Dualisme tussen materie & geest

Wat hem gefascineerd moet hebben in de mathematica was de toepasbaarheid hiervan. De theorie kon in de praktijk gestaafd worden; in de bouwkunst, in de architectuur, in de scheepvaart, in de waterwerken, en noem het maar op. (Zijn keuze om naar Nederland te gaan lijkt in dit licht niet verrassend.) De immateriële mathematica bleek in de materiële werkelijkheid te kloppen. Je kon er dingen van te voren mee berekenen. Sterker nog, de wiskunde leek de wereld te bestieren. De wereld of liever nog het hele universum.

In de ogen van Descartes was er sprake van een duidelijke hiërarchie. Betrouwbare kennis kon dan ook alleen vanuit de mathematica worden opgetrokken, en dus vanuit de rede. De rede lag verankerd in de geest. Derhalve was de geest superieur aan de materie die zielloos c.q. geesteloos was. Met Descartes keerde een oud bekend dualisme weer; de keiharde tegenstelling tussen de geest en het stof. De Franse filosoof rekende genadeloos af met Aristoteles en zijn vele aanhangers uit later tijden.

Vier soorten van onbetrouwbare kennis

Maar in welk opzicht bedreigde hij nu de oude orde? In zijn 'Discours de la Méthode' laat Descartes zien dat we om te beginnen vier soorten kennis (of schijnkennis) hebben: 1) theologische kennis die gaat over geopenbaarde waarheden die ons verstandsvermogen ver te boven gaan 2) bijgeloof en/ of occulte kennis waarmee astrologen ons een rad voor ogen draaien, magiërs ons in de maling nemen, alchemisten ons op een dwaalspoor zetten . . . etc. 3) filosofische kennis oftewel kennis die we te danken hebben aan filosofen die het werkelijk nergens over eens zijn en 4) wetenschappelijke kennis die gebaseerd is op filosofische inzichten, en die dus is gebouwd op drijfzand.

Onbetrouwbare kennis:
Theologische kennis Kennis over geopenbaarde waarheden die ver boven ons verstandsvermogen liggen
Bijgeloof/ occulte kennis Astrologie
Magie
Filosofische kennis Kennis van filosofen die het nergens over eens zijn
Wetenschappelijke kennis Kennis gebouwd op het 'drijfzand' van de filosofie


Van tafel ermee: "Tabula rasa"!



Conclusie, al deze kennis stuurt ons met een kluitje in het riet. En al deze kennis moet dus van tafel.


TABULA RASA


We moeten niets meer voor gesneden koek aannemen. We moeten met een schone lei beginnen. Betekent dit dat we nu vooral moeten afgaan op onze zintuiglijke waarnemingen? Pas op! Deze zijn, bezien vanuit ons cartesiaanse dualisme, ronduit bedrieglijk.

Mathematica

Maar als dat zo is, waar kunnen we dan nog wél betrouwbare kennis vandaan halen?! Uit de wiskunde. En vanuit de wiskunde, wiskundig voortbouwend op haar wetten en zekerheden. (Merk op dat de wiskunde deel uitmaakte van de filosofie, en dat voor Descartes wiskundige of wiskundig onderbouwde filosofie niet verward diende te worden met de overige filosofie.)

Alleen hoe weten we dat zo zeker? We moesten toch aan alles twijfelen? En eerst en vooral sceptisch zijn? Een 'cartesiaanse duivel' voor mogelijk houden? Zo-eentje die ons compleet in de maling neemt? Zo zelfs dat we niet meer weten wat werkelijkheid is en wat slechts een droom? Want dromen we misschien niet wat we denken te zien?! Of wat we denken te weten?

Welke zekerheid rest ons eigenlijk nog? De zekerheid dat we denken en dus zijn.


COGITO, ERGO SUM


'Ik denk, dus ik ben'


Denken dat we doen met onze rede of ons verstand. De rede waarmee we de wiskunde kunnen vinden. Ontdekken.

Geen wonder dat Descartes ware, wiskundige kennis wilde vinden in zichzelf. Het rationalisme verscheen op het toneel. Hoewel voor Descartes zélf, ondanks al zijn scepsis, de waarheid van de door God geopenbaarde kennis (nog) altijd onaantastbaar was, gaf hij met zijn tabula rasa wel de sleutels in handen om zelfs daar aan te gaan twijfelen. Dankzij het gedachtengoed van Descartes kwamen voor velen de zekerheden van de oude mythologische wereld ten val. Die van de oude mythologische wereld, en (daarmee) ook die van de oude katholieke wereld.

De Verlichting

Na al die donkere tijden vol mystiek, magie en mythologie, alchemie en astrologie, heksenvervolgingen en occultisme, aflaten en analfabetisme, blind geloof, bijgeloof en andere achterlijkheid kwam er eindelijk licht in de duisternis. Er kwam een einde aan de donkere middeleeuwen. Een einde aan van allerlei verhalen en vieringen. Een einde aan van alles dat je maar was wijsgemaakt . . .

Althans, zo zullen vele kritische geesten in de achttiende eeuw dat hebben ervaren. Na de Renaissance, de Reformatie en de opkomst van het rationalisme brak er een nieuw tijdperk aan. De weg was gebaand:

Zo werd reeds in de Renaissance onze horizon verbreed, letterlijk zelfs met de ontdekking van Amerika, en met kennis en inzichten uit de Grieks/ Romeinse Oudheid in meer figuurlijke zin, en zorgde de protestantse kerk voor onderwijs voor het gewone volk omdat zoveel mogelijk zielen de Bijbel moesten kunnen bestuderen, een streven dat niet al te katholiek was. Tegelijkertijd gaf het protestantisme een boost aan de taalwetenschap. De Bijbel moest immers in vele moderne talen vertaald worden, en Bijbelteksten (taal- en letterkundig) geanalyseerd. Het rationalisme tenslotte gaf alle ruimte aan de rede. TABULA RASA, het tijdperk van de Verlichting was aangebroken. Nu ging het om de vooruitgang!

Genootschappen, salons, academies en universiteiten

De Verlichting kwam als de lente. Europa bruiste van nieuwe energie en levenskracht. Een nieuwe beweging bloeide op. Vele verlichte geesten sloegen de handen in een om de wereld vooruit te duwen, en staken de koppen bijeen om van hun streven werkelijkheid te maken. Genootschappen, academies en sociëteiten, salons en universiteiten schoten als paddenstoelen uit de grond.

Zo had je onder de academies, bijvoorbeeld, de prestigieuze Académie Française (1635) voor de taalwetenschappen en de geroemde Académie des Sciences (1666) voor de natuurwetenschappen. Onder de talloze salons had je die van Mademoiselle de Lespinasse, waar de medewerkers van de 'Encyclopédie' elkaar plachten te ontmoeten. Een van de kopstukken was de vermaarde duc d'Alembert. Met het samenstellen van de Encyclopedie werd een nieuwe mijlpaal geslagen in de geschiedenis. Kennis op van allerlei mogelijke terreinen werd zoveel mogelijk en op wetenschappelijke wijze vastgelegd. Een onderneming die het wetenschapsbedrijf voor zeker in de versnelling zette.

Literaire cafés kwamen er ook. Ze werden het trefpunt van letterkundige en leesgenootschappen die gezamenlijk boeken aankochten. Onder het genot van koffie en Schone Letteren werd er gewerkt aan de verheffing van de gasten en de genodigden. De literaire cafés hadden veelal een sociale inslag en streefden de culturele vorming van een breder publiek na.

Die sociale drive is ook duidelijk terug te vinden bij de maatschappijen tot nut van het algemeen die zich tot taak stelden de economie sterker te maken en de armoede te bestrijden. In het Ierse Dublin werd in 1731 een waar bastion tot het nut van het algemeen opgericht. Het was de 'Society for the Improvement of Husbandry, Agriculture, and other useful arts'. Maar ook Frankrijk had haar 'Sociétés Royales d'Agriculture'. In heel Europa kwamen universiteiten op die als zonnen de 'duisternis der onverlichte tijden' verjoegen.

Godsdienst

Het zou een misvatting zijn om in de Verlichting één samenhangende manier van denken te zien. Bovendien bestreek de beweging vele terreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, het transport, de landbouw, de nijverheid en de industrie, de techniek, de natuurwetenschappen, de taalwetenschappen, de filosofie, de economie, de rechtspraak, het bestuur, het onderwijs, de maatschappij, de kunst en de godsdienst waar een duidelijke accentverschuiving viel waar te nemen.

Draaide vóór de Verlichting alles vooral om de Hemel en het leven na de dood, ten tijde van de Verlichting kwam het bestaan hier op aarde steeds meer in de belangstelling te staan. Naast het humanisme heeft ook zeker het calvinisme hieraan bijgedragen. Paradoxaal genoeg heeft een versobering op het gebied van de armenzorg hier een rol gespeeld. Ontfermde de katholieke kerk zich ruimhartig over álle armen, de calvinisten daarentegen werden daar een stuk zuiniger in. Waar voor vele katholieken de armoede welhaast een ideaal was- had Jezus geen steen als hoofdkussen, en was Sint Franciscus niet met Vrouwe Armoede getrouwd?-, was het lijden van gebrek in de ogen van de calvinisten eerder een teken van afkeuring van God. Had je wel geleefd naar Zijn Woord? Had je wel hard gewerkt? En sober geleefd? Leidde je niet toevallig een zondig bestaan? Was je geen goddeloze losbol? En had je je verantwoordelijkheid eigenlijk wel genomen?

De katholieke, collectieve verantwoordelijkheid werd geschrapt. Calvinistische, individuele verantwoordelijkheid kwam er voor in de plaats (een goede voedingsbodem voor onze latere verzekeringsmaatschappijen). Het wegvallen van de biecht, het verdwijnen van de heiligen en de ongenadige predestinatieleer maakten het wel en wee van de ellendigen er niet bepaald beter op. Je stond er alleen voor, en je moest het vooral zelf zien te rooien. Je moest laten zien dat God je had voorbestemd voor de Hemel. Dat God je gunstig gezind was, en je aldus had gezegend met materiële voorspoed. Daar hoorde natuurlijk in principe geen armoede bij.

Hoe dan ook moest je met een braaf christelijk leven laten zien dat je in aanmerking kon komen voor een tegemoetkoming vanuit de kerk. De armenzorg beperkte zich hoofdzakelijk tot het warme nest van je calvinistische kerk, of tot hen die nog bekeerd moesten worden. Wie daarbuiten leefde laadde al snel de verdenking op zich dat het allemaal aan zijn of haar eigen lasterlijke levenswandel was te wijten.


CALVINISME EN KAPITALISME GINGEN HAND IN HAND


Wilde je laten zien dat God je welgezind was, dan was het zaak om je zaakjes goed op orde te hebben. Wat maakte dat calvinisten overal geld uit probeerden te halen. Om dat te doen, moest je vooral praktisch, economisch en zakelijk zijn ingesteld. De landbouw moest het maximale opbrengen. De industrie en nijverheid dienden efficiënt te zijn. De productiekosten moesten worden gedrukt, terwijl de productie zelf moest worden vergroot. Het vervoer moest zonder omwegen zijn. De transacties moesten gesmeerd verlopen. Het landschap moest kaal geschraapt en als een bord uitgelikt worden, terwijl het vermogen opeen moest worden gestapeld. Alles diende geordend, recht en toe berust te zijn voor zijn taak of voor zijn nut. Rechtlijnig nuts-denken won terrein. Het mag geen wonder heten dat de welvaart doorgaans groter was in de calvinistische gebieden (met name de Noordelijke Nederlanden en Zwitserland) dan in onze katholieke landen en landstreken.

De landbouw

Ten tijde van de Verlichting heerste er een optimistische stemming. Een we-kunnen-alles-aan hing in de lucht, een we-kunnen-alles-overwinnen. In de ogen van steeds meer verlichte geesten zelfs de natuur. Woeste gronden werden ontgonnen, van moerassen akkers en weiden gemaakt. De waterhuishouding kregen we steeds meer onder controle. Waterwerken werden aangelegd om het land droger of juist natter te maken.

Sinds mensenheugenis hadden we meegedraaid met de natuur, maar nu was de tijd gekomen om in te grijpen. Want waarom zouden we ons tevreden stellen met een armetierige landbouw als we die ook lucratiever konden maken? Waarom zouden we de cyclus winterkoren-zomerkoren- braak maar slaafs blijven volgen als we de grond ook permanent konden bebouwen? Waarom zouden we blijven rondtobben met arme grond terwijl we die door bemesting ook vruchtbaarder konden maken? Of waarom zouden we het vee wat laten plukken, grazen of pikken op laag of dun begroeide gronden terwijl we het ook konden vetmesten met de vruchten van weelderig tierende voedergewassen? Of waarom zouden we blijven voortmodderen met ouderwetse, aftandse ploegen terwijl we dankzij de voortschrijdende techniek ook moderner materieel ter beschikking hadden? Een ding was duidelijk; het was hoogtijd om de landbouw te moderniseren, des temeer de bevolking in Europa gigantisch groeide. Met vele monden die gevoed moesten worden als gevolg.

Verstedelijking, industrie en nijverheid

Met nijverheid en industrie was op zichzelf ten tijde van de Verlichting niets nieuws onder de zon. Al duizenden jaren probeerde de mens met steeds inventievere methoden en technieken uit dierlijk of plantaardig materiaal draden te spinnen, en uit draden stoffen te weven. En ook de productie van staal kende zelfs toen al een lange geschiedenis. Zo werd reeds in de 14e eeuw in het Belgische Luik (Liège) mijnbouw gepleegd om met de gedolven kolen ijzererts te kunnen smelten. Overigens was de mijnbouw op zichzelf nog veel ouder: zo dateert de vuursteengroeve in het Zuid Limburgse Rijckholt zelfs uit het derde millennium vóór Christus!

Toch heeft de Verlichting de industrialisatie een enorme duw in de rug gegeven. Zo bracht zij na 'eindeloze' tijden waarin we het moesten doen met simpele ossen-, paarden-, mens-, wind- en waterkracht, het 'wonder' van de stoomkracht die fabrieksmachines op volle toeren liet draaien, treinen stomend liet voort denderen en tonnen-wegende schepen stampend over de wateren voortstuwde.

Met de opkomst van de grote industrie en de gemotoriseerde transportmiddelen nam de verstedelijking hand over hand toe. Steeds meer mensen kwamen opééngepakt in grauwe fabriekssteden te wonen, en steeds verder raakten natuur en platteland bij hen uit het zicht. Ze waren losgezongen van een werkelijkheid waarin de mens duizenden, zo niet honderd duizenden of zelfs miljoenen jaren was geëvolueerd. De rekening voor de vooruitgang kwam onverbiddelijk.

Wetenschap en techniek

Zoals we hebben gezien, leefde in wetenschappelijke kringen volop het idee van de vooruitgang. Met al onze nieuwe kennis, inzichten en technieken konden we ons bevrijden uit de ketenen van achterlijkheid, onwetendheid en onderdrukking. De tijd van de ontwikkelde, moderne mens was aangebroken! Licht in de duisternis! Er leek te worden afgerekend met subjectieve wetenschap, wetenschap vanuit het hart, vanuit onze intuïtie, vanuit ons gevoel.

De voorheen zo toonaangevende theologie verloor aan terrein. God werd steeds minder het uitgangspunt, geloof steeds minder het startpunt. De wetenschap diende voortaan objectief te zijn. Gedragen door de rede en voortgedreven door ons nuchtere verstand.

De Newtoniaanse natuurkunde toonde wel aan dat je je als wetenschapper volledig buiten je onderzoeksveld kon plaatsen. Je maakte er geen deel vanuit en je kon het in alle objectiviteit observeren. Meten was weten en alles behoorde zoveel mogelijk te worden gevangen in de wetten van de wiskunde die wis en waarachtig voor iedereen dezelfde waren. De zorgvuldig wiskundig geformuleerde wetten van de natuurkunde waren verifieerbaar, en zonder mankeren voor eeuwig en altijd dezelfde. De observaties en experimenten waren herhaalbaar en hun resultaten exact voorspelbaar. De gravitatiekracht, versnellingen, wentelingen, cirkelbewegingen en vertragingen; ze voldeden allen aan onwrikbare wetten. Uit dit alles was een ding wel duidelijk: In het universum liep alles als een klok. Was God niet het startpunt van de wetenschap, voor velen was Hij nog altijd wel de conclusie: God hield van orde en regelmaat. Alle natuurkundige verschijnselen verliepen naar Zijn strak bepaalde wetten. God was de Grote Horlogemaker van het universum.

Newtoniaanse natuurkunde

De telescoop, die in 1608 door Jansen en/of Liperhey werd uitgevonden, maar die relatief kort daarna door Kepler, Newton en Galilei aanzienlijk werd verbeterd, confronteerde ons in alle hevigheid met het grenzeloos grote. Tegelijkertijd, of het scheelt niet veel althans, vond de Nederlandse lakenhandelaar van Leeuwenhoek (1632-1723) het microscoop uit (zij het dat hij daarbij dankbaar gebruik maakte van de uitvinding van Lipperhey en/of Jansen). Nu werd ons wereldbeeld niet alleen opgeschrikt door het grenzeloos grote, maar ook nog eens door het grenzeloos kleine.

Telescoop van Liperhey

We werden, zoals de bekende Franse filosoof, wis- en natuurkundige, Blaise Pascal (1623-1662) dat verwoordde, een 'roseau pensant', een 'denkend rietplantje', dat je zo ziet buigen in de wind, vallen door een sikkel of zeis, of knakken onder een slagregen. Van ons bleef niets over dan een nietig wezentje dat gevangen was tussen twee oneindige ruimtes; die van het grote en die van het kleine. En vanuit die middenpositie hadden wij te kampen met een stevige beperking; we konden noch het oneindig grote, noch het oneindig kleine bevatten. Toch was de mens in de ogen van Pascal geen hulpeloos wezentje; want we waren niet zomaar een 'roseau', maar een 'roseau PENSANT'; een denkend wezen, bij wie in dat denken zijn grote kracht school.

Pensées de Blaise Pascal

De mens is een denkend rietplantje

Met het microscoop werd niet alleen het immens kleine ontdekt, maar ook een hele nieuwe wereld blootgelegd. De wereld van de micro-organismen, kleine, vaak krioelende wezentjes, onzichtbaar voor het blote oog. En onder die krioelende 'wezentjes' bracht Huygens het bestaan van mannelijke zaadcellen, spermatozoïden, aan het licht. Zijn (voor die tijd) ietwat beschamende ontdekking en bevinding- leven ontstond niet spontaan, maar op geslachtelijke wijze; uit zaadcellen- bleef aanvankelijk preuts afgeschermd voor de buitenwereld. Huygens correspondeerde met enkele vertrouwelingen, en deelde met hen zijn observaties en gedachten. Moest men bekomen van de schrik? Zat men er een beetje mee in zijn maag? Hoe dan ook duurde het even voordat Huygens werk werd erkend door de Engelse Royal Society.

De ontdekking van micro-organismen

Met al die nieuwe kennis, nieuwe inzichten, nieuwe instrumenten en nieuwe technieken en technische hulpmiddelen, waaronder niet in de laatste plaats de stoommachines, veranderde de wereld in een rap tempo.

De rede

Je zou er bijna melancholisch van worden: Want à la


Où sont les neiges d'antan?

'waar is toch de sneeuw van weleer?'

(van de Frans middeleeuwse dichter François Villon)


kun je je afvragen waar toch die goede oude tijd is gebleven; waarin de ziel nog het torenraam was van waaruit je uitkeek op een hogere werkelijkheid. De tijd waarin de ziel nog een microkosmos was waarin de macrokosmos zich spiegelde, en dat in haar ideale of zelfs goddelijke vorm. Plato, Pythagoras, Augustinus en Descartes, waar zijn zij gebleven?!

Natuurlijk kwam er met Aristoteles in vroege tijden reeds 'rot' aan de wortel van dit gedachtengoed. Zoals we hebben gezien, werd de ziel gekoppeld aan het leven en het leven aan het lichaam. In die zin moest ook ons denkvermogen deel uitmaken van een materiële wereld en daarmee zijn ontvankelijkheid voor hogere (immateriële) werkelijkheden verliezen, al wilde Aristoteles zelf zo ver nog niet gaan.

Wel had hij al richting aangegeven, en voorgesorteerd op die Entzauberung der Welt, de grote ontgoocheling die niets mythologisch, niets metafysisch, niets magisch, mystieks of bovennatuurlijks meer toeliet.

Met Abelardus kwamen de constructen van de geest, of liever nog van ons verstand, centraal te staan. Logische constructen die ons op middellijke wijze hielpen de werkelijkheid te begrijpen en waarheden af te leiden.

Wilde Abelardus nog met het verstand en middels mentale constructen het bestaan van God en dat van Zijn metafysische werkelijkheid bewijzen, zo werd bij de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) ons verstand fysiologisch benaderd en gereduceerd tot een wat aardser lichaamsfunctie waarvan de machinerie bestond uit ons brein.

In ruimere zin werd onze belevingswereld volledig bepaald door onze zintuiglijke waarneming (indrukken) en de daaraan gekoppelde innerlijke waarneming (voorstellingen). Niet alleen bij ons mensen, maar ook bij dieren. Met dat verschil dat deze indrukken en voorstellingen soort gebonden zijn. We kunnen ons dat makkelijk voorstellen: Zo zal een regenworm in een heel andere wereld leven dan een wolf, een uil of een bij. Geen wonder dat Hume wordt gerekend onder de empiristen (de zintuiglijke waarneming speelt een sleutelrol) en onder de sceptici. Want wat kunnen we met zekerheid weten, als al ons weten per definitie subjectief is?


Van de ziel die opent op hogere werkelijkheden, zijn we via ons natuurlijk redeneervermogen dat is geschapen naar dat van God (Logos), en waarmee we deze werkelijkheden op indirecte wijze kunnen afleiden en/ of bewijzen, uitgekomen bij een lichaamsfunctie die in ons in staat stelt te denken. De verbinding met het hogere wordt indirecter, verzwakt en verdwijnt uiteindelijk in de opvatting van veel filosofen en (andere) wetenschappers.


Een van de grootste filosofen uit de Verlichting heeft hierin een beslissende stap gezet, Immanuel Kant (1770-1827).

Kritiek der zuivere rede (Immanuel Kant)

Immanuel Kant gaat nog verder. Want in zijn optiek zijn de dingen zelf, in wat zij werkelijk zijn, voor ons een onbekende.

Zintuiglijke waarneming & voorstellingsvermogen

Alleen hoe kan dit? In zijn 'Kritik der reinen Vernunft' (De Kritiek der zuivere Rede) legt deze Duitse filosoof uit dat we door de dingen om ons heen beïnvloed worden. Wanneer we ze nu zintuiglijk waarnemen, dringen zij niet zelf, of niet in wat zij zelf zijn bij ons binnen. Dat komt niet alleen doordat onze zintuigen op zichzelf al een vertekend, selectief en/ of willekeurig beeld geven, maar ook nog eens doordat we van onze zintuiglijke indrukken voorstellingen maken. VOORSTELLINGEN- het woord zegt het al- die niet de werkelijkheid of conform de werkelijkheid zelf zijn!

Kennisverwerving

Kant buigt zich over de (epistemologische) vraag wat we weten of wat we kunnen weten. Daarbij zijn we afhankelijk van een aantal vermogens. Zo onderscheidt Kant in feite:

Schakels der Kennisverwerving
De Uitwendige Zintuiglijke Waarneming
(De prikkels die onze zintuigen opvangen van buiten)
Inwendige Zintuiglijke Waarneming
(De opgevangen prikkels worden in ons omgezet in beelden, geluiden, geuren, smaken en gevoel)
DEZE PLAATSEN WE AUTOMATISCH IN TIJD EN RUIMTE!
Het Voorstellingsvermogen
De inwendige zintuiglijke waarnemingen worden uitgewerkt in voorstellingen/ belevingen
(*)
Het Denkvermogen
Het waarnemen van patronen/ algemeenheden
Het (puur) Logisch Denkvermogen


(*)Merk op dat we ons ook voorstellingen kunnen maken van dingen die niet (direct) gekoppeld zijn aan onze zintuiglijke waarnemingen in het hier en nu. Herinneringen kunnen hierbij natuurlijk een grote rol spelen.

Kant legt uit dat we ons denkvermogen op verschillende manieren kunnen gebruiken en/ of dat we verschillende denkvermogens kunnen onderscheiden. Zo kunnen we ervaring opdoen uit onze zintuiglijke waarnemingen. Je zou hier kunnen denken aan patronen die we ontdekken en algemeenheden die we opmerken. Inductie is hiervan een mooi voorbeeld. Als we honderd keer alleen maar witte zwanen zijn tegengekomen, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat alle zwanen wit zijn. Toch is dat niet noodzakelijkerwijs waar (er kunnen nog altijd zwarte zwanen zijn).

Naast ons ervaringsvermogen hebben we nog ons puur logisch denkvermogen waarmee we denken in louter noodzakelijke waarheden en verbanden. Daarnaast kunnen we bepaalde dingen/ zaken (inhoud) logisch overdenken. Dat is wat veel wetenschappers op hun vakgebied plachten te doen. We noemen dit voor het gemak maar even wetenschappelijk denken, dat hoort bij een wetenschappelijk denkvermogen.(*).

De werkelijkheden

Met deze vermogens hebben we volgens Kant (in ieder geval) te maken met twee werkelijkheden:

De twee werkelijkheden:
De werkelijkheid der Dingen (zelf)
De mentale/ psychologische werkelijkheid


Het bestaan van de grote derde werkelijkheid (of schijnwerkelijkheid), de goddelijke en/ of metafysische werkelijkheid (waaronder een Platonische en/ of wiskundige wereld), wordt door Kant in twijfel getrokken. Hierbij speelt zijn kennisleer een sleutelrol.

Kants kennisleer

Kant verdeelt onze kennis in verschillende categorieën in:

*A PRIORI KENNIS
Dit is kennis die er al is/ die we (ergens) zelf al hebben (nog) voordat deze bewust in ons aanwezig is. Deze kennis gaat VOORAF een eventuele bewustwording hiervan. Een belangrijk kenmerk is dat deze kennis NOODZAKELIJK WAAR is. We hoeven deze niet later (achteraf) en van buitenaf te verkrijgen/ verwerven. (Wel kunnen we a priori kennis natuurlijk op school of op de universiteit opdoen, maar dan herkennen we hem.)

*A POSTERIORI KENNIS
I.t.t. a priori kennis gaat het hier om kennis die er niet noodzakelijkerwijs al is/ die we nog niet (ergens) vanzelf al hebben (voorafgaande aan een eventuele bewustwording hiervan). We verkrijgen/ verwerven deze kennis van buitenaf, en dus noodzakelijkerwijs via onze zintuiglijke waarneming. Omdat deze kennis er niet noodzakelijkerwijs van te voren is/ wij deze niet vanzelf al hebben, spreken we hier niet van a priori (voorafgaande) kennis, maar van a posteriori kennis.

*EMPIRISCHE KENNIS
Empirische kennis is kennis die (uiteindelijk) valt terug te voeren op onze zintuiglijke waarneming. Een belangrijke vorm hiervan is, zoals we hebben gezien, ervaringskennis. (Empirische kennis is per definitie a posteriori van aard.)

*KENNIS VAN HET ZUIVERE DENKEN
Deze puur rationele kennis valt niet terug te voeren op de empirie of op onze ervaringswereld.

*ZUIVERE KENNIS
Kennis is zuiver wanneer deze ofwel puur zintuiglijk van aard is ofwel puur rationeel (d.w.z. voortspruitend uit ons denkvermogen).

*INHOUDELIJKE KENNIS
Kennis van de dingen zelf

*LOGISCHE KENNIS
Abstracte kennis (van verbanden) die noodzakelijkerwijs waar is.

*OBJECTIEVE KENNIS
Kennis die niet aan één subject gebonden is, en die (in principe) voor iedereen dezelfde is/ moet zijn.

*SUBJECTIEVE KENNIS
Individuele kennis die aan één individu/ subject gebonden is, en die niet voor iedereen dezelfde is.

De metafysische werkelijkheid

Terug nu naar de vraag of er een metafysische werkelijkheid bestaat. De kennis die we hiervan zouden moeten hebben is per definitie a priori. Deze is er immers al/ of deze hebben we (ergens) al (nog) VOORDAT deze bewust bij ons aanwezig is. Bovendien moet deze kennis objectief en noodzakelijkerwijs waar zijn.

Maar betekent dit ook dat a priori kennis altijd en overal waar is (i.t.t. wat we hierboven leken te veronderstellen)? Dus ook in de werkelijkheid buiten ons? Hier stuiten we op een heikel punt. Kant wijst er namelijk op dat we alles wat we zintuiglijk waarnemen automatisch plaatsen in de tijd en in de ruimte. Hoewel zintuiglijke kennis empirisch en a posteriori is, is de kennis van ruimte en tijd die we gebruiken bij onze zintuiglijk waarneming dat niet. Deze kennis hebben we namelijk AL VOOR zo'n zintuiglijke waarneming ter beschikking. Zij is dus a priori van aard.

Maar is ONS BEGRIP van ruimte en tijd daarom ook altijd en overal waar? Ook buiten ons? Het antwoord luidt, nee.

Laten we beginnen met tijd. Tijd heeft te maken met verplaatsing, verandering en beweging (van het een t.o.v. het ander), maar is in de grond niet wat wij er in onze beleving van hebben gemaakt. Een beleving, een VOORSTELLING die we overigens koppelen aan ons ruimtebesef. Want rangschikken we tijdstippen niet van nature op een lijn, het ene na het andere? Tijd is een voorbeeld van a priori kennis die desondanks niet altijd en overal waar is. Het is kennis die niet buiten ons, maar wel in ons noodzakelijkerwijs waar is. Zij is immers voor iedereen dezelfde, en in die zin objectief.

Als tijd nu a priori kennis is die in onze mentale wereld noodzakelijkerwijs waar is, maar niet daarbuiten, dan kunnen we niet langer volhouden dat alle a priori kennis per definitie altijd en overal waar is. Dus kunnen we, zonder dat we daarbij in natuurkundige details hoeven te treden, de vraag opwerpen of ons begrip van ruimte dan wél buiten onze mentale wereld noodzakelijkerwijs waar zou zijn. Sterker nog, we hebben alle rede om daar sterk aan te gaan twijfelen. En daarmee lijkt het bestaan van een hele metafysische werkelijkheid steeds meer een sprookje te worden.

Zeker, want het bouwwerk van de metafysica lijkt als een kaartenhuis in elkaar te zakken. We hebben hier duidelijk te maken met een domino-effect: met de zekerheid van het 'buiten-menselijke' of liever 'buiten-mentale' bestaan van tijd (volgens Kant beleven ook dieren waarschijnlijk tijd op eenzelfde wijze als wij) valt die van alle a priori kennis en dus ook die van ruimte. Maar als die van ruimte is gevallen, wordt automatisch ook die van de wiskunde aan het wankelen gebracht. Want is de hele geometrie niet zo'n beetje opgetrokken uit ons begrip van ruimte?

Alles blijft een vreemde

Als we de balans opmaken, dan zijn wij als mensen behoorlijk geïsoleerd geraakt:

*De dingen zélf blijven in hun werkelijke zijn voor ons onbekend.
Dus is en blijft de wereld der dingen ergens een vreemde voor ons.

*We zitten opgesloten in onze eigen mentale wereld die geen getrouwe afspiegeling blijkt te zijn van de wereld om ons heen, laat staan van een metafysische werkelijkheid.

*We zijn dus evenmin met een metafysische werkelijkheid verbonden: Want deze bestaat niet of is voor ons mensen simpelweg niet kenbaar.

*God bestaat niet of is een vreemde voor ons. Volgens Kant kunnen we in ieder geval vanuit de wetenschap niets zinnigs zeggen over God.

ALLES IS ONS VREEMD:
De dingen zelf Onze zintuiglijke waarnemingen en onze voorstellingen zijn subjectief en niet conform dé werkelijkheid
De metafysische werkelijkheid Voor zover deze bestaat, is deze voor ons onkenbaar
God Voor zover deze bestaat, is deze voor ons onkenbaar
Macrokosmos De macrokosmos wordt niet op getrouwe wijze afgespiegeld in onze 'microkosmos', mentale wereld


Wat ons dan misschien nog wél verbindt is dat we een deel van onze mentale wereld met elkaar delen (waardoor deze objectief is).

Verder op weg naar de vervreemding

De weg naar de vervreemding lijkt te beginnen bij de opkomst van de landbouw: Wegen werden aangelegd, kanalen, en ook ons denken werd rechtlijniger. Ons schrift lineair. Onze meerdimensionale, mythologische beleving vervlakte. Van een open-symbolen-panorama waarin we volop associeerden en onze verhalen creëerden, kwamen velen van ons zelfs uit bij een strak wettisch denken en 'sola scriptura'. Het werd meer filteren dan verruimen. En ook het web der verbanden dat de wereld in onze beleving omspande, leek als in een herfstwind weg te waaien en heen te gaan.

Wakkerde Aristoteles het vuur der vervreemding aan? En ging met zijn 'Over de Ziel' het licht in onze binnenwereld uit? Ging onze innerlijke bibliotheek dicht? En ons innerlijk weten heen? Spiegelde de macrokosmos zich niet langer in de microkosmos? En bleef er van verlichtte en verbonden zielen niets over? De nadruk kwam nu in ieder geval te liggen op de materie. Op natuurlijke lichamen. Op vormen, structuren. Op lichaamsfuncties. Op de zintuiglijke waarneming en op onze rede. Ons verstand. Ons brein, wel beschouwd.

Die beweging van binnen naar buiten leek door te zetten: Met Abaelardus ging het draaien om de harde, logische bewijskracht. Die geleverd diende te worden met onze rede. Ons verstand. Met een functie die of een vermogen dat als een soort instrument, een soort machine informatie uit de buitenwereld kon verwerken en omzetten in objectieve, mentale constructen. Ons subjectieve, innerlijk weten, ons gevoel en onze intuïtie konden daarbij eigenlijk alleen nog maar lelijk in de weg staan. De aandacht verschoof (in moderne bewoordingen) van binnenwereld naar brein.

Descartes was een meester in het schermen. Letterlijk en figuurlijk: Hij haalde hard uit naar alle theologen, astrologen en filosofen. Om van de magiërs nog maar niet te spreken. TABULA RASA. Weg met alle kennis die niet stoelt op het mathematische denken. Op de rede. Op de ratio. Van tafel ermee!

De 'trein van het brein' denderde voort, dwars door de Verlichting, door naar onze moderne tijd. 'We zijn ons brein'.

Kant nu hulde de mens in een dikke mist van onwetendheid: De dingen konden wij niet kennen, niet in wie of wat zij zelf waren. De on-kenbaarheid der dingen. Wat wij wisten waren louter mentale constructies; voorstellingen van de werkelijkheid, maar niet de werkelijkheid zelf. In die zin was alles om ons heen . . . een vreemde, vreemd.

Ondertussen zag Sint Franciscus rondom ruïnes. Ruïnes van kerken en kapellen. Ruïnes van het christelijke geloof en van de kerk in figuurlijke zin. Ruïnes van barmhartigheid, naastenliefde en verbinding . . . : In de moderne steden van toen had de vervreemding toegeslagen. Op alle domeinen van het leven: Vervreemding van jezelf, vervreemding van je naaste, vervreemding van zieken, leprozen en hulpbehoeftigen, vervreemding van de natuur, van eerlijke arbeid en dienstbaarheid . . . vervreemding van God.

Vervreemde het monotheïsme ons niet van de Godin? Of van het universele Vrouwelijk dat als natuurkracht werd vereerd? Of als kosmische of zelfs . . . goddelijke macht? En probeerde de katholieke kerk de verbinding niet te herstellen? Door van een EVA een AVÉ te maken?

Met de Beeldenstorm ging Maria weer aan gruzelementen. De Reformatie rekende af met een hele beeld- en symbolentaal die diep wortelde in de natuur en in de campagne. In de aarde waar wij in en uit zijn ontstaan. En waardoor wij gevormd en getekend zijn. Vanbinnen en vanbuiten. Ons verhaal verstomde en een wereld ging heen.

Steeds verder afgesneden van natuur & platteland kwam dit proces in de stedelijke gebieden in een stroomversnelling. En steeds minder wekten zij de natuur in ons, afgezonderd als wij waren van onze natuurlijke leefomgeving. Steeds zwakker klonk de stem van onze binnenwereld. Tot zij in diepe slaap was gevallen? Tot zij stilviel?

Stappen op weg naar de vervreemding
De opkomst van de landbouw
Minder mythologisch, meerdimensionaal beleven
Krimpend associatie-web
Vervlakking van het 'open-symbolen-panorama'
Rechtlijniger denken
Aristoteles(*)
Van de immateriële ziel naar de ziel in en uit een natuurlijk lichaam
Van de ziel als spiegel/ spiegeling van de macrokosmos naar een koppeling tussen ziel en lichamelijke functies
Van de ziel als verbinder met de metafysische werkelijkheid/ de natuur/ de kosmos naar een koppeling tussen ziel en zintuiglijke waarneming
Abaelardus
Van kennen/ weten/ waarnemen vanuit je binnenwereld naar logische beschouwing 'van buitenaf'
Van innerlijke kennis/ waarneming naar de rede/ het verstand als instrument voor logische bewijskracht
Descartes
TABULA RASA: weg met alle andere vormen van kennis anders dan die vanuit onze rede/ verstand
Van binnenwereld naar 'brein'
Kant
De on-kenbaarheid der dingen
VOORSTELLINGEN van de werkelijkheid
Wat wij waarnemen zijn voorstellingen van de werkelijkheid, niet de werkelijkheid zélf
(Vergelijk de wereld van een bladsnijmier met die van ons mensen)
Metafysische kennis is niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
NB Kennis van de metafysische 'werkelijkheid' is a priori kennis
A priori kennis is kennis die we al hebben, en die niet is verkregen uit onze zintuiglijke waarneming
Onze voorstelling van tijd ('op een lijn') is objectieve, a priori kennis
(We plaatsen onze waarneming allemaal op dezelfde wijze, automatisch in tijd en ruimte)
Echter: tijd is in de werkelijkheid buiten ons iets anders (verplaatsing van het een t.o.v. het ander)
Niet alle a priori kennis is noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
Metafysische kennis is a priori kennis, dus is deze niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
De wetenschap kan geen uitspraken doen over God
Theologische kennis is geen zintuiglijke kennis
Theologische kennis is metafysische kennis, en dus niet noodzakelijk waar in de werkelijkheid buiten ons
We hebben te maken met de on-kenbaarheid der dingen, en met metafysische en theologische kennis die NIET noodzakelijk waar zijn in de werkelijkheid buiten ons
Franciscus van Assisi
Stedelijke samenleving/ afgesneden van natuur en platteland
Vervreemding van de natuur in je/ van je binnenwereld
Vervreemding van de 'van God sprekende schepping'/ Gods verhaal/ de stem van God
Het verval van de kerk/ het christelijke leven
Vervreemding van God
Vervreemding van je naaste en van naastenliefde
Vervreemding van nederigheid, barmhartigheid en dienstbaarheid
Vervreemding van het 'laboureuze' en contemplatieve leven
Vervreemding van taal en kunst uit onze binnenwereld (wortelend in evangelie, natuur en platteland)
De opkomst van het kapitalisme
Vervreemding van de eigenlijke producten en diensten/ de reële economie
Vervreemding van de eigenlijke arbeid/ het werkveld
Vervreemding van de gemeenschapszin
Institutionele vervreemding


ontkoppeling

INTERESSANTE LITERATUUR

Le Discours de la méthode, René Descartes

Das Europa der Aufklärung, Ulrich Im Hof

Kritik der Reinen Vernunft, Immanuel Kant



hirondelle

Vanuit de Middeleeuwen, binnenwereld, symbolen & Sublieme Liefde

In de vorige artikelen zijn we stroomafwaarts gegaan langs 'de rivier der vervreemding' die zigzaggend door het landschap van onze culturele-, denk- en belevingswereld loopt, van de opkomst van de landbouw tot helemaal in onze moderne tijd. Zigzaggend, want van één rechte lijn of van één rechtlijnig doorlopend proces was geen sprake. Wel vallen daarin drie duidelijke ontwikkelingen waar te nemen:

Stromen van vervreemding
Een externalisering van binnenwereld naar brein
Een vervlakking van ons belevingspanorama
Vervreemding van natuur en platteland in een onnatuurlijke omgeving


Op dit punt aangekomen zou het op zichzelf logisch zijn om onze tocht stroomafwaarts te vervolgen, van Immanuel Kant tot nu. Maar al die tijd waren er ook tegenkrachten aan het werk. Krachten die internaliseerden. Die ons van binnenuit verbonden met onszelf. En van binnenuit met de wereld om ons heen. Of die ons, in ieder geval, daarmee verbonden lieten voelen of zelfs weten. We hebben gezien hoe beide tegengestelde bewegingen stevig konden botsen, en hoe dit kon uitdraaien op een fikse confrontatie. We denken hier aan Abaelardus en Bernardus die lijnrecht tegenover elkaar stonden.

Wie had er gelijk? Abaelardus? Bernardus? Allebei? Of geen van beiden? Laat ons terugkeren in de tijd en kijken wat de 'beweging van de binnenwereld' in te brengen heeft tegen de 'beweging van het brein'.

De binnenwereld: Zij roept vele vragen op. Zoals, wat? Wat zit er in onze binnenwereld? Zijn het ideeën? Of is het God? Of is het juist een weerspiegeling? Een reflectie van de macrokosmos? En dan . . . hoe komt alles daar? Al die kennis? Al dat weten? Al dat gevoel? Al die beleving? Of wat het ook is, of moge zijn?

Of is het juist een illusie? Een droom? Bedrog? Of slechts een psychische werkelijkheid? Een ándere werkelijkheid? Eentje die losstaat van de buitenwereld? Die wereldvreemd is? Want wat is eigenlijk de verhouding, de relatie tussen beide? Tussen binnen- en buitenwereld?

En als nu die waarheidsgetrouwe weerspiegeling er níet is? Welk nut heeft onze binnenwereld dan nog? Ja, wat betekent zij? Of wat kán zij betekenen? Voor ons zelf? Voor de ander? Voor de wereld om ons heen? Em het leven van alle dag? In de praktijk?

Tijd om terug te keren naar de 'beweging van de binnenwereld', ver terug in de tijd, naar de dertiende eeuw . . . Naar de 'stroom van 'Le Roman de la Rose'' die koers zet naar Jean-Jacques Rousseau . . .

'Le Roman de la Rose'

Guillaume de Loris & Jean de Meung

'Le Roman de la Rose' is een droomvisioen dat werd geschreven door twee verschillende dichters. Wat weten we van ze? Eigenlijk niet veel. Van de eerste weten we dat hij Guillaume de Loris heette. Maar daar blijft het dan ook wel zo'n beetje bij.

De tweede dichter was Jean de Meung die uit het gelijknamige plaatsje Meung kwam, gelegen aan de Loire, in een idyllische landstreek waar al in de twaalfde eeuw de eerste watermolens verrezen. Uit zijn aandeel aan 'de Roman van de Roos' spreekt duidelijk zijn rijke culturele bagage. Hij moet zondermeer een geleerd man zijn geweest.

Li Roman de la Rose

Satire

Tevens valt uit zijn tekst op te maken dat zijn meesterstuk satirisch van aard was. Vergelijkbaar met een Don Quichot waarin de Spaanse Cervantes stevig de spot dreef met de Hoofse cultuur, en waarin hij een landheer ten tonele voerde die goed mattenklap was geworden van alle ridderromans die hij had gelezen. Zo zelfs dat hij dronken van alle heldenverhalen de wereld introk om als een hoofse ridder de waardigheid, zo niet de heiligheid van de Dames te vuur en te zwaard te verdedigen. Op zijn heldhaftige missie zag hij ze vliegen: In de meest ordinaire keukenmeid ontwaarde hij het summum van vrouwelijke fijngevoeligheid, verfijndheid en verhevenheid, en in windmolens kwaadaardige reuzen die hij voor zijn Dame, de schone Dulcinea, moedig te lijf ging.

Dergelijke 'cervanteske' overdrijvingen treffen we ook volop aan in het werk van Jean de Meung. Zo wordt de daarin zeer begeerde roos bewaakt door een groteske griezel waar de literaire zelfspot van de schrijver vanaf druipt.

Maar betekent het satirische karakter van Don Quichot of dat van Jean de Meungs werk automatisch dat ze ons geen goed beeld kunnen geven van bepaalde culturele en/ of maatschappelijke toestanden? Absoluut niet. De bedoeling van satirische boeken is nu juist BESTAANDE zaken een lachspiegel voor te houden. Ze zoomen in op iets dat op zichzelf werkelijk is of speelt, zij het dat er een humoristische voorstelling van wordt gegeven.

Zowel Don Quichot als de Meungs toevoeging aan 'Le Roman de la Rose' nemen de Hoofse cultuur op de korrel juíst omdat deze actueel was of nog altijd in de lucht hing.

Overigens betekent satire zeker niet altijd dat de auteur afkeurend, laat staan vijandig staat tegenover het mikpunt van zijn spot. Sympathie kan hier zelfs een grote rol spelen, om maar eens aan Don Camillo te denken.

'Li Romans de la Rose Ou l'art d'Amors est toute enclose'

*De Roman van de Roos* wordt gepresenteerd als een les in de Hoofse liefde: *li Romans de la Rose Ou l'art d'Amors est toute enclose*.

Deze *roman der liefdeskunst* omvat, vrij verteld, het verhaal van een ik-verteller die op een mooie dag in mei, dronken van de lente en liefde die de lucht bezwangerden, bij een ommuurde tuin aankwam. Aan de buitenkant van de muur stond een groep weerzinwekkende vrouwen geschilderd, waarvan een ieder een lelijk menselijk trekje personifieerde. Zo had je daar Haat (Haine) en Ontrouw (Félonie), Laaghartigheid (Vilénie) en Begeerte (Convoitise), Gierigheid (Avarice) en Jaloezie (Envie), Droevigheid (Tristesse) en Ouderdom (Vieillesse), en, om het florissante gezelschap compleet te maken, tenslotte nog Schijnheiligheid (Papelardie) en Armoede (Pauvreté). Ze waren de eerste tegenspelers van de liefde. Een koude douche op zo'n mooie zonnige dag!

Of toch niet? Want lag buíten die ommuring niet het aardse tranendal? Maar daarbínnen het paradijs? Lonkte en lokte daar de liefde niet? Die overweldigende, onweerstaanbare liefde? Want stonden dit soort muren nu niet precies rondom betoverend mooie boomgaarden? En zongen de vogels niet alleen zo in ware lusthoven? Bij het horen van alle vogelzang van achter de muren vandaan hield onze ik het niet meer. Hoe kon hij ooit in deze tuin binnendringen? Hoe kon hij ooit over deze muur heen klimmen? Want was er bij dit soort boomgaarden ook maar ooit een deur, een ladder of wat voor toegang maar ook te vinden?

L'Amour de moy si est enclose'(Aux Marches du Palais)

L'Amour de moy si est enclose'(Jacques Douai)

L'Amour de moy si est enclose'(Nana Mouskouri)

Li Romans de la Rose (Oud Franse liederen)

Gelukkig voor hem trof hij echter, wonder boven wonder een geheime deur aan. Luizenleven (Oyseuse) deed al voor hem open. In het hof maakte onze ik kennis met een heel gezelschap van minnaars en minnaressen die het leven en de liefde vierden. Ze maakten daar een rondedans, de carole, 'karoleerden' er op los en kropen in koppeltjes romantisch bij elkaar weg. Ik leerde er Liefdespel (Déduit) kennen, de meester van zijn droom-hof, en in zijn gezelschap de spelers van zijn spel; troubadours, minstrelen en muzikanten, Hoffelijkheid (Courtoisie) en vooral niet te vergeten Liefde zelf.

Na wat omzwervingen door de tuin der liefde, het Heilige, kwam onze Ik aan bij het middelpunt, het spreekwoordelijke Heilige der Heilige. Het hart. De Roos. De bloem. Het object van zijn begeerte. Ô die schoonheid! Die geur! Dat parfum!

Maar toen hij de bloem wilde plukken kreeg hij te maken met het tegenspel en met de tegenspelers van de Liefde. De compagnon van de God der Liefde (Dieu d'Amors), Zachte-Oogopslag (Doux-Regard), had namelijk niet alleen zijn boog met liefde-pijlen, waaronder Schoonheid (Beauté), Goedgelovigheid (Simplicité), Eerlijk- & Oprechtheid (Franchise) en Goed-Gezelschap (Compagnie), maar ook, helaas!, zijn boog met anti-liefde-pijlen. Pijlen die hun slachtoffers vergiftigen met trekjes die de liefde lelijk in de weg staan, zoals Trotsheid (Orgueil), Laaghartigheid (Vilénie), Schaamte (Honte) en Wanhoop (Désespoir).

Het zat de verteller niet mee. Hij vond allereerst Gevaar (Danger) op zijn weg. Een bruut monster dat de Roos als een terriër bewaakte. Verder kreeg hij onverbiddelijk te maken met Angst (Peur), Valse-Achterklap (Malebouche) en Preutsheid (Chasteté).

Lagen zijn kaarten er hopeloos slecht bij? Gelukkig stond de God der Liefde hem bij. Met wijze raadgevingen, een inwijding in de Hoofse liefde en met hulpkrachten als Zoete-Gedachten (Douxpenser), Warm-Onthaal (Bel-Acueil) en bovenal Venus, de Godin der Schoonheid en Liefde, die haar tegenspelers overwon en onze Ik de Roos kussen liet . . .

Het kussen van de Roos. Het summum van gelukzaligheid, de extase der extases. De overwinning van de Hoofse liefde.

Archetypen, symbolen en allegorie, oude godsdiensten en astrologie

De Roman van de Roos speelt zich af in het lenteland dat ontwaakt na de koude, kale winter, en dat bruist van liefdes- en levensenergie. Wateren gaan ervan ruisen, vogels gaan ervan zingen, bomen gaan ervan geuren, planten, en tooien zich in hun schone lentekleed.

De energie stroomt door de vertellers aderen en tovert lentekriebels en zin in liefde in zijn lijf. 'Ik' is in het land, en het land is in 'Ik'. Het spel van de natuur met al haar machten, krachten en energieën wordt door Meung en door Loris in geuren en kleuren geschilderd.

Verreweg het machtigst is de Liefde, een natuurkracht die wordt gepersonifieerd door Amors (Liefde), en die zelfs tot een god wordt verheven (Dieu d'Amors). 'De roman van de Roos' is een allegorisch droomvisioen; machten, krachten en karaktertrekjes worden er VERBEELD als dames, heren, goden of godinnen, of zelfs als pijlen.

*De pijl

De pijl is een treffend symbool. Want pijlen raken hun doel over grote afstanden. Ze hebben draagkracht, reikwijdte. Net als invloeden binnen hun invloedssferen. In 'De Roman van de Roos' liegen hun uitwerkingen er niet om. Ze dringen bij ons binnen en tekenen ons. Als we geraakt zijn, zegenen ze ons met eigenschappen die komen uit de koker van de Liefde, zoals schoonheid en gezelligheid, of ze vervloeken ons juist met lelijke karaktertrekjes die ieder minnespel in de weg staan, zoals trots en beschaamdheid. Krachten die ons karakter beïnvloeden of zelfs bepalen . . ., duikt de duizendenjaren oude astrologie soms weer op in ons Middeleeuwse werk?! Is het de astrologie zélf die is komen aangolven vanuit de Oudheid? Of is het een idee dat onafhankelijk van de sterrenwichelarij opnieuw het daglicht ziet? Peu importe! In beide gevallen zien we namelijk dat dit idee niet is uit te bannen uit onze belevingswereld. Het zit in ons en het hoort bij ons. Overigens doet in Jean de Meungs dromenland de beeldschone Venus haar intrede, een kosmologische godin wiens expliciete aanwezigheid pleit in het voordeel van de eerste mogelijkheid.

Pijlen treffen, raken, verwonden. Een ander aspect van de liefde. Want de liefde brengt je niet alleen in hemelse sferen, maar laat je ook bloeden, lijden of zelfs sterven. Zij is een bron van vreugde, maar ook van strijd, onzekerheid en verdriet. Een wijze, maar vooral ook harde les die 'Ik' voor zijn kiezen krijgt. Geen wonder dat de Romeinse Cupidon met zijn pijl-en-boog nog altijd springlevend is in onze symbolische werkelijkheid (waar we later nog op zullen terugkomen). De liefde overkomt je, overweldigt je; raakt je als een pijl. Zij vangt je als een jager zijn prooi.

*De ommuurde tuin

Op de weg van de liefde loop je tegen vele obstakels aan. En dan heb je daar die hoge, ondoordringbare muur die je de toegang verspert tot het hart van je grote liefde, een bloem die je niet zomaar plukken kunt.

Je moet haar hart zien te winnen met fijngevoeligheid, verfijndheid en Hoofse kunst. Met dapperheid, moed, toegewijdheid en strijd. Want alleen dan en slechts dan gaan haar poorten voor je open, en kun je binnentreden in haar tuin, of liever paradijs.

Over het paradijs gesproken, kunnen we vaststellen dat de ommuurde tuin een mooi voorbeeld van een open symbool is. Want niet alleen associëren we zo'n afgesloten hof met de ontoegankelijkheid van je grote liefde, maar ook met de verbanning uit een ideale leefwereld (zoals het paradijs of het hof van Eden). Het 'herinnert' ons aan en confronteert ons met het verlies van ons oorspronkelijke bestaan (waarin de schaamte nog niet was binnengedrongen). In het verlengde hiervan roept het hof het beeld op van wat beeldschoon, zuiver of zelfs heilig is; de ideale vrouw ofwel godin van je gevoelsleven. De heldin van je hoofse dromen waarvoor je letterlijk op de knieën gaat en waarvoor je letterlijk in aanbidding ligt. Aan wie je op galante en elegante wijze je heldendaden opdraagt. En die je inspireert tot opperste fijngevoelig- en kunstzinnigheid. Wat heilig is en kostbaar, intiem, dierbaar en wat je koestert wil je veilig wegstoppen. Je wil het niet blootstellen aan gevaar. Je wil het beschutten tegen grofheid en ongevoeligheid. Je wil het wegbergen en ommuren, insluiten in je hart. Koesteren in de tempel van je binnenste.


L'amour de moi si est enclose
Dedans un joli jardinet
Ou croît la rose et le muguet
Et aussi fait la passerose


De ommuurde tuin . . . wat zou er toch achter die muren liggen? Ze roepen bij ons het beeld op van het beloofde land. Van iets dat betoverend mooi moet zijn. Van iets dat onweerstaanbaar moet zijn. Van iets dat we willen vinden . . . terugvinden. Dat we ergens wel kennen- we weten dat het er is of dat het er moet zijn-, dat we . . . HER-kennen. Waar we naar verlangen, hunkeren en smachten . . . , waar we naar streven . . .

Kijken Aristoteles en Augustinus over onze schouder mee?! Let wel, ook 'Ik' weet wat er achter die muren moet zijn, zelfs nog vóór dat hij er is geweest!

*De fontein

De fontein ruist ook in de Roman van de Roos. De fontein is waar het water uit de grond komt. De oorsprong. De bron. Zij geeft water, en leven als een moeder, gevoelsleven, liefde en inspiratie als een vrouw. Geen wonder dat de Roos te vinden is bij een klaterende fontein. Daar waar je in haar spiegelende water het hof kunt zien, je roos, je grote liefde. Is het een inkijk in je ziel? Spiegelt binnen er buiten? En buiten binnen?

Onze 'Ik' staat bij de Liefdes-Fontein. Het krachtenspel van kosmos en/ of natuur stroomde uit in de diersymbolen van het Vézère-dal, kreeg vleugels bij de vogelgodinnen van het Oude Europa, werd weerspiegeld in sterrenbeelden bij astrologen, verbeeld in een hele godenwereld en tenslotte gepersonifieerd in de Roman van de Roos.

In het christelijke, monotheïstische Frankrijk van de middeleeuwen werden door de Loris en de Meung de teugels gevierd. Personificaties, polytheïsme en oude mythologieën kregen er de vrije loop. En wat meer is, van het christendom valt er weinig tot niets meer terug te vinden. Opmerkelijk . . .

LE ROMAN DE LA ROSE
Weerspiegeling Binnenwereld/ buitenwereld
Binnen wordt buiten & buiten wordt binnen
De verteller vindt zichzelf terug in het *lente-liefde-land*
En vindt het *lente-liefde-land* terug in zichzelf
Personificaties & archetypen Karaktertrekken (Jaloezie/ Begeerte etc.)
Liefde / Hoffelijkheid / Liefdesspel (natuurkrachten, -machten & -spel)
Symbolen De ommuurde tuin
Pijlen
De fontein


De spiegel van de ziel

In het kristalheldere water van de Liefdes-Fontein spiegelt zich het beeld van je liefde wanneer je je er zelf in spiegelt! Wonderlijk. Je spiegelt jezelf, maar je ziet een ander. Althans, wat je ziet in het water is wat troont in je ziel. Het is wat je laat liefhebben, voelen, denken, leven. Het is wat maakt wie je bent. Het is een deel van jezelf- zij spiegelt zich in jou-. Evengoed als jij een deel bent van haar- je spiegelt je in je liefde-. In deze optiek is de ziel niet alleen een ik, maar een wij. Tenminste, als de hoofse liefde de zielen verbindt.

Een wijze les?

Wie spiegelde zich in de liefdes-fontein? Het was Narcissus. Narcissus die een mooie Dame wredelijk afwees en wiens betoverende schoonheid hij niet zag. Haar innige liefde liet hem koud. Hij liet haar stikken en hij liet haar sterven.

Maar zij nam wraak. Was Narcissus blind voor haar vrouwelijke charmes? En had hij geen oog voor haar verterende liefde? Wel, dan zou zij hem eens verliefd maken, stapelgek op zijn eigen spiegelbeeld. En dat werd hij! Narcissus zag alleen nog maar Narcissus. Hij was zó vol van zichzelf, dat hij ervan verdronk; verdrinkend in zijn tomeloze, liefdeloze eigenliefde.

De droevige geschiedenis van Narcissus bij de liefdes-fontein lijkt een wijze les voor lomperiken die de liefde en het leven nog niet hadden begrepen, een parabel uit de 'Bijbel' van de Hoofse Liefde die laat zien dat je met de *godin* van je zielenleven niet kunt spotten!

Verbonden en verbannen

Anders dan de titel misschien doet denken, is het in de Roman van de Roos verre van alleen maar rozengeur en maneschijn. Niet alleen gaat onze verteller op in het lenteland, niet alleen ruist haar liefdesenergie in zijn aderen, niet alleen gaan er geheime deuren voor hem open, niet alleen treedt hij liefdestuinen binnen, lusthoven, paradijzen, niet alleen geuren de rozen, en kust hij de bloem, proeft hij de vrouwelijke charmes en raakt hij in extase,


et dans une extase infinie Se plongeait mon âme ravie


helaas (!), maar hij krijgt er ook onverbiddelijk te maken met muren, doornen, boze wachters en andere hinderpalen op de weg naar zijn liefde.


Qu'il est long le chemin
Qui conduit à ma belle
Qu'il est long le chemin
Qui conduit à l'amour

Georges Brassens


Le chemin de ma Belle (Georges Brassens)

Onze Ik weet wat hij zoekt, hij weet dat hij is buitengesloten, verbannen. Hij smacht naar iets dat hij al kent en dat hij ergens- wanneer was het en hoe was het gegaan?- was kwijtgeraakt. Hij hunkert naar die hogere, gelukzalige gemoedstoestand en gaat daarbij door bergen en dalen in zijn gevoelswereld.

Het is een universeel thema dat we aantreffen in het verhaal van Adam en Eva, dat we terugvinden bij Franciscus die zich vol afkeer, keerde tegen een zieke, verworden samenleving en waar onze verteller in alle hevigheid mee werd geconfronteerd.

Het Hoofse Hart

Eerder dan logisch en rechtlijnig te redeneren, golft de verteller mee op de golven van zijn gemoedstoestanden. Hij is in die zin meer een man naar Bernardus hart, die een onmiddellijk geloof predikte dan naar dat van Abaelardus voor wie het weten middellijk uit het hoofd kwam. In de dualistische tegenstelling tussen het hoofd en het hart scharen de Hoofse dichters zich duidelijk in het kamp van het grote gevoel. Al moeten we voorzichtig zijn met onze conclusies omdat we- zoals we later zullen zien- hier te maken hebben met een paradox, en omdat Jean de Meung, anders dan zijn personage, niet vreemd was van logica; hij schijnt hier zelfs een boek aan te hebben gewijd.

In de Hoofse cultuur draait het om een verheven en verheffende liefde. Je Dame blaast je als een muze een rijk en romantisch gevoelsleven in. Ze laat een liefdesvonk ontspringen en wakkert het vuur der deugden aan. Ze maakt een dichter van je, een kunstenaar, een ridder, een held. Het is het Hoofse ideaal waarbij zij de motor is van je ziel.


Car en mon coeur toujours est close
La douce saveur de la Rose


Petrarca

De Hoofse cultuur culmineert in de werken van de Italiaanse dichter Petrarca die een hele idealistische en artistieke stroom op gang bracht, het petrarkisme. Onze poöet en gevoelskunstenaar werd geboren in het jaar des heren 1304 te Arezzo (Toscane). Maar het was Zuid Frankrijk waar hij de paus was gevolgd, en waar hij studeerde, dat zijn leven tekende.

Zo beklom hij daar de voor hem magische Mont Ventoux en bovenal werd hij daar betoverd door de charmes van een meisje dat hij Laura noemde. Zij nam hem mee naar een hogere, dichterlijke wereld van waaruit Petrarca zijn lyrische sonnetten aan haar wijdde en aan haar opdroeg.

Sonnetten aan Laura

Het sublieme spat van iedere pagina van zijn sonnetten af. De schoonheid van Laura is goddelijk. *Godinnelijk*. Derhalve is ze meer dan alleen maar lichamelijk mooi. Ze is om te beginnen de expressie van een soort goddelijke geest, al wordt deze nergens gedefinieerd noch expliciet genoemd. Ze komt voort uit de uitdrukkingskracht van iets dat je VOELT, maar zeker niet systeemmatig analyseert. Van iets waarbij je je verwonderd afvraagt,


waar in de Hemel
en in welk brein
[toch] het model mocht zijn
naar welk Natuur
[Laura's] schone
en gracieuze gezicht schiep
en waarmee Zij
hier beneden
aan ons heeft doen verschijnen
wat Zij daarboven weet te bereiken?


Sonetto del Petrarca no: 47 (Luciano Pavarotti)

Laura en het land

Let wel: Natuur vormde zowel Laura's goddelijke schoonheid als die van het land, zodat Laura Natuur opriep, en het Land Natuur opriep, evenals Laura het land, en het land Laura.

Het Absolute Vrouwelijk

Petrarca is betoverd door de eeuwige charmes van het Franse meisje, want is er onder al wat sterfelijk is ook maar iets of iemand te vinden waarvan de schoonheid zelfs maar in de buurt komt van de hare? Laura krijgt in zijn lyrische sonnetten de allure van een godin. Ze incarneert het Vrouwelijk. Het eeuwige en absolute Vrouwelijk.

Mythologische schoonheid

Godinnen, Liefde, nimfen en Natuur . . . , onze Hoofse dichter haalt al het bovennatuurlijke uit de kast om het SUBLIEME in zijn dichtkunst te vangen. Te vangen of juist de vleugels te laten nemen, om ons mee te voeren naar de hogere sferen van Hoofse Liefde en Voelen met een grote V.


Petrarca ontvouwt geen coherente geloofsleer. Verre van. Wat hij doet is het WEKKEN van een wereld in ons, van waaruit wij met ons gevoel al dat bovennatuurlijke HERKENNEN, zonder dat het strak is gedefinieerd of ingekaderd en ingeperkt in een rechtlijnig denken.


Was het louter flauwe fantasie van zijn kant? Verwarring? Chaos? Als dat zo was geweest, hadden zijn sonnetten dan de tand des tijds doorstaan? Hadden zij honderden jaren lang de mensen steeds weer weten te boeien en te pakken? Te roeren, te raken en te inspireren? Laten we eerlijk zijn, er moet iets in zitten wat we allemaal eigenlijk ergens wel herkennen. Petrarca's sonnetten mogen wellicht op starre geesten en rechtlijnige denkers een rommelige indruk maken. Maar is het niet juíst met haar open symbolen en met haar extra dimensie dat de mythologie ons analytisch vermogen kan overstijgen? Is het niet juíst haar bedoeling niet alles plat te redeneren? Niet alles in te hokken in de kooien van ons kleindenkende, ingedijkte verstand? Maar de ziel te bevrijden? Ruimte te geven aan de geest?

De opbouw van een poëtische constellatie


Echter, zoals we bij de open symbolen hebben gezien, hebben we te maken met een verbandensysteem van waaruit het complexe, meerdimensionale zich kan ontvouwen. Net als bij een web heb je een kern, een centrum waar rondom een heel lijnenspel uitwaaiert. Analyse helpt dus niet om de hele complexiteit in zijn volle lengte en in zijn volle breedte in te vangen, maar wel om zijn basis te vinden en de genererende werking die eraan ten grondslag ligt, bloot te leggen. Dat vergroot ons inzicht.


In de Sonnetten voor Laura valt de opbouw van Petrarca's poëtische constellatie redelijk goed terug te vinden (of onze Hoofse dichter zich nu van deze opbouw bewust was of niet).

*In de kern heb je de bron van het goddelijke.
*Uit die bron stroomt sublieme schoonheid.
*Deze is onweerstaanbaar, oefent een overweldigende aantrekkingskracht uit.
*Aantrekkingskrachten werken over afstanden; ze hebben reikwijdte, invloeds-gebieden, sferen, velden.
*Aantrekkingskrachten bestaan bij de gratie van een heel energiespel.
*Vrouwelijke aantrekkingskrachten/ vrouwelijke charmes werken betoverend, brengen je in extase.
*De beleving van deze charmes brengt je terug naar het sublieme, naar de bron.
*Het Vrouwelijk is goddelijk/ godinnelijk.

De Goddelijke bron
Stromen Sublieme Schoonheid
Overweldigende/ onweerstaanbare aantrekkingskracht
Invloedssferen
Energiespel
Vrouwelijke charmes/ betovering van het Vrouwelijk
Hogere gemoedstoestanden/ vervoering/ extase
Beleving van het Sublieme
Terug naar de bron: het Goddelijke


Deze knooppunten kunnen met van alles worden GEASSOCIEERD en VERBEELD. Verbeeld of met de muziek van de taal (klanken, ritme, maat etc.) worden opgeroepen, want niet voor niets zijn Petrarca's gevoelens uitgestroomd in sonnetten.

De bron van het goddelijke opent zich op een sterrenhemel met Venus, nimfen, godinnen, de Liefde en de Natuur. Terwijl de sublieme schoonheid zich weerspiegelt in goud blonde haren, in zonnen aan azuurblauwe hemels, in zachte sneeuwvlokken en in wat allemaal niet nog meer? Aantrekkingskrachten verzamelen rivieren rond zich, bergen, dalen. Reikwijdte roept het beeld op van pijlen en bogen. En sferen hullen de ruimte in rozengeur, vullen haar met hemelse stemmen of subliem licht. Wanneer Laura door het zachte gras loopt- zo onthult onze Hoofse Minnaar ons- legt ze de wereld in een wonderlijke, heilzame sfeer waarin bloemen tot bloei komen. Energie laat Laura's ogen stralen, de zon, de sterren en de maan . . . , laat liefde vlammen, branden, en het meisje schitteren in een levendig licht. [Laura's] ogen die zo machtig zijn dat ze harten smelten, zeeën aan duisternis verlichten, en zielen uit hun lichamen naar zich toe trekken. Haar vrouwelijke charmes betoveren de wereld, als de maan de hemel, en het frisse groen de aarde. Ze inspireren, geven vreugde, geven moed. Ze laten je dromen, zingen en nemen je mee naar het land der liefde. Ze ruisen voor je in de takken, zingen voor je in een vogellied of kabbelen voor je in heldere beken.

Kortom, in Laura's sonnetten ontvouwt Petrarca een dichterlijke wereld vol goddelijke en sublieme schoonheid. Hoger sferen die zintuigen strelen en zielen betoveren. Die in vervoering brengen . . .

Sonetten aan Laura (Simone Martini)

Herkenbaar

Zweverig? Misschien doen deze Hoofse gedichten geen beroep op ons verstand, maar dan toch wel op ons gevoel. Blijkbaar zit er iets in dat we HER- kennen. Door de eeuwen heen: Van de tijd van de Loris en de Meung uit de 13e eeuw komen we via Petrarca bij Honoré d'Urfé in de 17e eeuw terecht. En nog altijd was de Hoofse cultuur niet van het toneel verdwenen.

L'Astreé van Honoré d'Urfé

Honoré d'Urfé (1568-1625) was een graaf uit het Zuid Franse Marseille die in zijn duizenden bladzijden lange 'roman fleuve' de romantische avonturen van een herder (Celadon) en een herderin (Astrée) volop liet stromen vanuit zijn Grote, Hoofse Gevoel.


Het hof waar rond de Dame dichters cirkelden als bijen rond hun koningin, maakte in L'Astrée plaats voor een ruraal decor. De wereld van de adel kwam er in de schaduw te staan van de grote, groene ruimte met bossen, beken en bergen, rivieren, dalen, herders en herderinnen . . . Het begrip 'Hoofs' stond er vooral voor Hoofse Liefde, deugden en hofmakerij.


Pastorale Romantiek


Met L'Astrée werd een monument opgetrokken in de PASTORALE ROMANTIEK. Een romantiek die de zuiverheid ademde van de natuur, van het platteland en van onverdorven natuurmensen. Een idealistische kunststroming die je meevoerde in idyllische werelden en die Sint Franciscus in de herinnering riepen.


Franciscus voor wie doorheen de schoonheid van de schepping de stem van God klonk, en voor wie een waar christen een contemplatief leven diende te leiden. Franciscus ook die zich verzette tegen verdorven machten die de mens vervreemdden van het eerlijke, eenvoudige leven dat je verbond met de Schepper en Zijn schepping, de natuur.

Hoogtes, laagtes, liefde en leven

Geen wonder dat L'Astrée opent op een magnifiek decor. We staan op een vlakte omringd door hoge bergen.


Vanuit die hoge hoogtes komen waterstromen naar beneden zetten


die vredig kabbelend, kronkelend de laagte doorkruisen: Eens- zo leren we in de pastorale rivierroman- lag onze landstreek die we tegenwoordig 'Forests' (Forez) noemen, onder diepe wateren waaruit hoge bergen staken. Was het toeval? Want doen de wateren ons niet denken aan watervogels? Aan godinnen? Aan het Vrouwelijk? Aan het Oude Europa? Of aan de Nijl? Aan Isis? Aan de Nijlgodin? Roept het Forez van Astrée niet het beeld op van de Oerzee (Noenet) uit de Egyptische mythologie? Van grenzeloze wateren waaruit een berg (Benben) kwam oprijzen? En gaf dat hoogteverschil geen energie? Geen scheppingskracht? Geen leven? En het Vézère-dal? Natuurlijk liggen daar grotten die bij uitstek geschikt waren voor de grotschilderkunst. Zeker. Maar heeft de hele locatie, daar waar de wateren zich vanuit de hoogte van het Massif Central in de diepte storten, niet óók een rol gespeeld?!


Vrouwelijk, water, liefde, diepte, gravitatie, aantrekkingskracht, macht . . .


Celadon nu, de herder en hoofse held uit L'Astrée, wierp hij zich niet uit liefdesverdriet in het vallende water van de Lignon? Stortte hij zich niet met heel zijn gevoel in de diepte van Astrée? Verdronk hij zich niet in zijn liefde? En was het niet ternauwernood dat hij werd gered?

Betekende zijn liefde voor zijn Dame geen leven? En haar afwijzing niet zijn dood? Sprak hij niet tot zijn geliefde met de woorden, 'nee, jíj zult in het geheel niet sterven, ík ben het eerder die sterven zal, daar ik alleen door u kon leven'? En voegde hij daar niet aan toe, dat een 'minnaar leeft in wat hij liefheeft'?

Liefde en vijandschap

Want wat was er precies aan de hand? Twee families stonden als kemphanen tegenover elkaar. De familie van onze herder, Celadon, en die van onze herderin, Astrée. Vijandschap, haat, verdeling . . . Zou de liefde overwinnen?

Onze Hoofse held en heldin raakten smoorverliefd op elkaar. Maar mocht dat eigenlijk wel? Ze moesten voorlopig hun liefdesband nog zien te verbergen. En wat werkte er niet beter dan een dekmantel? Astrée gebood Celadon te doen alsof hij een andere vrouw beminde.

Maar waar had ze niet mee gerekend? Waar had ze niet aan gedacht? Anderen konden hun spelletje lelijk doorkruisen. De valse Semire aanbad Astrée. Hij wilde haar hebben, helemaal voor zichzelf. Alleen stond Celadon zijn plan vierkant in de weg. Maar niet getreurd. Hij wist het toneelspel van Celadon zó levensecht te laten lijken dat Astrée zich erdoor bedrogen voelde en in haar minnaar een vreemdganger ging zien . . .

Jaloezie ontvlamde. Afwijzing volgde en sleurde Celadon de dood in, ware het niet dat hij door een groep nimfen werd gered uit het woeste water van de Lignon. Duizenden en duizenden bladzijden voeren vervolgens de lezers en lezeressen mee in de stroom van het hartstochtelijke liefdesverhaal van onze herder en herderin, die uiteindelijk mogen zegevieren over de vete, de vijandschap en de vervreemding.

L'Astrée (Franse liederen)

Mini documentaire over L'Astrée

Over L'Astrée & Rousseau

Mythologie & historisch bewustzijn

Astrée speelt zich af in een wereld waarin oude mythologieën weer tot leven zijn gekomen. Venus, tempels en dryaden, druïdes, Diana en Cupidon, koning Arthur, Fortuna, goden en godinnen . . . ; de rivierroman getuigt van een duidelijk historisch bewustzijn. Voor ons waren er Oude Grieken, Romeinen en Kelten . . . Alleen komt d'Urfé wel met een geschiedschrijving van Forez waarbij vele historici hun wenkbrauwen zullen fronsen.

Je zou verwachten dat in een tijd waarin de geschiedenis zich steeds verder als wetenschap aan het ontwikkelen was, en waarin het steeds meer ging draaien om historische feiten, een d'Urfé zijn kennis op dat gebied volop zou tentoonspreiden. Dat hij misschien zelfs bang zou zijn dat hij zou afgaan als een domoor die in fabeltjes geloofde. Maar niets is minder waar. In plaats daarvan geeft hij het verleden van Forez een sterk mythologisch karakter. En daar had hij nog eens een razend succes mee ook.

De vraag is waarom. Hoe kan het toch zijn dat de wetenschap geen korte metten heeft gemaakt met zoiets 'primitiefs' als de mythologie? Of vervult deze soms een andere rol? Een even wezenlijke rol als de geschiedschrijving? En staat zij misschien voor een andere werkelijkheid? Eentje die in ons leeft? En die ons daarom raakt en roert?

Bestaat er misschien naast een geschiedenis (vol wapenfeiten) in de 'buitenwereld', ook een van onze collectieve binnenwereld? Van de mythologie? Van onze psyche . . . ?

Feit blijft dat Cupidon blijft opduiken, en liefdes-fonteinen klateren, ruisen en zielen spiegelen zoals is Astrée en in de Roman van de Roos.

'Hoofse liefde-molens'

Aan de Hoofse stroom verrijst het beeld van een watermolen waarvan de raderen wentelen, draaien en elkaar aandrijven: Allereerst zien we hoe de 'buitenwereld', d.w.z. de wereld om zo'n Hoofse kunstenaar heen, de 'tandwielen' van zijn binnenwereld als een groot waterrad op volle gang brengt:


De 'buitenwereld' WEKT delen van de binnenwereld.


Maar wat ligt er precies in die binnenwereld, en welke delen worden daar geactiveerd? Gewekt?

De Ideale Vrouw

In de eerste plaats ligt daar- zoals we ook in het artikel over Sint Franciscus hebben gezien- de IDEALE VROUW. Als een platonisch idee? Als de vrouw waarvoor de Hoofse kunstenaar geschapen is? Gemaakt? Gevormd? Om haar te dienen? Om haar te laten schitteren in zijn kunst? Als *het Magische Meisje* dat de schrijver, de schilder, de dichter, de beeldhouwer . . . de Hoofse kunstenaar een rijk gevoelsleven inblaast? Geestelijk leven? Kunstzinnig leven? Die hem energie geeft? Artistieke energie? Als de Schone Dame die haar minnaar meevoert naar hogere sferen en gemoedstoestanden? Die hem in vervoering brengt? En die de 'raderen van zijn binnenwereld' aanzwengelt en vol bewondering laat wentelen en draaien?

Droommeisjes in de 'buitenwereld' (zoals een Laura of Astrée) WEERSPIEGELEN en WEKKEN . . . het *godinnelijke* meisje in de binnenwereld van hun Hoofse minnaar. Binnen wordt buiten & buiten wordt binnen;'Petrarca's' kennen hun 'Laura' van binnenuit. Sterker nog: zij huizen in hun ziel. Vol vrouwelijke energie laat het meisje in de binnen- & buitenwereld het SUBLIEME in haar kunstenaar leven, wentelen en draaien.

De ideale vrouw brengt het *Godinnelijke* dichterbij. Dichtbij. Zij maakt *HAAR* warm, persoonlijk, intiem. Teer, kostbaar en 'koester-baar'. Tegelijkertijd is Zij 'hemels', majestueus, oppermachtig en OVERSTIJGEND. Zij overstijgt het individuele vrouwelijk en voert Haar minnaar 'op haar vleugels' mee naar het grootse, geweldige en overweldigende UNIVERSELE & ABSOLUTE VROUWELIJK . . .

Het Universele Vrouwelijk

In de Roman van de Roos bloeide de lente op in het land, en de liefde in vertellers hart: Lente werd liefde, liefde lente, het land 'Ik', en 'Ik' het land. Evenals in Petrarca's meesterwerk het land Laura werd, en Laura het land. Op kunstzinnige, intuïtieve wijze lieten Hoofse Kunstenaars het individuele opgaan in het universele, in een flux, en concentreerden zij het universele in het individuele, in een reflux.

Die overstijgende beweging namen we ook duidelijk waar in de kunst uit de prehistorie, protohistorie en vroege geschiedenis (de Steentijd, het Oude Europa en het Oude Midden-Oosten & Oosten). Het vrouwelijk werd daar niet alleen gekoppeld aan losse individuen, maar vooral ook beleefd in de natuur, de kosmos en de godenwereld. In sferen, machten, krachten, energieën en magieën. In vogels, wateren, sterren en planeten . . .

Langs de draden van het mythologische web konden we op en neer gaan tussen het individuele en het universele; tussen het *tovermeisje* uit onze binnen- en buitenwereld en het grootse of zelfs goddelijke . . .

In dit licht valt ook het megasucces van de Heilige Maria in de katholieke wereld goed te verklaren. Want zij is voor katholieken de middelaar tussen boven en beneden. Zij staat super dichtbij en is super toegankelijk. Zo zelfs dat je met haar wel de meest warme, persoonlijke en intieme band kunt hebben. Tegelijkertijd staat zij op duizelingwekkende hoogte, ver, ver boven ons; en is zij met recht de *Koningin der Hemelen*.

Het Sublieme

In de Hoofse binnenwereld drijven de Ideale Vrouw en het Universele Vrouwelijk het 'mythologische rad & rad der Sublieme' aan. De kunstenaar raakt ervan in een roes. Zijn belevingsspectrum verruimt zich en zijn gevoel voor schoonheid vergroot zich. Verfijnt zich. Sublimeert zich.

Is het een voorrecht van Hoofse kunstenaars? Of kennen we eigenlijk allemaal die magie van de liefde wel? Die *toverdrank* die je naar je hoofd stijgt, en doet stijgen naar 'subliemer sferen'? Hoe het ook zij, kunst en cultuur zijn altijd en overal doortrokken geweest van mythologische & sublieme ervaringen. Van belevingen van Oud Europese vogelgodinnen tot aan die van Chinese draken aan toe . . . ze vallen gewoonweg niet weg te denken uit de wereld en het wezen van de mens. Toch lijkt de Verlichting korten metten te hebben willen maken met van dit soort 'achterlijk sprookjesgedoe'. Maar zijn ze dat eigenlijk wel? Of liggen ze misschien diep verankerd in onze natuur? En hebben ze om welke reden of op welke wijze dan ook aansluiting met de wereld, met de werkelijkheid om ons heen? Ja, zijn ze minder wereldvreemd dan wij zo zouden denken? En zij wij het misschien niet zélf die ons moeten afvragen of we niet vervreemd zijn? Vervreemd van het Sublieme . . . ?

In het moderne westen lijkt het idee van het Sublieme achterhaald. Maar hoe kan het dat we dit ten diepste kunnen beleven? Dat we in vervoering kunnen raken? In een roes? Of zelfs als Balinese dansers in trans? En hoe kan het dat paddo's, drank en drugs ons in andere werelden of andere werkelijkheden kunnen toveren? Waarin we alles ánders gaan horen, ánders gaan zien, ánders gaan voelen en ánders gaan ruiken? Of belangrijker nog: Hoe kan het dat we ook zónder van die paddo's, drank en drugs in een roes kunnen raken? Zoals bij de zinsbegoochelingen, of liever *zins- en ziel-betoveringen* van een hevige verliefdheid? Of bij die van campagne, kunst en wijsbegeerte? Zodat we ons kunnen afvragen of we deze eerder te danken hebben aan hun materiële dragers- 'wat chemische krabbels en briefpapier'- of aan hun inhoud- het 'bericht'- zelf. We denken hier terug aan Pythagoras voor wie het niets uitmaakte of hij dezelfde wiskundige schoonheid nu hoorde of zag . . .

In volle gang

Toch kunnen we ons wel een beeld vormen van Petrarca's Hoofse dronkenschappen: Laura (of het droommeisje in de buitenwereld) zwengelde zijn innerlijke molen aan. En in die gang dreven vele raderen elkander aan en kwam er van alles tot leven:


Laura (het droommeisje in de buitenwereld) > De Ideale Vrouw in de binnenwereld > Het Universele Vrouwelijk > Het Sublieme > De Hoofse Kunstenaar . . .

Zie 'Schoolbordtekeningen'

Petrarca

Laura

Bedrog of werkelijkheid?

Vele vragen blijven ons achtervolgen, en niet in de laatste plaats hoe binnen- en buitenwereld zich tot elkaar verhouden. En of het Sublieme werkelijkheid is of bedrog.

INTERESSANTE LITERATUUR

Le Roman de la rose, Guillaume de Loris & Jean de Meung

L'Astrée, Honoré d'Urfé

Il Canzoniere, Petrarca

hirondelle



Jean-Jacques Rousseau, in de roes van Romantiek, campagne, kunst & wijsbegeerte

Vervreemding

In de tijd van de Verlichting begon een algeheel gevoel van vervreemding te groeien. Het was de periode van het verstand en van de vooruitgang, maar ook die waarin de grote industrie opkwam, en steeds meer mensen in grauwe steden kwamen te wonen. Veel mensen raakten afgesneden van natuur en platteland, en van de ziel als uitkijkraam op het hogere. Van die grote verbinder met alles om ons heen, bleef er in de ogen van velen weinig anders meer over dan ons brein. Een soort machine die je hulde in een mist van mentale constructen waarin je nóch de dingen zelf kon waarnemen, nóch het hogere kon leren kennen, als dat überhaupt al zou bestaan.

Met een gevoel van vervreemding was op zichzelf niets nieuws onder de zon. We vinden dit al terug in de Thora (het eerste deel van de Joodse Bijbel) en in het daaraan ontleende Oude Testament waarin het eerste mensenpaar (Adam en Eva) uit het paradijs werd verbannen. Daarmee was de mens zijn oorspronkelijke bestaan, in harmonie met elkaar en met de natuur, jammerlijk kwijtgeraakt. De grond werd vijandig, vol doornen, te droog of te nat, de dieren werden vijandig en de mensen ook.

In het Nieuwe Testament keerde Jezus zich tegen een kaste van farizeeën en schriftgeleerden die de letter vervreemdde van de geest, het hoofd van het hart, de wet van de liefde, het woord van de daad en de gelovigen van God. Een kaste die het innerlijke, een geloof vanuit hart en ziel, verraadde voor het uiterlijke, voor een vertoon van onnavolgbare geleerdheid en schijnheiligheid. Binnenkant werd buitenkant, eenvoud ingewikkelde haarkloverijen en gevoel getheoretiseer. Jezus zag met alle handelaren en geldwisselaars de heilige tempel veranderen in een marktplaats en God in geld. Een gruwel voor zijn aangezicht.

Sint Augustinus moest, letterlijk tot in het diepst van zijn ziel, de kloof hebben ervaren die gaapte tussen een wereld van uiterlijke schijn, vol theaters, retorica en arena's, bedrog, roem, rijkdom en flitsende carrières, en zijn binnenste waarin hij het ware, het wezenlijke, het pure, het echte en het eigenlijke dacht te vinden. Het huis van God.

Sint Franciscus zag met lede ogen aan hoe het christendom was verworden en hoe de katholieke kerk was vervallen. Hoe lakens de liefde overschaduwden, getuige de onbarmhartige geldzucht van zijn vader. Hij beleefde het contrast tussen het bedorven en verdorven leven in de steden en het geestelijk verkwikkende, contemplatieve leven in de natuur en op het platteland.

Het gevoel dat de mensheid zichzelf en zijn eigen, oorspronkelijke wereld was kwijtgeraakt, gistte al eeuwen en eeuwen, broeide, sluimerde, en kwam bij momenten tot een uitbarsting. Zo leek ook de Verlichting het lont in de Frans/ Zwitserse filosoof, Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), te hebben aangestoken. Hing de Franse Revolutie al in de lucht? Liet de filosoof het in Frankrijk al rommelen? Waaide met de wind van Rousseau een zwaar onweer aan dat heel Europa op zijn kop zou zetten? Deze hartstochtelijke Franse filosoof wordt in de geschiedschrijving nog weleens gekenmerkt als een voorbode van de Revolutie die Frankrijk op zijn grondvesten zou doen gaan schudden.

De 'ik' in het boek

Rousseau voelde duidelijk een grote weerzin tegen de Verlichting, of in ieder geval tegen de vervreemding die deze teweegbracht. Zo wees hij erop dat de Verlichting met al haar rede en met al haar gefilosofeer ons weliswaar een keurig nette grammatica had opgeleverd, maar dat met dat alles iedere levendigheid, iedere passie en iedere muzikaliteit van de taal verder de nek werd omgedraaid. Sterker nog, dat om een taal steriel te maken, monotoon en kil, je alleen maar van dat soort academies hoefde op te richten waarvan je er tijdens de Verlichting zoveel had. Met haar focus op overtuigingskracht verloor de Verlichting de kunst om tot ons hart te spreken, om ons te raken en te roeren.

Objectiviteit- of deze nu werd gezocht in mentale constructen die noodzakelijkerwijs waar waren (Kant), of in 'meten is weten' en onwrikbare natuurwetten (Newton)- was waar het in deze 'Temps des Lumières' om draaide. Ieder persoonlijk voelen, ieder persoonlijk gevoel, iedere subjectiviteit mocht noch ons denken, noch onze filosofie, noch onze wetenschapsbeoefening bezoedelen. Deze dienden zuiver, rein en objectief te zijn. In de ogen van Rousseau zette deze verlichtingsdrang de wereld voor ons mensen op afstand en vervreemdde deze ons van onszelf. Zij perkte ons belevingsspectrum in, vernauwde onze blik en verarmde onze visie. Want leerden we het wezenlijke niet kennen vanuit ons hart, vanuit ons gevoel, vanuit onze subjectieve waarneming en beleving? En konden we ons daarmee niet verbinden met onszelf, met de ander en met de wereld om ons heen? En zodoende het universele en het gemeenschappelijke vinden?

Rousseau was zeker niet de eerste die er niet voor schroomde de lezer een inkijk te bieden in zijn privé domein; in zijn eigen zielenroerselen, in zijn voelen en zijn denken, in zijn gevoel en zijn geweten. De beroemde burgemeester van Bordeaux, Michel de Montaigne (1533-1592), was hem met zijn Essais (Essays) voorgegaan. Dat hij daar in die tijd een zeker taboe mee doorbrak mag wel blijken uit een tamelijk theatrale opmerking in zijn inleiding:


Ainsi, lecteur, je suis moi-même la matière de mon livre: ce n'est pas raison que tu emploies ton loisir en un sujet si frivole et vain. Adieu donc, de Montaigne, ce premier Mars mille cinq cent quatre-vingt.


'[Waarde] lezer, dit boek gaat over mijzelf . . . Adieu . . . ' Meende Montaigne dit serieus? Vanzelfsprekend zou hij dan niet de moeite hebben genomen om zijn boek te publiceren. Hoewel hij niet zo zeer zijn intieme gevoelens blootgaf, bood hij wel alle ruimte aan zijn hoogst persoonlijke (en dus subjectieve) gedachtestromen. Het waren vaak geleerde en diepzinnige beschouwingen die hij echter nog weleens onderbrak om lucht te geven aan wat hij op het hart had. Zo moest hij, bijvoorbeeld, tussendoor toch echt even kwijt dat hij slecht was in vlees snijden en een hekel aan meloen had. Montaigne was volgens zijn eigen beschrijving een fysiek kleine man. Maar hij was zeker ook een grote geest. Terwijl hij in het heetst van de godsdienstoorlog leefde waarin er overal in Europa brandstapels verrezen, en katholieken en protestanten elkaar het licht in de ogen niet gunden, sprak deze moedige en wijze burgervader zich als eerste (voor zover bekend tenminste) publiekelijk uit tegen de doodstraf.

Toch stond ook Montaigne niet aan de wieg van een literair genre waarin de schrijver een boek opendoet over zijn of haar gevoels- en gedachtewereld. Lang voor hem hadden we Augustinus die in zijn Confessiones (Belijdenissen) met de billen bloot ging. Deze kerkvader biechtte er ruiterlijk al zijn zonden in op. Streng voor zichzelf, geselde hij zijn eerzucht. Hij vernederde zich, en zette zichzelf te schande met al zijn vroegere dwalingen en losbandigheid. Augustinus was open en eerlijk. Openhartig. Hij verdoezelde zijn fouten niet. Maar hij schilderde ook op hartverwarmende wijze zijn moeder, bezong zijn liefde voor God, voer de lezer mee dwars door de bergen en dalen van zijn gemoedstoestanden, nam hem of haar mee naar de top, naar het hoogtepunt, naar zijn extases, maakte zijn publiek deel van zijn zielenroerselen, en deelde ruimhartig zijn passie, zijn liefde, en zijn heftigste en intiemste gevoelens . . . ; van ieder louter objectief denken viel nog geen spoor te bekennen.

Zeker even licht ontvlambaar en passioneel was onze Jean-Jacques Rousseau, zij het dat hij minder door God, maar des temeer door zijn liefde voor vrouwen en inspirerende landschappen in vuur en vlam kwam te staan. Met zijn vurige temperament volgde hij (bewust of onbewust) het voorbeeld van onze Heilige Augustinus. Zo schreef hij 'Les Confessions' (Bekentenissen) waarin hij zich voornam zijn medemensen een man te laten zien zoals hij in de grond van zijn natuur was.


Je veux montrer à mes semblables un homme dans toute la vérité de la nature


Les Confessions

De Biecht/ De Bekentenissen

Jean-Jacques werd in 1712 geboren in het Franstalige Genève (Zwitserland). Zijn moeder had hij nooit gekend. Zij stierf vlak na zijn geboorte. Rousseau's vader was horlogemaker, een typisch Zwitsers beroep. De eerste jaren van zijn leven groeide de kleine Jean-Jacques op in zijn ouderlijk huis, bij pa.

De horlogemaker was een toegewijd vader met een kinderlijk enthousiasme voor mooie boeken. Hij kon zijn zoontje zelfs blijven voorlezen tot de zwaluwen met hun gekwetter de ochtend kwamen aankondigen. De liefde voor literatuur die zijn vader hem gaf, bleef Jean-Jacques altijd bij.

Maar het tij keerde. Van een gerespecteerd burger werd pa een vluchteling. Na een hevige ruzie waarbij hij een officier een bloedneus bezorgde, moest hij halsoverkop uitwijken naar Frankrijk. De kleine Rousseau bleef achter in Zwitserland waar hij samen met zijn neef werd ondergebracht bij een dienaar van de kerk. Daar leerde hij het platteland kennen, waar hij maar geen genoeg van kon krijgen. Hij hield er zelfs zulke mooie herinneringen aan over dat hij altijd naar haar bleef verlangen . . .


La campagne était pour moi si nouvelle, que je ne pouvais me lasser d'en jouir. Je pris pour elle un goût si vif, qu'il n'a jamais pu s'éteindre. Le souvenir des jours heureux que j'y ai passés m'a fait regretter son séjour et ses plaisirs [ . . . ]


De rest van zijn leven bleef Rousseau zich diep verbonden voelen met de bomen, de bossen, de planten, de bergen en de beken . . . Hij had een levendige belangstelling voor botanie.



Als klein ventje ontfermde hij zich al liefdevol over een twijgje dat hij plantte en wilde laten uitgroeien tot een grote wilg. Samen met zijn neefje omringde hij het kleine wilgje met tedere aandacht. Alleen viel het water niet meer aan te slepen en dreigde het boompje in de dop hopeloos te verdrogen en te verdorren. Dat gevaar moest worden afgewend, waarop de twee jonge helden ten strijde trokken tegen de op handen staande waternood.

Even verderop had meneer Lambercier, een (protestantse) kerkdienaar onder wiens vaderlijke vleugels de kleine Rousseau was komen te leven, met een hele plechtigheid een notenboom geplant om zijn terras wat schaduw te geven. De notenboom was het troetelkindje van deze dorpsnotabel. Om te voorkomen dat zijn groene parasol geplaagd zou worden door watertekorten, en om hem makkelijk water te kunnen geven, werd een soort waterbassin aangelegd aan de voet van de boom.

Het troetelkindje van meneer Lambercier was volledig in de watten gelegd, maar dat van Jean-Jacques verkeerde nog in grote onzekerheid. Maar niet getreurd! Jean-Jacques en zijn neefje kwamen op een ingenieus idee: Ze groeven een ondergronds geultje dat ze van de notenboom helemaal naar het bassin aan de voet van hun wilgje lieten lopen.

Niet lang daarna kwam meneer Lambercier zijn parasolletje vertroetelen met een gieter fris water, zo uit zijn bassin. Hij goot en goot . . . en victorie! ; het water stroomde netjes van de notenboom naar het wilgje toe. Jean-Jacques en zijn neefje juichten! Het was gelukt! Maar hun vreugdekreten bleven niet onopgemerkt: Meneer Lambercier keerde zich subiet om . . . om te kijken wat er aan de hand was . . . en moest op slag rood zijn aangelopen. Toen hij zag wat de belhamels hadden uitgespookt, greep hij naar een schop en sloeg hij wild rond zich heen, kukelend als een haan 'un aqueduc!, un aqueduc!, un aqueduc . . . !'



Naast zijn hartstochtelijke liefde voor natuur en platteland ontwaakte er bij de kleine Jean-Jacques in die dagen bij de familie Lambercier een andere passie. Het was mademoiselle Lambercier, de dertigjarige dochter van onze kerkdienaar, die Rousseau's innige en vurige liefde voor vrouwen en voor het vrouwelijk in hem aanstak, en dat nota bene nog wel tijdens een pak op zijn broek. Een bestraffing die uitdraaide op een brandende liefde die nooit meer zou doven, en die Rousseau's passies, voorkeuren en verlangens zou tekenen.


Qui croirait que ce châtiment d'enfant, reçu à huit ans par la main d'une fille de trente, a décidé de mes goûts, de mes désirs, de mes passions, de moi pour le reste de ma vie, et cela précisément dans le sens contraire à ce qui devait s'ensuivre naturellement?


Zette mademoiselle Lambercier de kleine Jean-Jacques in brand? Betoverde zij Rousseau's zintuigen? Incarneerde zij voor hem dé vrouw, hét vrouwelijk? Werd zij waar Rousseau naar VERLANGDE? Waar hij naar zocht? En dát wat hij zocht in andere, mooie vrouwen? Zodat zij veranderden in even zovele mademoiselles Lamberciers? Rousseau schrijft er in ieder geval het volgende over:


En même temps que mes sens furent allumés, mes désirs prirent si bien le change, que, bornés à ce que j'avais éprouvé, ils ne s'avisèrent point de chercher autre chose. /. . . / je dévorais d'un oeil ardent les belles personnes ; mon imagination me les rappelait sans cesse, uniquement pour les mettre en oeuvre à ma mode, et en faire autant de demoiselles Lambercier.


Toch werd deze jongedame in Rousseau's passie voor het vrouwelijk volledig overschaduwd door Madame de Warens die eerder een soort godin dan een seksidool voor hem was. Madame de Warens was een bijzonder zachtaardige, moederlijke vrouw die zich als weduwe tot het katholicisme had bekeerd. Met financiële steun van de koning van Sardinië runde zij een pension waarin van vele verdoolde schapen brave katholieken moesten worden gemaakt, of waarin vele verdorven zielen hun geloof kwamen verkwanselen voor kost en inwoon (het is maar hoe je het bekijkt)- in Genève en contreien was immers een groot deel van de bevolking van huis uit calvinistisch-.

En zo kwam daar ook op een goede dag de jonge Jean-Jacques aanwaaien, op drift geraakt door zijn eigen, eígenzinnige karakter. Rousseau was een vrijbuiter die zijn hart volgde en daardoor zijn leven lang telkens weer van de gebaande paadjes afdwaalde. Hij liet zich leiden door zijn vlammen en zijn liefdes, door zijn zigeunerinborst en door de roep van bergen, beken en bossen. Hij hield van wat echt was, eigenlijk, wezenlijk en puur; hij hield van de campagne en de vrouwelijke natuur. Roem, rijkdom, carrières en overbodige luxe, hij liet het er allemaal graag voor gaan . . .

Zo gebeurde het dat de zestienjarige Jean-Jacques wegliep bij zijn leermeester, bij wie hij zich het vak van graveur probeerde eigen te maken. Hij hield van het vak, maar kon niet tegen het slaafse bestaan. Hij zwierf liever vrij rond over de omliggende campagne. Na de nodige omzwervingen waarbij hij zich goed liet onthalen op de gulle gastvrijheid van de boeren- wat een contrast met de stad! -, kwam hij bij een dorpspastoor terecht die hem uitnodigde om naar Madame de Warens te gaan.

Bij haar baadde Jean-Jacques zowat in de meest pure vrouwelijkheid. Maar hij leerde ook andere vrouwen kennen, en ook andere kanten van het liefdesleven. Voor Rousseau draaide het leven om de liefde, natuur en platteland. Rousseau's gemoedstoestanden, kleurrijke karakter en temperament tekenden zijn 'Confessions'. Dit meesterwerk was doortrokken van zijn hang naar vrijheid, het echte, het pure en het eigenlijke.

Jean-Jacques Rousseau

Essai sur l'origine des langues

Essay over het ontstaan der talen

Rousseau was een man van het grote gevoel, een schrijver, een artiest. Hij gaf zijn zintuigen de kost, 'dronk' mooie landschappen, vrouwen, de natuur . . . , liet zich inspireren, bewonderde, schreef en componeerde. Of hij daar nu roem en rijkdom mee verwierf of niet. Het was sterker dan hemzelf. Van zijn hand verschenen meerdere opera's.

Rousseau was uitgesproken muzikaal. Geen wonder dat hij als schrijver, filosoof en componist zijn gedachten liet gaan over taal en liet uitstromen in zijn 'Essai sur l'Origine des Langues'. Rousseau koppelde het ontstaan en de verdere ontwikkeling der talen aan de leefomgeving (noordelijke versus zuidelijke klimaten) en de manier van leven en samenleven van de mens. Hierin onderscheidde hij vier fasen en tijdperken:

*De taal en het tijdperk der wilden

De oorsprong van onze talen ligt in een ver verleden waarin we nog zo'n beetje als dieren leefden. We waren wilden, jagers-verzamelaars die nog in klein-stam-verband leefden (met in de kern man, vrouw en kinderen). Onze samenleving was simpel en overzichtelijk. Ingewikkelde communicatie was nog totaal niet nodig. Als we wat van een ander nodig hadden, konden we prima uit de voeten met onze gebarentaal. Objecten die we aanwezen zeiden vaak meer dan woorden. Onze gebaren spraken voor zich.
Dans les premiers temps, les hommes épars sur la face de la terre n'avaient de société que celle de la famille, des lois que celles de la nature, de langue que le geste et quelques sons inarticulés.


Toch sloegen we al klanken en kreten uit. Maar die waren níet bedoeld om onze behoeften kenbaar te maken. Zij kwamen veeleer voort uit onze emoties, zoals angst. In die tijden voelden we ons vaak bedreigd. Wilde dieren waren gevaarlijk, en vreemde mensen, als we die tegenkwamen, ook. Al die diepgewortelde, tomeloze angst, al die diepe emotie, al die energie ontlaadde zich dan in een angstkreet. Zo kwam het noch uit honger, noch uit dorst, maar uit woede, medelijden, liefde en haat voort dat onze mensenstemmen voor het eerst klonken.


Ce n'est ni la faim, ni la soif, mais l'amour, la haine, la pitié, la colère, qui leur ont arraché les premières voix.


Deze klanken ontsprongen niet uit onze behoeften, maar uit onze heftige emoties:


Que la première invention de la parole ne vient pas des besoins, mais des passions.


Deze emoties waren nog echt, eerlijk en oprecht. De harten van deze wilden waren nog onverdorven en puur. (Het waren zogenaamde 'bons sauvages', 'goede wilden') En de klanken die ze uitstootten weerspiegelden nog op getrouwe wijze hun gevoelens en gemoedstoestanden. HET GEVOEL WAS ER EERDER DAN DE REDE:


On ne commença pas par raisonner, mais par sentir.


*De taal en het tijdperk der herdersvolkeren

Van jagers-verzamelaars werden wij herders, nomaden die met hun dieren, geiten, schapen of kamelen, rondtrokken. We waren nog vrij, niet aan de grond gebonden. We hadden nog geen bezit genomen van de aarde, leefden in tenten en nog altijd in klein stamverband. Onze samenleving was derhalve simpel en overzichtelijk.


Toch was er, zeker in onze zuidelijke streken, een duidelijk verschil met de jagers-verzamelaars: Zagen deze laatsten, geregeerd door hun angst, in vreemden vooral een vijand, bij de herders daarentegen ontstond een sociaal leven.



Des trois manières de vivre possibles à l'homme, savoir la chasse, le soin des troupeaux, et l'agriculture, la première exerce le corps à la force, à l'adresse, à la course ; l'âme au courage, à la ruse : elle endurcit l'homme et le rend féroce. / . . . / L'art pastoral, père du repos et des passions oiseuses, est celui qui suffit le plus à lui-même.


Waar de wilden nog druk bezig waren zich te harden voor de jacht- sterker moesten hun lichamen worden, sneller, en moediger en listiger hun zielen-, konden de herders zich in alle rust overgeven aan hun gevoelsleven. Aan hun hartstochten. Hun leven was fijnzinniger. Kunstzinniger. Zij schaarden zich rond kampvuren om vlees te grillen. En daar dansten zij, keken zij naar het vlammenspel . . . Daar warmden zij zich aan het vuur en verwarmden zij hun zielen aan elkaar. Aan elkaars gezelschap.


A l'usage du feu, nécessaire pour cuire [ les viandes], se joint le plaisir qu'il donne à la vue, et sa chaleur agréable au corps : l'aspect de la flamme, qui fait fuir les animaux, attire l'homme . On se rassemble autour d'un foyer commun, on y fait des festins, on y danse : les doux liens de l'habitude y rapprochent insensiblement l'homme de ses semblables, et sur ce foyer rustique brûle le feu sacré qui porte au fond des coeurs le premier sentiment de l'humanité.


De gemeenschapszin was geboren, het warme gevoel een mens onder de mensen te zijn. Bij de bronnen, waterputten of 'fonteinen' waar de meisjes water kwamen halen en de jonge herders hun dieren lieten drinken werd de romantische liefde geboren. Mannen en vrouwen joegen er het vuur van een rijk gevoelsleven bij elkaar aan. Verlangens, liefde, verliefdheid en plezier hingen er in de lucht . . .


Là se formèrent les premiers liens des familles, là furent les premiers rendez-vous des deux sexes. Les jeunes filles venaient chercher de l'eau pour le ménage, les jeunes hommes venaient abreuver leurs troupeaux:


Onder de oude eikenbomen vierden de jongeren het leven en de liefde. Ongehinderd door klokken, tijd en tijdsbesef.



Dans cet âge heureux où rien ne marquaient les heures, rien n'obligeait à les compter : le temps n'avait d'autre mesure que l'amusement et l'ennui. Sous de vieux chênes, vainqueurs des ans, une ardente jeunesse oubliait par degrés sa férocité : / . . . / Là se firent les premières fêtes : les pieds bondissaient de joie, le geste empressé ne suffisait plus, la voix l'accompagnait d'accens passionés ; le plaisir et le désir, confondus ensemble, se faisaient sentir à la fois : là fut enfin le vrai berceau des peuples ; et du pur cristal des fontaines sortirent les premiers feux de l'amour.


Gebaren waren niet langer voldoende. Ze moesten begeleid worden door liefdesmuziek. Hartstochtelijke muziek die doorklonk in hun stemmen. In hun taal. Natuurlijk werd er door de wilden de liefde bedreven. Natuurlijk trouwden ze. En natuurlijk waren er huwelijken, maar er was geen liefde. Ze volgden hun instinct en trouwden onder elkaar.

Hoe anders was dat bij de herders! Hun innige en intense gevoelens stroomden uit in hun taal. Ze modelleerden haar als een rivier het aanliggende land. Weinigen zullen moeite hebben om het silhouet van een mooi, Midden-Oosters meisje voor zich te zien dat in een woestijn kamelen te drinken geeft (Rebekka). Het is het beeld dat de knecht van Abraham, die op zoek was naar een vrouw voor diens zoon (Isaak), diep moet hebben ontroerd. Het is een Bijbels beeld. Maar los daarvan voor velen ook wellicht een soort oerbeeld. Een beeld dat we hebben doorgekregen uit ons verre herdersverleden. Geen wonder dat Rousseau verwijst naar Genesis met zijn rondtrekkende herders, met zijn aartsvaders en met deze archetypische Rebekka.

Toch waren de samenlevingen in het tijdperk der herders nog altijd klein en heel natuurlijk. De mensen leefden nog dicht bij de natuur en verstrikten elkaar nog niet in van allerlei complexiteit. Het waren niet zo zeer hun behoeften die hen bij elkaar brachten als wel hun gevoel. Onze eerste talen kwamen voort uit ons hart. Ze waren de vruchten van plezier, en niet die van 'serieuze zaken', van werk, van zakelijkheid, van nuchterheid, van economie . . .


Les premières langues, filles du plaisir et non du besoin, portèrent longtemps l'enseigne de leur père ; leur accent séducteur ne s'effaça qu'avec les sentimens qui les avaient fait naître, lorsque de nouveaux besoins, introduits parmi les hommes, forcèrent chacun de ne songer qu'à lui-même et de retirer son coeur au-dedans de lui.


De schoonheid, de muzikaliteit van de taal ging pas verloren toen de mensen elkaar gingen belasten met nieuwe, complexere behoeften. De taal was muzikaal, maar ook beeldend, poëtisch. Poëzie was er eerder dan proza . . .

Je zou misschien verwachten dat talen beginnen met het aanduiden van materiële voorwerpen en levende individuen. Dat de betekenis van de woorden er altijd heel letterlijk was, concreet, en niet figuurlijk. Eéé;n op één. Echter, woorden ontspringen uit indrukken die opspuiten uit ons hart. (Net als muziek 'niet van het oor naar het hart gaat, maar van het hart naar het oor.') Beelden komen daarbij vaak niet (direct) voort uit de wereld om ons heen, maar uit onze gevoelswereld. Vanuit ons gevoel vergroten we, verkleinen we en kleuren we in. We vergroven, verfijnen en associëren (!) erop los.

Rousseau geeft het voorbeeld van een vijand. Uit angst stellen we onze tegenstander al gauw groter voor dan hij daadwerkelijk is. We noemen hem een reus, maar hij is maar een mens. Iets wat heel herkenbaar is want noemen wij, bijvoorbeeld, een grote, zware kerel geen 'beer'? Volgens de analyse van Rousseau moeten de eerste talen dus dichterlijk zijn geweest; beeldend en muzikaal.

*Taal en tijdperk der landbouwers

De landbouw ontstond. We gingen ons vestigen, namen de aarde in bezit. Dorpen verschenen, steden, en steeds meer mensen bevolkten onze wereld. Met dat alles scheepten we elkaar op met bezit, behoeften, belangen en bemoeienis. We raakten op elkaar aangewezen, maar stonden elkaar ook steeds verder in de weg. We verloren onze vrijheid en onze autonomie. We werden schakeltjes van steeds complexere samenlevingen en systemen. Het was gedaan met onze pastorale kunst en rust. In steeds hogere mate althans.

Dat alles drukte onherroepelijk zijn stempel op onze taal. Onze taal versoberde, verloor haar poëtische natuur, werd prozaïsch, kaler, killer. Steeds minder weerspiegelde zij ons gevoel, en steeds meer werd zij de kruiwagen of slavin van onze economische, juridische en administratieve zaken. Rousseau verzucht hier (vrij vertaald) het volgende over: Stel je eens een eeuwigdurende lente voor op onze wereld. Stel je eens voor dat er overal water is, vee en grazige weiden. Stel je daar eens ons mensen voor die nog maar net uit de moederschoot der natuur waren ontsprongen. Waarom zouden zij dan, in vredesnaam, hun natuurlijke vrijheid opgeven? Waarom zouden zij hun pastorale en autonome leven achter zich laten? Waarom zouden zij toch het bestaan dat zo goed paste bij hun ingeboren indolentie zomaar vaarwel zeggen? En dat alles enkel en alleen om zich (en om elkaar) nodeloos te belasten met slavenarbeid en al die andere ellende die onlosmakelijk met je burgerschap verbonden is?


Supposez un printemps perpétuel sur la terre ; supposez partout de l'eau, du bétail, des pâturages ; supposez les hommes, sortant des mains de la nature, une fois dispersés parmi tout cela : je n'imagine pas comment ils auraient jamais renoncé à leur liberté primitive et quitté la vie isolée et pastorale, si convenable à leur indolence naturelle, pour s'imposer sans nécessité l'esclavage, les travaux, les misères inséparables de l'état social.


Roussseau's romantiek

In de Verlichting draaide het om de rede, het verstand en de vooruitgang, bij Rousseau om het gevoel, het pure, het echte, het eerlijke en het eigenlijke. I.p.v. naar de vooruitgang, verlangde hij terug naar het oorspronkelijke leven, dichtbij de natuur. De pastorale liefde, rust en romantiek uit L'Astrée van Honoré d'Urfé sprak bij hem tot de verbeelding. Het kale verstand ruilde hij maar wat graag in voor romantiek. En ook de vervreemding keerde hij faliekant de rug toe om op weg te gaan naar ideale liefde en uit te kijken op idyllische landschappen.

Ware kennis

Hoe anders was dat niet voor de meeste verlichte geesten? Voor Kant was alleen het kale verstand wetenschappelijk relevant. En enkel die kennis kon in zijn optiek als waar worden gekenmerkt die voortsproot uit de zuivere rede.

Maar wat is dat nu, ware kennis? Rousseau keek daar heel anders tegenaan. In Emile ou de l'Education koppelde hij KENNIS aan LEVEN en ÓVERLEVEN. IN ONS SPRAK DE STEM VAN DE NATUUR. Dankzij haar ontvluchtten wij het GEVAAR of voelden wij juist die onweerstaanbare aantrekkingskracht van wat GOED en van wat heilzaam voor ons was. Aan haar dankten wij ons bestaan en ons vóórtbestaan. Van onszelf en van onze soort. Kort en goed betekende dit dat wij de natuur door en door moesten kennen. Zo goed zelfs dat wij in harmonie met haar konden leven.

Hiermee werd ons gevoel met haar intuïtie en haar instinct weer in ere hersteld. In ons gevoel sprak of spiegelde zich de natuur. Zij lag ín ons en buíten ons. En was dat niet- om maar eens een vergelijk te maken- net als bij vissen? Leefde de vis niet alleen in het water? Maar het water niet óók in de vis? Gaf het haar geen vrijheid? Geen ruimte? Geen leven? Geen huis? Was het niet haar wereld? Haar belevingswereld? Haar thuis?


Insgelijks leefde de mens niet alleen in de natuur, maar óók de natuur in de mens. Allicht dat wij haar van nature kenden.


Weten was in de ogen van Rousseau veel meer wijsheid dan louter kennen op een puur verstandelijk niveau.


Het was weten vanuit je gevoel, vanuit je intuïtie (instinct),


zoals we dat overigens ook bij dieren aantreffen. Een chimpansee, bijvoorbeeld, weet precies wanneer hij welke bladeren of vruchten moet eten, en zo kent hij er honderden soorten van. Of bonobo vrouwtjes weten precies hoe ze de gewelddadige neigingen van de mannetjes moeten indijken, trekvogels weten exact wanneer ze waar naartoe moeten gaan, en zelfs de meest zeldzame, solitair levende dieren weten hun soortgenoten te herkennen en te vinden, en dat terwijl ze zichzelf nog nooit hebben gezien . . . Dieren weten vanuit hun natuur, maar niet vanuit hun verstand, of vanuit zoiets als de rede.


Er bestaat dan ook een natuurlijk weten dat verre van vaag is. Dieren hebben er immers hun overlevingskansen en het voortbestaan van hun soort aan te danken!


Op dezelfde manier wist Rousseau, voelde hij intens, dat de mens thuishoorde in de natuur. Dat hij er deel vanuit maakte.


DE MENS LEEFT NIET ALLEEN (VAN ORIGINE & VAN NATURE) IN DE NATUUR, MAAR DE NATUUR OOK IN DE MENS!


Vrijheid, gelijkheid, broederschap

Liberté , égalité , fraternité


ALS NU DE NATUUR IN ONS ALLEN LEEFT,

*dan is het DÁT WAT WIJ MET ELKAAR GEMEEN HEBBEN, dát wat wij met elkaar DELEN en dát wat GELIJKEN van ons maakt.

*En die GELIJKHEID is op zijn beurt weer dát wat ons BROEDERS van elkaar maakt

*en DÁT WAT ONS BEVRIJDT VAN ONDERDRUKKING, UITBUITING EN SLAVERNIJ




HET IN ONZE NATUUR WORTELENDE IDEAAL VAN VRIJHEID, GELIJKHEID &: BROEDERSCHAP sprak stil, maar indringend uit de werken van Rousseau. Maar later, in de Franse Revolutie werd het een leuze die luidruchtig werd gescandeerd.

VANUIT DE NATUUR IN ONS konden wij ons VERBONDEN voelen met onze medemens. Zij liet ons voelen wat liefde was, wat leven was, wat goed was en wat kwaad. Zij gaf ons een natuurlijk gevoel voor rechtvaardigheid en maakte van ons sociaal voelende wezens. Mensen die van nature wisten dat het leven geven en nemen was.

De dichterlijke natuur

In 'l'Essai sur l'Origine des Langues' schilderde Rousseau de mens in zijn bloei af als een herder of herderin die deed denken aan de feeërieke wereld van d'Urfé.


De natuur was een kunstwerk, en de mens van nature een gevoelskunstenaar



Van nature en in aanleg want onze KUNSTZINNIGHEID was een gave die verder ontwikkeld/ GEWEKT diende te worden. Dat als een zaadje moest uitgroeien tot een bloeiende boom.


Was bij de wilden onze dichterlijke natuur bij lange na nog niet tot wasdom gekomen, bij onze oude herdersvolkeren daarentegen woekerde deze weelderig.

Wil je Rousseau begrijpen, dan moet je beleven wat hij schrijft. Als geen ander had hij gevoel voor DE AANTREKKINGSKRACHTEN IN EN DE AANTREKKELIJKHEDEN VAN DE NATUUR. En als geen ander begreep hij DAT DE NATUUR ZONDER DEZE NIET ZOU KUNNEN FUNCTIONEREN, en dat deze bovendien onontbeerlijk zijn voor onze levensenergie, voor ons gevoelsleven, voor onze kunstzinnigheid en voor ONS EIGENLIJKE, OORSPRONKELIJKE GELUK.

Aantrekkelijkheid was een gevoelskwestie, het streven ernaar de moeder van dichterlijke schoonheid. WAT MAAKTE DAT DE NATUUR EEN POËTISCHE WERELD WEKTE/ VOORTBRACHT OF CREËERDE. EEN KUNSTZINNIGE WERKELIJKHEID DIE . . . WÉRKELIJK WAS. Die daadwerkelijk deel uitmaakte van de natuur en die daadwerkelijk voortkwam uit haar moederschoot. En die daarmee misschien zelfs nog wel werkelijker was dan de vruchten van ons gebrekkige verstandelijke vermogen . . .

WIJ MENSEN HOORDEN daarmee VAN NATURE THUIS IN EEN DICHTERLIJKE WERKELIJKHEID. Een wereld waarin, net als in een goed gedicht, inhoud vorm werd, en vorm inhoud. Waarin de een de ander opriep en waarin ze volledig met elkaar verweven waren of raakten. Waarin betekenis teken werd en teken betekenis. Waarin gevoel materie werd en materie gevoel. Waarin voelen weten werd en weten voelen. Waarin de ziel de zintuigen voedde, en de zintuigen de ziel. En waarin binnen buiten werd, en buiten binnen . . .

Weten was, vanuit dit licht, veel meer dan verstandelijk kennen alleen. Weten was beleven. Het beleven van al die aantrekking en van al die aantrekkelijkheid waar wij mensen voor geboren waren.


Rousseau stond overigens zeer kritisch tegenover de verlichte wetenschap, voor welke, zo merkte hij fijntjes op, alleen dát werkelijk of waar kon zijn wat netjes binnen de reikwijdte van de wetenschap viel. M.a.w. of iets werkelijk of waar kon zijn hing af van de huidige stand van de wetenschap. Alsof de werkelijkheid afhankelijk was van de wetenschap, en niet andersom, de wetenschap van de werkelijkheid. En alsof alles dat buiten de reikwijdte van onze (nog) onvolledige en onvolmaakte wetenschap viel, dan ook automatisch naar fabeltjesland moest worden verwezen. Een houding die de 'Entzauberung der Welt' inluidde.


Terug naar ons mens-zijn

In de ogen van Rousseau hoorde de mens te leven in de natuur, en de natuur in de mens. Zij was die stem waar wij naar, of WEER naar moesten leren luisteren, en die ons kon helpen te overleven, of dat nu was in de koude ijspartijen van het hoge noorden, op de brandende rotsen van Malta, of God mocht weten waar . . . We moesten weer leren om te gaan met de grillen, 'grollen' en gevaren van de natuur.


On doit apprendre [aux enfants] à se conserver étant homme, à supporter les coups du sort, à braver l'opulence et la misère, à vivre, s'il le faut, dans les glaces d'Islande ou sur le brûlant rocher de Malte. (Émile ou de l'Éducation)


Met de natuur buíten ons en met DE NATUUR ÍN ONS, DIE DE MOEDER WAS VAN ALLE VRIJHEID, GELIJKHEID & BROEDERSCHAP. DIE ONS LIET ZIJN WIE WIJ WAREN, IN HET DIEPST VAN ONS WEZEN EN IN DE GROND VAN ONZE NATUUR. EN DIE VAN ONS MENSEN ÉCHTE MENSEN MAAKTE. Echte, eigenlijke, oorspronkelijke mensen. Met eigen, eigenlijke en natuurlijke, menselijke waarde.


Dans l'ordre naturel, les hommes étant tous égaux, leur vocation commune est l'état d'homme


Rousseau had duidelijk meer op met ons wezenlijke mens-zijn dan met maatschappelijke schijn. Verwacht niet, zo liet onze filosoof in zijn 'Emile ou de l'Éducation' weten, dat ik van Emile (en dus ook van de lezer) een rechter zal maken, een priester of een advocaat, nee, wat ik van hem zal maken, zal eerst en vooral een mens zijn.


En sortant de mes mains il ne sera j'en conviens, ni magistrat, ni soldat, ni prêtre ; il sera premièrement homme


Waar zou trouwens ons recht zijn, wanneer wij van nature geen GEVOEL VOOR RECHTVAARDIGHEID hadden?! En wanneer dat gevoel niet huisde in ons hart en niet wortelde in onze menselijkheid? Wanneer het niet ingeboren was? (We herinneren ons in deze vast de Bergrede van Jezus of de Confessiones van Sint Augustinus nog wel.)


. . . que le sentiment du juste & de l'injuste fût inné dans le coeur de l'homme (Émile ou de l'Éducation)


In de ogen van Rousseau was de natuur in ons van essentiële waarde. Want zij was de brug naar de eigenlijke, oorspronkelijke wereld om ons heen. Zij was de bron van alle vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zij was de moeder van alle verbondenheid en rechtvaardigheid. En bovenal lag in haar de werking oftewel het creatieve, scheppende principe van aantrekkingskrachten en aantrekkelijkheden. Buiten ons baarde de natuur overweldigende schoonheid en in ons gaf zij ons gevoel voor kunst, dichterlijkheid en muziek. Zij maakte van de mensen in aanleg gevoelskunstenaars die diep konden genieten van de wereld, de liefde en elkaar. Zij was de moeder van vrede, geluk en geestelijke overvloed. Zij bracht de romantiek ter wereld. Zij joeg de raderen aan van creativiteit en een rijk gevoelsleven. En zij maakte van ons mensen wie wij eigenlijk waren, in de grond van onze natuur. Dus wat bleef er in dit licht eigenlijk nog over van onze maatschappelijke maaksels, maskers en verzinsels? Van het idee dat de mens een baan, een carrière of een trede was op of van een hiërarchische ladder? Dat de mens niet meer was dan een schakeltje in een kunstmatig systeem?

Nee, wij waren geboren om te voelen, te proeven en te ruiken, en om de wereld in ons op te nemen. Want dat was leven, werkelijk leven, voelen dat je leefde.


/ . . . / Vivre, ce n'est pas respirer, c'est agir ; c'est faire usage de nos organes, de nos sens, de nos facultés, de toutes les parties de nous-mêmes, qui nous donnent le sentiment de notre existence

L'homme qui a le plus vécu n'est pas celui qui a compté le plus d'années, mais celui qui a le plus senti la vie. (Émile ou de l'éducation)



Ons mens-zijn draait om de moederlijke natuur

Ons eigenlijke mens-zijn was waar het bij Rousseau om draaide, evenals ons leven om 'moeders-de-vrouw'. Letterlijk en figuurlijk:

Letterlijk:
Want zou zonder moeders-de-vrouw de natuur in onze harten niet uitdoven? Zou het in onze huizen niet minder gezellig worden? Minder geanimeerd? Minder sfeervol? Minder bezield? Zouden wij ons gevoel van thuis-zijn dan niet kwijtraken? En zouden de banden die ons met elkaar verbinden dan niet verbroken worden? Zouden er eigenlijk dan nog wel kinderen zijn, vaders, moeders, broers en zussen? Zouden we elkaar dan überhaupt nog wel kennen? En hoe zouden wij dan in hemelsnaam nog van elkaar houden? Zou iedereen dan niet alleen nog maar aan zichzelf denken en zouden wij ons vertier dan niet buiten de deur zoeken wanneer er zo van ons thuis niets anders overbleef dan trieste eenzaamheid?


Voulez-vous rendre chacun à ses premiers devoirs ? Commencez par les mères / sans elles / le naturel s'éteint dans tous les coeurs ; l'intérieur des maisons prend un air moins vivant ; le spectacle touchant d'une famille naissante n'attache plus les maris, n'impose plus d'égards aux étrangers ; on respecte moins la mère dont on ne voit pas les enfants ; il n'y a point de résidence dans les familles ; l'habitude ne renforce plus les liens du sang ; il n'y a plus ni pères, ni mères, ni enfants, ni frères, ni soeurs ; tous ne se connaissent à peine ; comment s'aimeroient-ils ? Chacun ne songe plus qu'à soi. Quand la maison n'est qu'une triste solitude, il faut bien aller s'égayer ailleurs (Emile ou de l'éducation)


Was het moeder-zijn alleen een fysieke kwestie? Een louter lichamelijke aangelegenheid? Verre van! Want had een klein kind haar moederlijke zorgen minder nodig dan haar melk? En kon moeder melk niet zomaar vervangen worden? Door die van andere vrouwen? Of zelfs door die van dieren? Terwijl haar moederlijke aandacht en bezielende aanwezigheid totaal onvervangbaar waren?


Mais la question doit-elle s'envisager seulement par le côté physique ? Et l'enfant a-t-il moins besoin des soins d'une mère que de sa mamelle ? D'autres femmes, des bêtes même, pourront lui donner le lait qu'elle lui refuse : la sollicitude maternelle ne se supplée point.


Wat een wereld van verschil wanneer moeders hun kinderen (weer) zouden voeden! Lichamelijk én geestelijk. Fysiek én mentaal. Want zou het niet automatisch onze manier van leven veranderen en ons onze oorspronkelijke, morele gevoelens teruggeven? Zou de natuur niet in alle harten ontwaken? Zouden kinderen niet langer hinderen zijn, maar een bron van plezier? Zou de zorg die zij nodig hadden niet roepen om hun vaders en hun moeders? En zouden die elkaar daarom niet liefhebben? Zou het niet hun huwelijksband verstevigen? En wanneer het gezinsleven zo zou bruisen en zo gezellig zou zijn, zouden man en vrouw dan niet volop genieten van hun huishouden? Ja, als dat eens zo mocht zijn, hoe anders zou de wereld dan niet zijn! Zou de natuur dan niet weldra haar rijk weer hebben herwonnen? Ja, als de vrouwen weer eens moeders mochten worden, zouden de mannen dan niet weer échte vaders worden en échte echtgenoten? En waren het uiteindelijk dus niet de vrouwen die het verschil konden maken?


Mais que les mères daignent nourrir leurs enfants, les moeurs vont se reformer d'elles-mêmes., les sentiments de moeurs vont se reformer la nature se réveiller dans tous les coeurs / . . . / Le tracas des enfants, qu'on croit importun, devient agréable ; il rend le père et la mère plus nécessaires, plus chers l'un à l'autre ; il resserre entre eux le lien conjugal. Quand la famille est vivante et animée, les soins domestiques font la plus chère occupation de la femme & le plus doux amusement du mari. Ainsi de ce seul abus corrigé résulteroit bientôt une réforme générale, bientôt la nature auroit reprit tous ses droits. Qu'une fois les femmes redeviennent mères, bientôt les hommes redeviendront pères & maris.


Figuurlijk:
Dat was wanneer wij het over moeders hebben in de letterlijke zin van het woord. Figuurlijk nu. Hoewel Madame de Warens voor Rousseau veel weg had van een moeder, was zij in zijn ogen veel meer dan moeder alleen van een mensenkind. Veel meer ook dan een pleegmoeder. Zelfs dan een die zich met hart en ziel over haar pleegkind of -kinderen ontfermde, en die in die zin misschien zelfs wel een betere moeder was dan menig andere. Zij was namelijk de moeder van een heel pension, om maar niet te zeggen van een heel bedrijf waaraan zij leiding gaf vanuit haar vrouwelijke natuur. Dat werkte goed. Zolang zij dat maar deed vanuit haar vrouwelijke gevoel, vanuit haar vrouwelijke intuïtie en vanuit haar vrouwelijk hart- zoveel was wel zeker en zoveel liet Rousseau wel doorschemeren-. Maar ze hoefde haar hart maar te verraden en de rede te omarmen, en het ging mis. Zij was niet geboren voor rechtlijnige filosofieën en verwrongen doctrines. Zo waren al haar fouten te wijten aan haar vergissingen, maar nooit aan haar hartstochten. Haar hart was zuiver en rein, haar smaak verfijnd, en mooie, elegante manieren pasten volledig bij haar. Van nature neigde zij daarbij naar het goede en het rechtvaardige. Tot zover was er geen vlekje aan de horizon. Maar wanneer zij naar haar verstand luisterde i.p.v. naar haar hart, werd ze op het verkeerde been gezet. Haar principes stuurden haar de mist in en met gefilosofeer en gemoraliseer bedierf zij haar eigen, eerlijke moraal. De moraal die haar natuur bij haar influisterde en die haar hart haar ingaf . . .


/ . . . / toutes ses fautes lui vinrent de ses erreurs, jamais de ses passions. Elle était bien née, son coeur était pur / . . . /, ses penchants étaient droits et vertueux, son goût était délicat ; elle était faite pour une élégance de moeurs qu'elle a toujours aimée / . . . / au lieu d'écouter son coeur, qui la menait bien, elle écouta sa raison, qui la menait mal. Quand des principes faux l'ont égarée, ses vrais sentiments les ont toujours démentis : mais malheureusement elle se piquait de philosophie, et la morale qu'elle s'était faite gâta celle que son coeur lui dictait.


De moeder die Rousseau in Madame de Warens zo bewonderde was geen moeder vanuit een (opgedrongen) maatschappelijke rol, maar een moeder vanuit haar vrouwelijke natuur. Daarbij was haar intuïtieve doen en laten heel wat anders dan zomaar wat nat vingerwerk. In vrouwelijkheid, in natuurlijkheid, en in eigen en oorspronkelijk gevoel begroette onze Frans-Zwitserse filosoof duidelijk het geheim van ideaal leiderschap. Vrouwelijkheid en moederlijkheid stonden voor hem in het middelpunt. Dat was waar het leven om draaide. En dat was idealiter waar ook onze bedrijven en onze bedrijvigheid om moesten draaien. Geen wonder dat een paar eeuwen later een groot bewonderaar van Jean-Jacques Rousseau, de Frans-Algerijnse filosoof Jacques Derrida, zich fel keerde tegen wat hij het westerse 'fallocentrisme' noemde.

Terug naar Lascaux en het Oude Europa

Rousseaus gedachtelijnen- of zijn het gevoelslijnen?- ontmoeten hier de lange lijnen die vanuit Lascaux via het Oude Europa verder lopen tot aan onze tijd. Of er sprake is van directe beïnvloeding of dat dezelfde indrukken, inzichten en/ of ideeën onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn doet hier niet ter zake. Waar het om gaat is DAT HET VROUWELIJK EEN NATUURKRACHT IS DIE NIET ALLEEN WERKZAAM IS IN INDIVIDUEN (vrouwen/ meisjes), MAAR IN DE HÉLE NATUUR. Wat maakt dat we in één persoon, in één individu (een meisje/ een vrouw) universele krachten en energieën (vanuit dezelfde bron/ hetzelfde generatieve principe) kunnen vinden. Iets wat Rousseau in alle hevigheid bij zijn vlam overkwam, en waardoor deze Madame de Warens welhaast universele dimensies aannam . . .

Ons wezenlijke zijn

Moederlijkheid stond in het middelpunt van ons mens-zijn. En in ons mens-zijn lag het geheim van ons wezenlijke en werkelijke zijn:

*Het maakte wie je was in de grond van je wezen, en in je oorspronkelijke, eigen manier van voelen, denken en zijn. Daarmee was je als het ware een kunstwerk van de natuur waar anderen van konden genieten. Je mens-zijn kon zeker tot zijn recht komen in een bepaalde baan. Alleen kon het er nooit toe GEREDUCEERD worden. Want was een mens niet veel meer dan een boekhouder of een inspecteur van de belasting?!

*De mens was in aanleg een gevoelskunstenaar. Vanuit die hoedanigheid kon hij intens genieten van, en zich verbonden voelen met de wereld om zich heen.

*In ons mens-zijn lag natuurlijke kennis/ wijsheid die ons hielp om in harmonie met de natuur te leven en erin te overleven.

*In ons mens-zijn wortelde ons diepste gevoel voor rechtvaardigheid. Het was een moreel kompas.

*In ons mens-zijn lag intuïtieve kracht die gevoed werd vanuit UNIVERSELE krachten (natuurkrachten) die in ons werkzaam waren.

*De universele krachten (natuurkrachten) die in ons werkzaam waren verbonden ons met de wereld en met elkaar.

Het ideaal van Rousseau bleef ons eigen en oorspronkelijke mens-zijn. Een toestand waarin we lieten zien wie we werkelijk waren en wat we werkelijk betekenden, los van loopbanen, planningen en andere maatschappelijke bedenksels. Dit mens-zijn schilderde hij in geuren en kleuren in zijn befaamde 'Confessions', compleet met alle vermogens (zoals zintuiglijke waarneming, geheugen, gevoel, verlang- en voorstellingsvermogen) die daarbij hoorden.


Dans l'ordre naturel, les hommes étant tous égaux, leur vocation commune est l'état d'homme


Uit de pagina's van zijn meesterwerk rijst het beeld op van een mens in de grond van zijn natuur. We zien er welke rol onze vermogens spelen bij de oorspronkelijke mens, maar ook hoe deze, paradoxaal genoeg, de mens kunnen vervreemden van zichzelf, de ander en de hele wereld om zich heen.

Beeld van ons wezenlijke mens-zijn
Zoals dat valt te (re)construeren op basis van Rousseau & de Hoofse literatuur
De natuur in ons De 'stem' van de natuur
(onderwijzen/ waarschuwen/ gidsen)
Kennis van de natuur
Levens- en overlevingsmogelijkheden
(individu en soort)
(leren leven in harmonie met de natuur)
Mythologische werkelijkheid
Associaties/ symbolen/ archetypen
'Web'/ generatieve/ creatieve krachten


Zintuiglijke waarneming, kennis, weten en gevoel

De Verlichting stond voor het verstand, de rede en de vooruitgang, Rousseau voor het hart, het gevoel, het oorspronkelijke en het eigenlijke. Voor hem telden de zintuigen; met zijn ogen, oren en neus ademde hij de campagne in, bergen, bossen, beken en aantrekkelijke vrouwen. Als bij een speurhond droegen horen, zien en ruiken als evenzovele kanalen kennis aan. Zij openden het boek van Moeder Natuur, dat onze Frans-Zwitserse filosoof aandachtig las . . .


Beelden, geuren en geluiden vloeiden samen, correspondeerden en versmolten tot gevoel, tot kennen, tot weten. Kennis werd gevoel en gevoel kennis.


Maar hoe kon in de ogen van Rousseau zoiets subjectiefs nu niet gevaarlijk, verraderlijk zijn?! We zagen het al: In 'Émile ou de l'Éducation' legt Rousseau uit dat de stem van de natuur ons waarschuwt, waardoor bepaalde dingen/ wezens ons op de vlucht zullen jagen, terwijl andere dingen/ wezens juist een grote aantrekkingskracht op ons zullen hebben. Dankzij ons natuurlijke gevoel ontvlieden we het gevaar of gaan wij juist op zoek naar wat heilzaam is. De natuur leeft in ons hart, evenals ons hart van origine in de natuur. Rousseau zou dan ook geen radicale scheidslijn hebben getrokken tussen het objectieve en het subjectieve, evenmin als we de verschillende uitvoeringen van de vijfde symfonie van Beethoven tegenover het muziekstuk zelf zouden stellen. Sterker nog: voor hem was natuurlijk voelen weten en weten eerst en vooral natuurlijk voelen.

Het geheugen

We leren de natuur kennen met onze ogen, oren, neus en tastzin, met onze tong en ons gevoel. En al die zintuiglijke waarnemingen, al die kennis en al dat gevoel waarin dit alles samenvloeit, slaan we op in ons geheugen. Daar liggen al die indrukken vervolgens te wachten als zaden onder de kale wintergrond op het tijdstip, de dag of het uur, of die ene seconde waarin of waarop ze gewekt worden om in onze herinnering te herrijzen en te herleven.

Wakker geroepen door associaties, in interactie met wat wij waarnemen op het moment zelf en in onze directe omgeving. Of die zijn komen bovendrijven in onze dromen, gedachtenspelingen of mijmeringen, los van iedere directe context.

In het eerste geval zien we dat onze zintuiglijke waarnemingen niet uit het niets komen, maar worden ingekleurd door ons geheugen. Heden en verleden versmelten in een nieuwe beleving.

In het tweede geval stuiten we op een web waarin het een het ander oproept . . .

Ons voorstellingsvermogen

Dankzij ons voorstellingsvermogen ('l'imagination') kunnen we HERINNERINGEN met elkaar COMBINEREN. Nieuwe combinaties duiken in ons op, nieuwe creaties ontstaan. Steeds weer kunnen we de stukken anders rangschikken tot nieuwe patronen, tot nieuwe beelden, tot nieuwe geluiden, tot nieuwe geuren . . . tot nieuw gevoel . . . Tot nieuwe indrukken die met de kracht van creativiteit, samenspel en associatie heel indringend kunnen zijn. Wat maakt dat herinneringen meer indruk op ons kunnen maken dan de dingen zelf:


Comme en général les objets font moins d'impression sur moi que leurs souvenirs / . . . /


De kern van het Franse woord voor voorstellingsvermogen, 'imagination', is 'image', dat 'afbeelding' betekent. Beelden vangen we in gevoel en gevoel in beelden, zodat ze volledig in elkaar zijn verweven. Geen wonder dat uit de zee van onze gevoelens gevoelsbeelden kunnen opduiken. Onze verbeeldingskracht verwekt zo als het ware nieuwe kinderen in de moederschoot van ons gevoel. Kinderen die als ideeën, gedachten en innerlijke belevingen ter wereld kunnen komen.


Comme / . . . / toutes mes idées sont en images, les premiers traits qui se sont gravés dans ma tête y sont demeurés, et ceux qui s'y sont empreints dans la suite se sont plutôt combinés avec eux qu'ils ne les ont effacés. Il y a une certaine succession d'affections et d'idées qui modifient celles qui les suivent.


Kinderen die op hun beurt ook weer kinderen verwekken . . . Of letterlijker, ideeën die ideeën, en die op hun beurt ook weer ideeën . . . voortbrengen.

Ons zintuiglijk aangedreven voorstellingsvermogen

Wanneer we zintuiglijk waarnemen, wordt een deel van ons geheugen geactiveerd, namelijk dat deel dat we met de directe omgeving associëren. Stromen zintuiglijke waarnemingen drijven zodoende onze associatie- en voorstellingsmolen aan. Als deze eenmaal op volle toeren draait, komen we van de directe omgeving in onze eigen voorstellingswereld terecht. We beleven alles om ons heen van binnenuit, in een interactie tussen onze zintuigen en ons voorstellingsvermogen.

Draait deze molen echter heel langzaam of niet, dan verliest voor Rousseau zelfs zijn geliefde campagne haar charme. Zo schrijft hij dat hij op een van zijn latere reizen daar niet meer zo heerlijk kon wegdromen als op zijn vroegere voettochten. Zijn gedachten waren weliswaar nog wel vredig en zacht, maar niet langer meer zo heerlijk en zo hemels als voorheen. Hij gaat zelfs nog verder: Zo schrijft hij dat alle dingen die hij op zijn weg tegenkwam, niet zomaar aan hem voorbijgingen, dat niet. Hij zag ze. Hij zag de bomen, de huizen en de beken, maar de campagne had bij lange na niet meer die betoverende kracht van vroeger. Hij was er niet langer meer van in de zevende hemel.


Cependant je n'eus point durant ce voyage ces rêveries délicieuses qui m'avaient suivies l'autre / . . . / mes idées étaient paisibles et douces, non célestes et ravissantes. Tous les objets que je passais frappaient ma vue ; je donnais de l'attention aux paysages ; je remarquais les arbres, les maisons, les ruisseaux / . . . / En un mot, je n'étais plus dans l'empyrée . . .


Verder . . .

Maar hoe kon dat nu?! Wat opvalt is dat Rousseau de dingen op die reis veeleer leek waar te nemen in hun losse, individuele zijn dan in hun geheel. Hun associatieve werking op onze wandelaar leken ze te zijn kwijtgeraakt. Niet langer voerden ze hem verder . . . Rousseau was waar hij was, of was waar hij ging, maar hij kwam nooit verder dan daar.


En un mot, je n'étais plus dans l'empyrée, j'étais tantôt où j'étais, tantôt où j'allais, jamais plus loin.


Verder, maar waar kon dat zijn? Of wat bedoelde Rousseau daarmee?


VERDER kon slechts zijn in zijn BELEVINGSWERELD. In de keuken van ZIJN VOORSTELLINGSVERMOGEN WAAR DRUK WERD GEASSOCIEERD, GECOMBINEERD, GEMENGD, GEMIXT, GEKRUIST EN GECREËERD. En zo kwam hij in zijn beleving verder dan de losse, direct waarneembare objecten, individuen en verschijnselen om hem heen . . .



La vue de la campagne, la succession des aspects agréables, le grand air / . . . / tout cela dégage mon âme / . . . / me jette en quelque sorte dans l'immensité des êtres pour les combiner, les choisir, me les approprier à mon gré, sans gêne et sans crainte. Je dispose en maître de la nature entière ; mon coeur errant d'objet en objet, s'unit, s'identifie à ceux qui le flattent, s'entoure d'images charmantes, s'enivre de sentiments délicieux / . . . /


Hoe moeten we ons dat voorstellen? Als het eerste mensenpaar? Als het eerste koppel dat zich kruist? Als de kinderen en de kleinkinderen, de achterkleinkinderen en de achterachterkleinkinderen . . . die zich blijven kruisen onder elkaar? Als de immense mensenzee die daaruit ontstaat? Met een vrijwel grenzeloos aantal kruisingsmogelijkheden? Is het alsof je ergens in Rome, Parijs of Milaan staat? En je er in een drukke straat de drukte van de HELE stad voelt? Of . . . alsof je ergens tussen de bomen staat en je het HELE woud voelt? Wat zeker is, is dat Rousseau ergens- waar was het?-, op een plekje van het platteland, de HELE campagne heeft moeten inademen.


DELEN WERDEN IN ZIJN BELEVING GEHELEN. ÉÉN WERD VEEL & VEEL ÉÉN


De natuur verruimde zijn geest. Zij overstroomde zijn beleving, en zijn beleving . . . overstroomde haar . . . Zeker in zijn jeugdige ontvankelijkheid en enthousiasme waarin zijn hart vol was, OVERVOL was, en overliep.


Jeune, vigoureux, plein de santé, de sécurité, de confiance en moi et aux autres, j'étais dans ce court, mais précieux moment de la vie, où sa plénitude expansive étend pour ainsi dire notre être par toutes nos sensations, et embellit à nos yeux la nature entière du charme de notre existence.


*De natuur is, zoals we hebben gezien, een bron van aantrekking, aantrekkelijkheid en kunstzinnigheid. Zij heeft een scheppende of generatieve werking. Zij brengt voort. Zij vermenigvuldigt en creëert.

*Wanneer nu de natuur óók in ons leeft, mag het geen wonder heten dat óók ín ons creërende krachten aan het werk zijn. Die vinden we o.a. in ons voorstellingsvermogen.

*Ons zintuiglijk aangedreven voorstellingsvermogen voert ons enerzijds verder dan de directe omgeving. In onze beleving althans. We mengen, mixen, associëren en combineren, en gaan zo van weinig naar meer. En van meer weer naar nog meer en nóg meer . . . Het is als een stroompje dat aangroeit tot een machtige rivier; de flux. Of als de reusachtige eikenboom die uit een minuscuul zaadje oprijst.

*Tegelijkertijd voelen we hoe het een uit het ander voortspruit, de generatieve werking, de samenhang of zelfs de eenheid. Daarmee stroomt de rivier als het ware weer terug naar de bron; het creatieve, creërende principe. Het generatieve principe of het scheppende principe, als je wilt. De reflux.

*Wanneer wij nu middenin de natuur zijn, of ergens op de campagne, dan zullen we dit principe al snel ervaren als de stemming, de sfeer of zelfs als de ziel, de geest van het land. Als Moeder Natuur? Bij de reflux keert het (grenzeloos) grote in het (grenzeloos) kleine weer. Het grote concentreert zich, wordt heftiger, intenser, distilleert er de geest uit . . .

*En zo kan onze zintuiglijk aangedreven imaginatie ons geestelijk dronken voeren . . . In een roes brengen . . .

De generatieve werking van onze zintuiglijk aangedreven imaginatie
Natuur Kruisen/ combineren/ vermenigvuldigen
Generatieve werking
De natuur in ons Onze imaginatie
Kruisen/ combineren/ vermenigvuldigen
De generatieve werking van onze imaginatie
Zintuiglijke waarnemingen Aandrijving van de imaginatie
Zintuiglijk aangedreven imaginatie Kruisen/ combineren/ associëren
'Verder gaan'/ delen worden gehelen
Flux: één wordt veel
Reflux: veel wordt één
'In de zevende Hemel zijn'/ in een roes zijn


Het door ons geheugen aangedreven voorstellingsvermogen

Wilde Rousseau wérkelijk voelen, denken, leven en zichzelf zijn, dan moest hij zwerven door de natuur of over de campagne. Dan moest hij kunnen genieten van hun VOLLE AANWEZIGHEID . . .

Althans . . . dat was wat hij ergens opmerkte in zijn Confessions. Maar nog geen paar pagina's verder komt hij met een heel ander verhaal. Wilde hij de lente schilderen- zo leert hij ons nu- dan moest het winter zijn. Of mooie landschappen? Dan moest hij opgesloten zijn, tussen dikke muren. Of was hij van zijn vrijheid beroofd? Zat hij in de aller diepste kerker (letterlijk; de Bastille)? Dan was het juist dáár dat hij de vrijheid zou kunnen vangen in woord en/of beeld.

Dit betekende een totale omkering. Want nu was het in hun totale afwezigheid dat hij de dingen beleefde, of het nu gaat om landschappen, jaargetijden of zoiets als de vrijheid. Nu beleefde hij ze los van het hier en nu. Los van de directe context.

De dingen waren aanwezig in zijn beleving, maar afwezig in zijn omgeving, d.w.z. in de context van dat moment. Ze waren derhalve ook afwezig in de zintuiglijke waarneming van de buitenwereld, oftewel van de wereld om hem heen zoals hij die op dat moment kon waarnemen.

Toch nam hij ze wel innerlijk of intern waar. Hij kon ze horen, zien, voelen, ruiken en/ of proeven. Of whatever. Hij beleefde ze, ervaarde ze en/ of maakte ze mee. Kwamen ze niet voort uit zijn directe zintuiglijke waarneming, dan moesten deze INNERLIJKE WAARNEMINGEN wel GEVOED worden DOOR ZIJN GEHEUGEN.

Herinneringen zwengelden zodoende de molen van zijn voorstellingsvermogen aan. Met het bekende mengen, mixen en kruisen, combineren en associëren creëerde hij zijn lente, zijn vrijheid en zijn land, kortom, de dingen van zijn droomwereld.

Belangrijk is hier dat hij geheel LOS VAN het hier en nu en geheel vrij van DE DIRECTE CONTEXT kon voelen, denken, dromen, fantaseren, mijmeren en dagdromen.

Drie vragen dringen zich hier op:

*Ten eerste; wat verklaart de (schijnbare) tegenstrijdigheid tussen Rousseaus voorwaarde van de aan- en die van de afwezigheid der dingen?

*Ten tweede; staat al dat vrije denken en dromen niet volledig los van de realiteit en van de buitenwereld?

En ten derde, zijn dat vrije dromen en denken niet louter subjectief?

We komen hier later op terug.

Het door ons geheugen aangedreven voorstellingsvermogen
Herinneringen Los van de directe context
Los van de directe aanwezigheid
Generatieve kracht van het voorstellingsvermogen Herinneringen kruisen/ combineren/ mixen
Associëren
Creëren


Ons verlangvermogen

Aristoteles koppelde het leven aan de ziel, en het streven aan het leven. Streven, smachten, smeken, hunkeren, hongeren en dorsten; van Lascaux tot aan Rousseau is onze geschiedenis vol van verlangens . . .

Laten we even terugkeren bij de kleine Jean-Jacques. We zien het kleine ventje al voor ons. Het is nog maar een kind . . . , maar in dit kind ligt al stil iets te wachten. En dan . . . hebben we daar Mademoiselle Lambercier, de mooie, dertigjarige dochter van de dominee bij wie Rousseau de seksuele verlangens voelt ontwaken als kaal winterland het sluimerende leven onder de lentezon.

Tijdens een pak op zijn broek wekte haar hand verborgen gevoelens, en wakkerde ze een vuur in het ventje aan. I.p.v. pijn liet zij een gevoel van gemis in hem branden. Ze werd daarmee in zijn beleving de belichaming van een brandend verlangen.

De dertigjarige demoiselle veranderde in een roep om het bedrijven van de liefde als dorst in ons lijf om water. De bekoorlijke vrouw nam de vormen aan van een teken dat stond voor seksuele verlangens. Zoals in een goed gedicht werd vorm inhoud, en inhoud weer vorm: Mademoiselle Lambercier werd verlangen, en verlangen Mademoiselle Lambercier . . .

Telkens wanneer Rousseau een aantrekkelijke vrouw was tegengekomen die het vuur van verlangen weer in hem had aangeblazen, lichtte er in zijn verbeelding een Mademoiselle Lambercier in haar op. Daardoor stroomde de dochter van de dominee uit in vele dames, de flux, terwijl vele dames weer terugstroomden in de dochter van de dominee, de reflux. In zekere zin zag Jean-Jacques in zijn beleving in vele vrouwen één vrouw, één in vele, en evenzo in één vrouw vele vrouwen, vele in één.

Zoals voor een goede speurhond een geur niet sec een geur is, maar een spannend verhaal waarin hij leest wie of wat, bijvoorbeeld, daar op die ene plaats gelopen heeft, wanneer, of zelfs welke gevoelens hem of haar toen roerden- was hij of zij bang geweest?-, zo balden zich in de indrukken die Rousseau opdeed, bergen informatie samen. Indrukken waarvan zeker díe die Mademoiselle Lambercier in hem had nagelaten, diep tot hem waren doordrongen en die in zijn geheugen gegrift stonden. Indrukken die hem net als onze beagle verder wilden laten 'lezen' en verder. Die hem verzameldrift gaven. Die hem méér wilden laten ruiken, méér laten voelen, méér laten beleven, méér laten kennen en weten. Die de natuur in hem wekten, verlangens in hem aanwakkerden en zijn zinnen en zijn ziel in vuur en vlam zetten . . .


En même temps que mes sens furent allumés, mes désirs prirent si bien le change, que, bornés à ce que j'avais éprouvé, ils ne s'avisèrent point de chercher autre chose. /. . . / Tourmenté longtemps sans savoir de quoi, je dévorais d'un oeil ardent les belles personnes ; mon imagination me les rappelait sans cesse, uniquement pour les mettre en oeuvre à ma mode, et en faire autant de demoiselles Lambercier.


Ons verlangen naar het volledige & volmaakte ('la plénitude')

Verlangen ontstaat uit een gevoel van gemis. Als je dorst hebt, mis je drinken. Als je honger hebt, mis je eten. Of als je de lentekriebels hebt, verlang je vurig naar de liefde. Veelal weet je of voel je wat je mist. (Hoewel verlangens ook heel onbestemd kunnen zijn.) Zo kan een uil verlangen naar een muis. Hij heeft scherp voor ogen wat hij zoekt: Hij heeft een duidelijk zoekbeeld. Verlangen is gericht op iets dat of iemand die je vanbinnen ergens, of misschien zelfs wel heel goed, kent.

Zo zagen we al dat chimpansees precies weten welke soort bladeren ze wanneer moeten eten. Die kennis in hun lichaam vertaalt zich in trek. Ze hebben trek in precies dat wat ze nodig hebben. Het verlangde is, om het beeldend te maken, als het missende stukje van een puzzel. Vanuit de omringende stukjes kennen we haar vormen, en weten we hoe ze is of hoe ze moet zijn. We weten wat ontbreekt oftewel wat aanwezig is in afwezigheid. Veel dieren, tot de meest bijzondere aan toe, weten feilloos tussen ontelbare andere organismen hun mannetje of vrouwtje te herkennen en te vinden. Neem nu een dwergooruil. Hoe weet hij wat een andere dwergooruil is, en dat terwijl hij zichzelf nog nooit heeft gezien (soortherkenning)?!

Bij verlangen:

*kennen we of weten we (in meer of mindere mate) wat we missen of wat ontbreekt

*zijn we op zoek naar de aanwezigheid van dat wat we missen

Hebben we het verlangde eenmaal gevonden, dan genieten ('jouir') we van haar aanwezigheid, en bevredigt deze (in principe) onze behoefte.

Bestaat er eten? Of drinken? Of een mannetje of vrouwtje van mijn soort? Dat zijn vragen die nog redelijk simpel en concreet zijn. Maar er zijn er ook die we niet zomaar kunnen beantwoorden, zoals:

*Bestaat God?
*Bestaat het volledige?
*Het absolute?
*Het volmaakte?
*Het zuivere?
*Het pure?
*Of het ideale?
*Of . . . bestaat de vrede?
*Het goede?
*Het kwade?
*Of het paradijs?

Opmerkelijk genoeg heeft de mens de hele geschiedenis door naar dit soort dingen verlangd:

*Pythagoras verlangde naar volmaakte vormen en zuivere ruimtefiguren
*Plato droomde van ideale ideeën
*en Petrarca van de meest betoverende, absolute vrouwelijkheid
*Augustinus smachtte naar God

*Terwijl Roussseau op zoek was naar wat hij 'la PLÉNITUDE' noemde; het volledige, het volmaakte, het absolute of dat wat is in de hoogste graad. Dat wat volledig bevredigt, en in die zin 'voldoende' of 'suffisant' is dat je verder niets nodig hebt om (verder) in je behoefte te voorzien.

Onze Frans-Zwitserse filosoof verlangde terug naar een oorspronkelijke, paradijselijke toestand. Een toestand die de mens wellicht in een ver verleden had gekend of die hem in ieder geval van nature toebehoorde . . .

Wanneer nu verlangens ontstaan uit een voelen of weten wat je mist, dan zou er logischerwijs zoiets als het paradijselijke moeten, of moeten hebben bestaan. Rousseau zocht dit paradijselijke in de liefde, de kunst en de vrouw, in de campagne, de vrijheid en de natuur.

Het verlangvermogen
Verlangens Weten/ voelen wat je mist
Het weten/ voelen van het 'gekende-ongekende'
Het verlangen naar iets/ iemand waarvan je weet/ voelt dat hij/zij/ het er MOET zijn
(zelfs al heb je hem/ haar/ het nog nooit zintuiglijk waargenomen)
Innerlijk weten (vanuit de binnenwereld en/of het lichaam)


De ROES, vervoering & extase

Rousseau nam zijn lezers en lezeressen mee door de bergen en dalen van zijn gemoedstoestanden. Zo raakte hij op een wandeltocht langs de Rhône- of was het de Saône?- in een soort extase.

Uit 'Les Confessions' mag wel blijken dat Rousseau een warmbloedige, bijzonder extatisch aangelegde man moest zijn geweest. Met zijn zuidelijke temperament stond hij al snel in vuur en vlam. Het vrouwelijk, de campagne en de natuur hadden voor hem overduidelijk magische krachten. Waren het een soort toverdranken? Wonderdranken die hem in vervoering brachten?

Een extase is heftig. Een extase is hevig. Alleen wat is dat een extase? En hoe werkt deze? Onder de werking van ons voorstellingsvermogen roepen beelden, geuren en geluiden weer andere beelden, geuren en geluiden in onze beleving op, en bovenal gevoel weer ander gevoel. We gaan daarbij van beeld naar beeld- als een bij van bloem tot bloem- , van geur naar geur van gevoel naar gevoel . . . en/ of kruiselings. Van beleving a komen we bij beleving a + b, en van a + b bij a + b + c . . . , en zo wordt onze beleving intenser en intenser . . . Onze stromen gevoel rijzen, groeien en zwellen aan, worden groter, grootser, heftiger en geconcentreerder, barsten uit de voegen van ons wezen, stromen over, overstromen . . . Overweldigen. Verbinden. Verenigen. Golvend het grenzeloze in . . .

Maar bouwen we met al onze extases dan geen luchtkastelen? Om te beginnen, hoorden vervoeringen, in Rousseaus optiek, bij een soort paradijselijke, oorspronkelijke gemoedstoestand. Ze stonden derhalve niet buiten of boven de natuur, maar maakten er deel vanuit.

Als de mens nu (oorspronkelijk) in de natuur leeft, en de natuur in de vorm van gevoel en extases in de mens, dan kunnen we deze moeilijk afdoen als louter hersenschimmen of schijnwerkelijkheden. Het zijn dan je reinste natuurverschijnselen die als zodanig echter zijn dan echt.

Maar dan die belevingen waarin, bijvoorbeeld, een stukje natuur- wat was het? zomaar een weggetje langs de Rhône of was het de Saône?- zowat universele dimensies lijkt aan te nemen en zich tegelijkertijd (welhaast) lijkt te concentreren tot haar wezen, haar essentie? Zijn al dat associëren en al dat van a naar b en van a+ b weer naar a + b + c gaan . . . , of wat daaruit resulteert althans, geen pure fictie? En is al dat voorbijgaan aan de directe omgeving, en aan het moment zelf dan geen bedrog? Wat uit 'Les Confessions' en 'Émile ou de l'éducation valt op te maken is dat het maken van associaties natuurlijk en zelfs functioneel kan zijn. Daarmee staan ze niet los van het hier en nu, maar gaan ze op in een groter geheel en vooral in een groter verband. Zo niet, in een grotere en diepere werkelijkheid. Ja, wijst dit alles- zo kunnen we ons afvragen- niet op samenhang? Op de SAMENHANG van de natuur, die wij OP EEN NATUURLIJKE WIJZE mogen BELEVEN?

Opmerkelijk is dat Rousseau zich laat ontvallen dat een van die spelingen van zijn voorstellingsvermogen waarin het een het ander opriep, een welhaast profetisch karakter had: Alles kwam zowat uit, zij het dat een lang leven in de beleving slechts een moment werd in wat wij de concrete werkelijkheid zouden noemen. Van lieflijk klokkengelui, ging hij via vogelzang, naar een mooie dag, van waar hij via zacht landschap, bij wat plattelandshuisjes uitkwam die daar verspreid lagen, en waarin hij het leven met de vrouw van zijn dromen al voor zich zag . . . Het maakte allemaal zo'n levendige indruk op hem dat hij in zijn verbeelding werd meegenomen naar die verrukkelijke wereld. Maar, helaas!, die tijdloze gelukzaligheid kon hij slechts proeven in zijn droom. Want toen deze uitkwam, werd hij vrijwel het volgende moment wakker geschud- door wat was het? de dagelijkse werkelijkheid?-.


Le son des cloches, qui m'a toujours singlièrement affecté, le chant des oiseaux, la beauté du jour, la douceur du paysage, les maisons éparses et champêtres dans lesquelles je plaçais en idée notre commune demeure, tout cela me frappait tellement d'une impression vive, tendre, triste et touchante, que je me vis comme en extase transporté dans cet heureux temps et dans cet heureux séjour où mon coeur, possédant toute la félicité qui pouvait lui plaire, la goutaît dans des ravissements inexprimables / . . . / ce qui m'a frappé le plus dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est d'avoir retrouvé des objets tels exactement que je les avais imaginés. Si jamais rêve d'un homme éveillé eut l'air d'une vision prophétique, ce fut assurément celui-là. Je n'ai été deçu que dans sa durée imaginaire ; car les jours et les ans, et la vie entière, s'y passaient dans une inaltérable tranquillité ; au lieu qu'en effet tout cela n'a duré qu'un moment. Hélas ! mon plus constant bonheur fut en songe ; son accomplissement fut presque à l'instant suivi du réveil.


Van betekenis hier is het contrast tussen het tijdgebonden hier en nu en de tijdloze verbeelding. Deze verbeelding rappelleert namelijk aan een permanente gelukzaligheid in een oorspronkelijke, paradijselijke wereld waarin we eveneens in een oorspronkelijke, paradijselijke gemoedstoestand verkeerden, en die ons van nature toebehoort, maar die we helaas jammerlijk zijn kwijtgeraakt, met alle onrust van dien.

Op basis van Rousseaus werk kunnen we ons een aardig beeld vormen van wat een extase in wezen is. Laten we daarvoor nog eens een paar dingen op een rijtje zetten:

*In de natuur spelen aantrekking en aantrekkelijkheid een belangrijke rol (zonder deze zou Zij niet kunnen functioneren)

*De natuur heeft een grote creatieve kracht en werking

*De natuur heeft generatieve kracht

*Ons voorstellingsvermogen maakt deel uit van de natuur

*Met ons voorstellingsvermogen associëren, combineren, creëren en kruisen we

*Ons voorstellingsvermogen heeft eveneens een genererende werking

*Met ons voorstellingsvermogen kunnen we van weinig naar veel gaan (flux)

*Of van het onvolledige en onvolmaakte naar het volledige en volmaakte?

*Vanuit de samenhang kunnen we weer terug van veel naar weinig (reflux)

*En (als we de lijnen doortrekken) van alles naar één?

*Bij de reflux keert het grote in het kleine weer

*En keert daarbij het Al in het principe weer?

*Bij de reflux is sprake van een concentreren en een distilleren

*Kunnen we bij de reflux de genererende kracht en het genererende principe ervaren, of misschien zelfs zoiets als universele zielen of geesten?

*De beleving van de flux en reflux kan heel overstijgend en intens zijn

Zodat we ons kunnen afvragen of het al met al niet zo'n flux en zo'n reflux zijn die ons kunnen meevoeren naar extatische belevenissen?

De mens in de natuur & de natuur in de mens

De onweerstaanbare natuur

We zagen het al, en we kunnen het niet genoeg benadrukken: Rousseau hield van bergen, beken en donkere bossen, van vrouwen, het vrouwelijk, van wat echt is, oorspronkelijk, natuurlijk, zuiver en puur. Hij bewonderde, verkeerde in extase en verlangde naar het volmaakte. Hij reisde, wandelde en maakte ellelange voettochten om het te zoeken. Bewust of onbewust. Het maakte hem regelmatig onrustig. Niet zelden werd hij overvallen door wandeldriften. Dan moest hij erop uit, was hij niet meer te houden.

Vanuit zijn eigen ervaring, vanuit zijn eigen gevoel wist Rousseau, voelde hij intens dat de mens thuishoorde in de natuur. De natuur had iets betoverends, iets onweerstaanbaars. Ving zij hem als een rattenvanger van Hamelen de ratten? Of was ze als een zeemeermin die hem lokte naar haar dieptes? Met al haar natuurschoon blééf ze hem in ieder geval charmeren.


Les monts, les prés, les bois, les ruisseaux, les villages succédaient sans fin et sans cesse avec de nouveaux charmes; ce bien heureux trajet semblait devoir absorber ma vie entière.


De buitengebieden ademden een en al vrijheid en plezier. Want wat was er nu heerlijker dan ongedwongen en vrij rond te zwerven over de campagne of door de natuur?! Je moest wel goed gek zijn om zo'n geweldig geluk zomaar op te offeren aan ambitieuze plannetjes, die je om te beginnen bloed, zweet en tranen zouden gaan kosten, en waarvan de successen bovendien in al hun glorie nog geen kwartier van het ware geluk en de ware vrijheid die je als jongeman buiten kon proeven, waard waren.


Il fallait être fou pour sacrifier une pareille fortune à des projets d'ambition d'une exécution lente, difficile, incertaine, et qui, les suposant réalisés un jour, ne valaient pas dans tout leur éclat un quart d'heure de vrai plaisir et de liberté dans la jeunesse.


Rousseau liet graag alles wat zijn maatschappelijke leventje moest zekerstellen, achter zich om het leven van een echte vagebond te gaan leiden. Weg met zijn beschermengel, weg met zijn gouverneur, weg met zijn studie en weg met zijn ambities, weg met zijn opgeblazen verwachtingen, en weg met zijn berekeningen. Voor hem geen schaapjes op het droge. Het kon hem allemaal gestolen worden: Vaarwel hoven, vaarwel hoofdsteden, vaarwel ambities en vaarwel ijdelheden, vaarwel stadse juffers en vaarwel succes story's . . . vaarwel. Met de lokroep van het echte, eigenlijke leven in het echte, eigenlijke land was hem dat allemaal niets meer waard.


Tel fut le plan sur lequel je me mis en campagne, abandonnant sans regret mon protecteur, mon précepteur, mes études, mes espérances, et l'attente d'une fortune assurée, pour commencer la vie d'un vrai vagabond. Adieu la capitale ; adieu la cour, l'ambition, la vanité, l'amour, les belles, et toutes les grandes aventures dont l'espoir m'avait amené l'année précédente.


IN DE ROES VAN DE CAMPAGNE

Op de campagne ademde Rousseau het echte, eerlijke, oorspronkelijke leven in:

*Nergens kon hij werkelijk zo zichzelf zijn als daar:


Jamais je n'ai tant pensé, tant existé, tant vécu, tant été moi, si j'ose ainsi dire, que dans [ces voyages-là] que j'ai faits seul et à pied.


*Zij streelde zijn zinnen en betoverde zijn hart. Zij kon hem in een soort extase brengen:


Zoals op die betoverende avond waarop hij langs de Rhône- of was het de Saône?- liep. Aan de andere kant van de weg lagen terrasvormige tuinen. Het was die dag heel heet geweest. Avonddauw bedekte lichtjes het verdorde gras. Het was stil. Er stond geen zuchtje wind. De zon was weggezonken. Een rood uitvloeisel had zij nagelaten in de avondlucht. Roze kleurde haar weerspiegeling het water. Vanuit de bomen op de bergterrassen klonken liederen, liederen van nachtegalen, over en weer. In vervoering dronk Rousseau de betoverende avond. Zonder zelfs maar te merken dat het al laat was en dat hij moe was van al dat lopen.



Je me souviens même d'avoir passé une nuit délicieuse hors de la ville, dans un chemin qui côtoyait le Rhône ou la Saône, car je ne me rappelle pas lequel des deux. Des jardins élevées en terrasse bordaient le chemin du côté opposé. Il avait fait très chaud ce jour-là, la soirée était charmante ; la rosée humectait l'herbe flétrie ; point de vent, une nuit tranquille ; l'air était frais, sans être froid ; le soleil, après son coucher, avait laissé dans le ciel des vapeurs rouges dont la réflexion rendait l'eau couleur de rose ; les arbres des terrasses étaient chargés de rossignols qui se répondaient l'unà l'autre. Je me promenais dans une sorte d'extase, livrant mes sens et mon coeur à la jouissance de tout cela, et soupirant seulement un peu du regret d'en jouir seul. Absorbé dans ma douce rêverie, je prolongeai fort avant dans la nuit ma promenade, sans m'apercevoir que j'étais las.


*Het plattelandsleven werkte verbindend en verbroederend. Het maakte van Rousseau's neef een broer, en van een broer zijn beste vriend:


La simplicité de cette vie champêtre me fit un bien d'un prix inestimable en ouvrant mon coeur à l'amitié. / . . . / L'habitude de vivre ensemble dans un état paisible m'unit tendrement à mon cousin Bernard. En peu de temps j'eus pour lui des sentiments plus affectueux que ceux que j'avais eus pour mon frère, et qui ne se sont jamais effacés.


*Het vredige plattelandsleven in het Zwitserse Bossey waar Rousseau met zijn neefje opgroeide, haalde de natuur in hem boven. Het voedde, het wekte de neigingen van zijn hart. Neigingen die hij had meegekregen van Moeder Natuur:


Tout nourissait dans mon coeur les dispositions qu'il reçut de la nature.


Vrijheid, verbinding, verbroedering, vervoering . . . wat bracht Rousseau in een roes? De campagne natuurlijk. Alleen . . . hoe deed zij dat? Wij hebben ons daar al een beeld van kunnen vormen. Daarbij lijkt de aansturing vanuit de binnenwereld van essentieel belang.

De roes van de campagne
Zintuiglijke waarneming
De campagne streelt de zinnen
Wekken
Correspondentie
(die delen van onze binnenwereld die corresponderen met de zintuiglijke waarnemingen)
(die delen van onze binnenwereld die we associëren met de zintuiglijke waarnemingen)
Herkenning
(herkenning van de campagne vanuit de weerspiegeling in onze binnenwereld)
Interactie
Tussen onze binnenwereld (geheugen) & onze zintuiglijke waarneming
Extensies
Uitbreidende associaties
tussen gewekte delen en andere delen van onze binnenwereld (ons geheugen)
Interferentie
Binnenwereld & zintuigen drijven elkaar aan
Flux
(de natuur is een generatieve werkelijkheid)
(de weerspiegeling van de natuur in ons is een generatieve werkelijkheid)
Langs de lijnen van de generatieve binnenwereld:
van delen naar gehelen/ van het individuele naar het universele
Reflux
Langs de lijnen van de generatieve binnenwereld:
van gehelen/ het universele naar het principe (/ de geest)
Roes
Sublieme beleving
(overstijgen)
Ideale beleving
('distilleren'/ concentreren)


De Natuur: bron van gevoel voor schoonheid, schoonheid & verbinding

De roes van Rousseau valt niet los te zien van de natuur. Zij bestaat bij de gratie van aantrekking en aantrekkelijkheid. En Zij is met recht de moeder van de Schoonheid, gevoel voor Schoonheid, rechtvaardigheid, vriendschap en verbinding.

Het volmaakte Vrouwelijk


Il me faut des torrens, des rochers, des sapins, des bois noirs, des montagnes, des chemins raboteux à descendre, des précipices à mes côtés qui me fassent bien peur. J'eus ce plaisir, et je le goûtai dans tout son charme en approchant de Chambéry. / . . . / au-dessous du grand chemin taillé dans le roc / . . . / court et bouillonne dans des gouffres affreux une petite rivière qui paraît avoir mis à les creuser des milliers de siècles.


Rousseau kon niet buiten de natuur. Maar meer nog dan snel stromende bergbeken, bergen, rotsen, sparren en donkere bossen, hobbelige weggetjes en gapende afgronden aan zijn zijden, meer nog dan de voortsnellende waterstromen van een klein riviertje, kolkend, woest en wild, daar ergens ver, heel ver beneden hem, in duizelingwekkende dieptes, meer nog dan dat alles, was er iets anders dat Rousseau's zinnen en ziel betoverde. Iets dat nog aantrekkelijker, nog magischer voor hem was; namelijk de vrouw of liever nog het vrouwelijk.

Zoals we hebben gezien, verstrikte Jean-Jacques zich als kleine jongen al in haar web. Het begon allemaal met het pak op zijn broek van Mademoiselle Lambercier. Maar al redelijk snel werd zij bij hem overschaduwd door Madame de Warens. Want in zijn beleving ontvouwden zich uit deze dame vele gezichten van het vrouwelijk: Zo was zij voor hem niet alleen zijn pensionhoudster, maar ook zijn moeder, zijn zus, zijn beste vriendin, en misschien zelfs stiekem wel zijn maîtresse, zijn meisje of zijn vrouw. Nee, zelfs nog meer dan dat en nog meer dan dat alles bij elkaar!


Elle était pour moi plus qu'une soeur, plus qu'une mère, plus qu'une amie, plus même qu'une maîtresse / . . . / Je me vis pour la première fois dans les bras d'une femme, et d'une femme que j'adorais.


Terwijl Mademoiselle Lambercier stond voor het wekken van Rousseau's seksuele gevoelens en verlangens, voor zoeken en smachten, stond Madame de Warens eerder voor het vinden van wat hij zocht, voor de bevrediging, voor de verbinding en voor het volledige en het volmaakte. Kortom, zij was voor hem veel meer dan een gevoel van gemis, veel meer dan een zoeken, veel meer dan een verlangen naar de liefde en naar het Vrouwelijk, veel meer dan een willen voelen van eenheid en verbinding, nee, zij wás die liefde, zij wás dat Vrouwelijk, zij wás die eenheid en zij wás die totale verbinding. Zij was veel meer dan een verlangen en veel meer dan een vrijen, ja, want zij wás de versmelting en zij wás het sublieme orgasme. Wat maakte dat hun relatie paradoxaal genoeg platonisch van aard was omdat bij het vinden het zoeken immers niet meer nodig was. In die zin was Madame de Warens dan ook (volmaakt) bevredigend, 'suffisant'.

In haar ideale, volledige en volmaakt bevredigende Vrouwelijkheid oversteeg Madame de Warens de verschillende rollen en gezichten (vrouw, vriendin, moeder, maîtresse, zus . . . ) die daarbij hoorden. Of liever nog, incarneerde zij het Vrouwelijk waar al deze verschijningsvormen uit voortkwamen. Zo was zij voor Jean-Jacques dus veel meer dan zomaar een manifestatie of veel meer dan zomaar een rolletje, een spelletje, afleiding of vermaak.

De vraag rijst hoe dit kon. Hoe EEN ENKELE VROUW kon zorgen voor de VOLLE BELEVING VAN HET VROUWELIJK. Hoe zij in haar eentje de behoefte aan zoiets wijds, en zoiets UNIVERSEELS als het Vrouwelijk ook maar ooit had kunnen bevredigen. Wat we hier ten volle voelen is HET SPANNINGSVELD TUSSEN WAT INDIVIDUEEL EN WAT UNIVERSEEL IS.


We zagen al dat je ergens op een plekje op het platteland de hele campagne kon inademen, en ergens tussen de bomen het hele bos . . . Dat je daar de geest, de ziel of in ieder geval HET GENERERENDE PRINCIPE kon voelen. Dat waarin alles besloten lag, als een eikenboom in een zaadje. En dat je alles wat daarin besloten lag als het ware tot leven kon voelen komen . . . kon voelen leven; als . . . de eikenboom in het zaadje. M.a.w. dat in de delen principes lagen en gehelen, en in het individuele het universele.


Was er iets op de campagne wat ons aansprak? Iets wat ons raakte of roerde? Wat tot de verbeelding sprak? Dan riep dat al gauw veel op, en veel op zijn beurt weer meer, meer en nog meer . . . En dan beleefden we precies wat we de flux en de reflux noemden.

Lag nu evenzo in ieder meisje het principe waaruit zij ontstaan was? Was een vrouw aan de oppervlakte een verschijningsvorm? Een manifestatie? Een individu? Maar in de kern een principe en een 'plénitude'?

Was er iets geweest in Madame de Warens dat Rousseau diep had getroffen? Iets dat hem meevoerde naar het volledige en volmaakte? Voelde hij in zijn 'maman', zoals hij haar pleegde te noemen, niet de natuur, de geest, de ziel of de werkzame kracht van het Vrouwelijk, of hoe je het ook maar noemen wilt? Bevredigde zij hem niet ten volle met HAAR VEELVULDIGHEID EN ESSENTIE? Zo telde niet alleen wat Jean-Jacques zinnen streelde, maar haar HELE wezen, haar essentie, dat wat maakte wie zij was. Iets dat onvergankelijk was, of dat zij in ieder geval slechts dan kon kwijtraken wanneer zij er niet langer meer zou zijn. Iets dat hen in de essentie met elkaar verbond. Haar diepste wezen moest eerst en vooral vrouwelijk (of misschien zelfs wel hét Vrouwelijk) zijn. Want waar Rousseau (als heteroseksuele man) van nature dringend behoefte aan had, waar hij naar hunkerde en naar smachtte was, zoals hij zich liet ontvallen, de campagne, de natuur en vooral een vrouw.


Qu'on se représente mon tempérament ardent et lascif, mon sang enflammé, mon coeur enivré d'amour / . . . / ; que l'imagination, le besoin, la vanité, la curiosité se réunissaient pour me dévorer de l'ardent désir d'être homme et de le paraître. Qu'on ajoute surtout /. . . / que mon vif et tendre attachement pour elle n'avait fait qu'augementer de jour en jour ; que je n'étais bien qu'auprès d'elle / . . . / que j'avais le coeur plein, non seulement de ses bontés, de son caractère aimable, mais de son sexe, de sa figure, de sa personne, d'elle, en un mot, par tous les rapports sous lesquels elle pouvait m'être chère.



Nous commençames , sans y songer, à ne plus nous séparer l'un de l'autre, à mettre en quelque sorte toute notre existence en commun, et sentant que réciproquement nous nous étions non seulement nécessaires, mais suffisants, nous nous accoutumâmes à ne plus penser à rien d'étranger à nous, à borner absolument notre bonheur et tous nos désirs à cette possession mutuelle / . . . / une possession essentielle, qui, sans tenir aux sens, au sexe, à l'âge, à la figure, tenait à tout ce par quoi l'on est soi, et qu'on ne peut perdre qu'en cessant d'être.


Van MADEMOISELLE Lambercier kwam Rousseau bij MADAME de Warens. Van een onweerstaanbaar streven, vurige verlangens en dringende behoeftes, van een onbedwingbaar willen voelen, weten en kennen, van seksuele driften en verzameldrift, van een zoeken en een vrijen in figuurlijke, maar ook in letterlijke zin, kwam hij bij het doel van zijn streven, bij wat hij zocht, bij de bevrediging, bij het volmaakte en het volledige, en bij de beleving daarvan, het orgasme, maar hier uitsluitend en alleen in figuurlijke zin. Van een wekken en een ontwaken, van een zuchten en een zoeken naar, kwam hij bij een vinden en een bereiken. Madame de Warens was zijn bestemming, zijn haven, zijn huis en zijn haard . . . Hij was geboren om haar lief te hebben.


Je l'aimais parce que j'étais né pour l'aimer.


Maar wie was zij, deze Madame de Warens? Was zij een vrouw uit Rousseau's leven? Was zij een mens? Een persoon? Of eerder een personage? Een protagonist uit een geïdealiseerd levensverhaal? Uit een idylle? Was zij een creatie? Een literaire creatie? Was zij de verbeelding van gevoel? Van gevoelens? Of was zij de belichaming van Rousseau's ideeën en idealen? Was zij als een hoofdstuk uit een schoolboek? Was zij er om te illustreren en te verduidelijken? Of was zij de beleving van een vrouw? Vanuit Jean-Jacques gevoel? Vanuit zijn dromen? Vanuit zijn leven en idealen? Vanuit zijn natuur? Of was zij van alles? Van alles wat? Nu weer eens dit en dan weer eens dat?

Laten we niet vergeten dat Rousseau, zeker in zijn 'Confessions', werkte vanuit zijn gevoel en dat hij er niet voor terugschrok om zichzelf zo nu en dan behoorlijk tegen te spreken (of schijnbaar tegen te spreken). Zo kon hij eerst niet buiten de aanwezigheid van de campagne om te kunnen voelen, denken en zichzelf te zijn, terwijl hij nog geen paar pagina's verder de lente alleen kon schilderen in de winter, in haar volle afwezigheid dus. Onze filosoof was duidelijk eerder op zoek naar inzicht en wijsheid dan naar sluitende systemen en dichtgetimmerde theorieën. Gevoel was voor hem een belangrijke kennisbron, en de opeenvolging van zijn gevoelens de kapstok van zijn geheugen.


Je n'ai qu'un guide fidèle sur lequel je puisse compter, c'est la chaîne des sentiments qui ont marqué la succession de mon être, et par eux celle des événements qui ont été la cause ou l'effet


In 'Les Confessions' is Rousseau voornemens een man in de grond van zijn natuur te schilderen. Daarbij zal hij Madame de Warens in zijn boek zowel uit zijn levensgeschiedenis als uit zijn gevoel hebben opgetrokken. Zowel uit de externe wereld als uit zijn binnenwereld. Waar het hier echter om gaat is dat zij de belichaming is van een bewustzijn, van het besef dat bij ieder streven een ideaal hoort en bij iedere behoefte een volledige bevrediging. Of hij dat nu in volledige verbinding met zijn Madame uit de buitenwereld of die in zijn binnenwereld, of in beide heeft beleefd, is hier even niet van belang.

Bedoelde hij zijn hartstochtelijke woorden, 'ik ben geboren om van haar [Madame de Warens] te houden', letterlijk? Had hij het letterlijk over haar? Hij zal ongetwijfeld zielsveel van haar hebben gehouden en dat óók wellicht letterlijk hebben bedoeld. Maar hij zal het hoogstwaarschijnlijk ook in figuurlijke, of in ieder geval in bredere zin hebben bedoeld. Zodat we de zin kunnen lezen als, 'ik ben als man vanuit mijn natuur bestemd om van het Vrouwelijk te houden'. Van het Vrouwelijk als natuurverschijnsel, als natuurprincipe en als natuurkracht. Mogelijk verschilden zijn gevoelens hieromtrent niet veel van die van de mensen uit de Oudheid. Mensen die het Vrouwelijk vereerden en zelfs aanbaden als een universele geest of ziel. Ja, zelfs als godin of als godinnen.


Evenzo doet Rousseau's passionele bekentenis denken aan de beschouwingen van Aristoteles in zijn 'Over de Ziel', waarin deze Oude Griek het streven aan het leven koppelde, en het leven aan de ziel. Want zal onze Franse filosoof niet hebben gezucht naar de verwerkelijking van zijn hartstochtelijke streven? Naar de verbinding met het Vrouwelijk? Naar de 'bevredigende' verbinding met het Vrouwelijk? Naar de volledige verbinding? Met het volmaakte Vrouwelijk? Naar het Feminien in haar machtige, krachtige principe en in haar mooiste, meest overweldigende verwerkelijking? En heeft hij dat misschien in zijn Madame de Warens mogen beleven?


Bij momenten wellicht. Rousseau vroeg zich immers in een melancholieke stemming af of het de mens überhaupt wel gegeven was om volledig van het volmaakte te kunnen genieten. Mogelijk, of zeker wel, maar bij vlagen. Op geprivilegieerde momenten. Niet permanent. Bovendien wordt het meeste streven zelden tot nooit volledig verwezenlijkt, en wordt ons genieten voortdurend verstoord. Zeker in onze onrustige samenleving vol stoorzenders.

Toch mochten wat onvolkomenheden en onvolmaaktheden talloze romantische belevingen van het Vrouwelijk niet in de weg staan. Want voelden een Petrarca, een d'Urfé en een de Lorris in idyllische landschappen en weelderige natuur niet zoiets als Haar scheppende kracht? Die van het Vrouwelijk? Het Mannelijk? En hun versmelting? Want laten we eerlijk zijn, komt uiteindelijk niet al het leven daaruit voort?!

Complexiteit

Niet alles is volmaakt. Niet alles is rozengeur en maneschijn. Rousseau confronteert ons met de complexiteit van ons wezen en van ons bestaan. Zo lijken de krachten die ons aandrijven en die ons bezielen lang niet altijd netjes in dezelfde richting te werken. En zo kan ons geheugen in al haar barmhartigheid tegenwicht bieden aan ons voorstellingsvermogen dat ongenadig kan vooruit blikken op een afschrikwekkende toekomst.


Ma mémoire qui me retrace uniquement les objets agréables, est l'heureux contrepoids de mon imagination effarouchée, qui ne me fait prévoir que de cruels avenirs.


Rousseau had oog voor de complexiteit van ons wezen en van ons bestaan. We bestaan uit een heel samenstel van vermogens die kunnen samenwerken, die elkaar kunnen versterken en die in elkaar kunnen grijpen, maar die elkaar ook juist tegenwicht kunnen bieden of zelfs tegenwerken. Daarbij komt dat we in ons leven verschillende stadia doorlopen. Wat kunnen we hieromtrent afleiden uit Rousseau's werk?

*Om te beginnen vergaren we (zeker als kleine kinderen) met onze verschillende zintuigen van allerlei informatie over de wereld om ons heen. Die verschillende waarnemingen stromen samen in indrukken, in belevingen, in gevoelens, in gevoel.
*Dat gevoel, die gevoelens en die indrukken worden vervolgens opgeslagen in ons geheugen. Daar liggen ze te wachten tot ze worden gewekt als zaden door de lentezon. Gewekt door de directe context, de omstandigheden, de associatie.
*De associatie, waarmee we direct komen op een belangrijk derde menselijk vermogen. Naast onze zintuiglijke waarneming en ons geheugen, hebben we namelijk ook nog eens ons voorstellingsvermogen, onze verbeeldingskracht of onze 'imagination', zoals Rousseau dat noemt. Zoals we hebben gezien, kan dit vermogen ons meevoeren vanuit de directe context in een heel web van associaties, verder en verder, van losse enen naar een of misschien zelfs wel het geheel. Iets dat we kunnen ervaren als stemming of sfeer, en dat ons in een hogere gemoedsstemming kan brengen, in vervoering, in extase. IN EEN ROES . . .
*Echter: Ons voorstellingsvermogen kan ook werken als een chef-kok in de keuken van ons geheugen. Mengen, combineren en associëren is haar kunst. Zij kan ons van een druppel naar de zee brengen, en van een gevoel van gemis naar het bewustzijn van het volmaakte, het volledige. Naar het innerlijk beleven van het zuivere, het absolute, het al.
Daarmee kan een op het verleden gericht voorstellingsvermogen dienen als heelmeester, en lijnrecht komen te staan tegenover een meer op de toekomst gericht voorstellingsvermogen. Zo te zien, zet onze verbeeldingskracht de overige raderen van onze belevingswereld in gang, evengoed als zij op haar beurt door hen wordt aangedreven.

Maar staat onze zintuiglijke waarneming dan eigenlijk wel volledig onbevangen tegenover de directe context? Als een onbeschreven blad? Absoluut niet. Ons geheugen grijpt diep in op de werking van onze zintuigen, waarbij vele herinneringen worden wakker geschud door de prikkels die we opvangen in het hier en nu.

En klinkt daarin niet regelmatig de stem door van de natuur? Waarschuwt zij ons niet- laat los, spuug uit of wegwezen!- of roept zij ons niet, lonkt zij niet of lokt zij ons niet- kom, pak, voel, proef of aai . . .! -. Voelen we haar niet? En geeft ze ons geen bergen gevoel? We zijn middenin 'Emile ou de l'Éducation' beland, waarin Rousseau ons leert hoe we de natuur als wijze leermeester, of liever meesteres, in ons kunnen wekken, hoe zij in ons werkt, en hoe wij ons gevoel voor haar kunnen ontwikkelen en verfijnen.

We hebben hier in ieder geval duidelijk te maken met ingrijpende interacties tussen onze verschillende vermogens:

*tussen onze zintuiglijke waarneming en ons geheugen

*tussen onze zintuiglijke waarneming en ons voorstellingsvermogen

*tussen ons geheugen en ons voorstellingsvermogen

De werking van dit interactieve geheel wordt in hoge mate bepaald door de levensfase waarin wij verkeren. Bij een klein kind zal het accent veel meer liggen op het ontdekken van de wereld om hem of haar heen, op de inprenting en dus op de zintuiglijke waarneming met de opslag van informatie. Bij een oude man of vrouw zullen daarentegen herinneringen een grotere rol spelen, en dus het geheugen, met het ophalen van informatie.

De rol van ons voorstellingsvermogen is in deze verschillende stadia ook beduidend anders. Bij de kleine Jean-Jacques op de campagne werkten vooral zijn verbeeldingskracht en zijn zintuiglijke waarneming op elkaar in. Hoewel we niet moeten vergeten dat er van alles in hem gewekt werd. Waren het een soort Platonische ideeën? Kennis uit een voorafgaand leven? Of was het, meer in lijn met Rousseau's filosofie, de natuur in ons die we met onze geboorte hebben meegekregen? Kort en goed waren het echter géén herinneringen die het kind zélf in zijn of haar geheugen had opgeslagen.

De Rousseau uit later tijden was daarentegen in een levensfase beland waarin het vooral zijn geheugen was dat zijn voorstellingsvermogen voedde. (En andersom?) Dit verklaart precies de schijnbare tegenspraak waar we het eerder over hadden. Waarom de jonge Jean-Jacques niet buiten de 'externe' zintuiglijke waarneming en de directe, 'externe' aanwezigheid van de natuur kon om te kunnen denken. Om te kunnen zijn wie hij was. Terwijl de mentaal rijpere Rousseau de natuur in zich juist níet van buitenaf, maar vooral van binnenuit moest wekken. Daarbij moest zijn voorstellingsvermogen de ruimte krijgen: Wilde hij de lente schilderen? Dan had hij de winter nodig. In deze levensfase had hij vaak meer aan externe áfwezigheid dan aan externe áánwezigheid, en meer aan zijn geheugen en zijn verbeeldingskracht dan aan zijn naar buiten gerichte zintuigen. Leefde hij toen meer in zijn binnen- dan in zijn buitenwereld?

Is ons gevoel toch een bron van bedrog?

Ons gevoel kon een goede gids zijn in de natuur. Maar kon het ons niet evengoed verstrikken in waanideeën? Of erger nog misschien, ons vangen in waanwerelden?

Mocht Madame de Warens misschien een zegen zijn, mocht zij misschien Rousseau bij de hand nemen om hem mee te voeren naar het wezen van zijn bestaan, mocht dat allemaal zo zijn, dan nog komen we op zijn levensweg vele schaduwkanten van ons gevoel tegen. Van theatrale liefdes, berekening, schijn en bedrog tot frustraties, begeertes en perverse lusten . . .

De wereld was vervreemd, maar Rousseau niet wereldvreemd. Als geen ander begreep hij wat verbinding en wat vervreemding inhielden, en misschien belangrijker nog wat er aan deze verschijnselen ten grondslag lag. Hij was zich er terdege van bewust dat ons gevoel ons kon verbinden, maar ons ook juíst hopeloos kon vervreemden, van onszelf, van de ander en van de hele wereld om ons heen. Dat er al met al natuurlijk en verbindend gevoel moest bestaan, evengoed als onnatuurlijk of liever verworden en vervreemdend gevoel. (De vraag blijft alleen hoe het onnatuurlijke ooit uit het natuurlijke heeft kunnen ontstaan.)

'Suppleëren' (suppléer)

In het werk van Rousseau stuitten we op een fundamenteel probleem:

Want wat drijft toch die wig tussen ons goede, 'benefieke' gevoel en ons kwade, 'malefieke' gevoel?

Goed of 'benefiek' in de zin dat zij 1) een bron van betrouwbare kennis kan zijn 2) ons kan verbinden met en laten wortelen in de natuur en 3) ons in een gezonde, gelukzalige roes kan brengen.

Kwaad of 'malefiek' in de zin dat zij 1) ons kan benevelen met waanideeën oftewel een bron van bedrog kan zijn 2) ons juist kan vervreemden van de natuur en 3) ons kan verblinden in een mist van kwaadaardige spinsels.


Nous naissons sensibles, et, dès notre naissance, nous sommes affectés de diverses manières par les objets qui nous environnent. Sitôt que nous avons pour ainsi dire la conscience de nos sensations, nous sommes disposés à rechercher ou à fuir les objets qui les produisent / . . . / Mais contraintes par nos habitudes, elles s'altèrent plus ou moins par nos opinions. Avant cette altération, elles sont ce que j'appelle en nous la nature.


Wanneer we de lange lijn van Lascaux tot aan Rousseau volgen- die meer zegt over een continuüm in de menselijke natuur dan over culturele beïnvloedingen- , dan kunnen we een aantal aannames doen en aantal afleidingen maken die ons kunnen helpen meer helderheid te krijgen in deze kwestie:

A
Wat leert de 'Lascaux-Rousseau-lijn' ons over de natuur? En wat kunnen wij daaruit opmaken?

*In de natuur is alles TEN OPZICHTE VAN: Zo is een vis vanbinnen (belevingswereld/ instinct) en vanbuiten (vinnen/ kieuwen) gevormd door en gebouwd op het water. In bredere zin ZIJN levende wezens T.O.V. hun natuurlijke leefomgeving (habitat) en het Mannelijk t.o.v. het Vrouwelijk (en vice versa), op individueel en universeel niveau.

*Dit T.O.V. wekt streven op, verlangen, smachten en hunkeren naar. Zo zal een waterschildpadje dat net uit het ei kruipt zich spoeden van het zand en het strand naar de zee . . . , en een mannetje driftig op zoek gaan naar een vrouwtje . . .

*Dat waar T.O.V. wij zijn, is aantrekkelijk, lokt, lonkt, trekt aan, kan onweerstaanbaar zijn . . . , zoals een vrouwtje dat voor een mannetje kan zijn of voor een schildpad . . . de zee . . .

*De natuur leeft bij de gratie van aantrekking en aantrekkelijkheid & van schoonheid en gevoel voor schoonheid. De natuur is de moeder van alle kunst en gevoelskunst.

*Aantrekking en aantrekkelijkheid wekken verlangen op, energie, levensenergie. Zij hebben creatieve kracht.

*De natuur trekt aan, creëert, kruist en combineert, brengt voort en genereert: Zij heeft generatieve en creatieve krachten.

B

Tot zo ver de natuur buiten ons. De natuur in ons nu:

*De mens is in en uit de natuur ontstaan. De mens maakt deel uit van de natuur.

*De natuur is onze oorspronkelijke leefwereld (habitat). Wij mensen ZIJN T.O.V. de natuur. Vanbinnen en vanbuiten.

*Wij zijn t.o.v. een generatieve werkelijkheid. T.o.v. principes, delen en gehelen. T.o.v. het individuele en het universele. T.o.v. machten, krachten en energieën, velden, sferen en verschijnselen . . .

*Wij zijn t.o.v. de natuur in verschillende hoedanigheden en op verschillende niveaus.

*Derhalve verlangen wij (van nature) naar de natuur, de campagne en naar het Mannelijk of Vrouwelijk, op verschillende niveaus en in verschillende hoedanigheden.

*Dat waarnaar wij verlangen, kennen we van binnenuit. Zo leeft het schildpadje niet alleen in de zee, maar de zee ook in het schildpadje. Zij is haar leefwereld vanbinnen en vanbuiten . . .

*Wij kennen de natuur, de campagne, het Mannelijk en het Vrouwelijk van binnenuit. We kunnen ze innerlijk waarnemen en beleven, en HER- kennen in de wereld om ons heen . . .

*Met ons 'natuurlijke' voorstellingsvermogen kunnen we daarbij van delen naar gehelen gaan, en van gehelen weer naar hun generatieve principes. We kunnen van het individuele opgaan in het universele (de flux), om vervolgens het universele weer in het individuele terug te vinden (de reflux).

*Daarbij kunnen we in een gezonde en gelukzalige roes raken. Of zelfs in vervoering . . .

*Ons 'natuurlijke' voorstellingsvermogen heeft een generatief vermogen waarmee wij de natuurlijke werkelijkheid kunnen leren kennen en waarnemen, en dat in haar volle lengte en breedte, en in al haar dimensies. Of dit alles toch op zijn minst tot op zekere hoogte.

*Ons 'natuurlijke' voorstellingsvermogen kan ons meevoeren naar het grootse, het overweldigende . . . het sublieme.

*Zij kan kruisen, creëren en combineren, associëren en ons 'verder laten komen dan daar waar wij staan'.

*NB(1) Dat waardoor wij gevormd zijn en waarop wij gebouwd zijn, spiegelt zich in onze binnenwereld. Derhalve spiegelt het Vrouwelijk zich in het Mannelijk (en vice versa). Yin & Yang.

*NB(2) De natuur spiegelt zich in ons innerlijke (en uiterlijke) wezen. Dankzij haar kunnen we leven en overleven.

*NB (3) De wiskunde heeft generatieve kracht. Wij hebben haar op intuïtieve wijze gevonden. D.w.z. dat wij haar hebben ontdekt in onze binnenwereld.

*NB (4) De wiskunde ligt met haar generatieve kracht niet alleen ín ons, maar ook buíten ons, in het hele universum: De kosmos met al wat daarin is steekt wiskundig in elkaar.

*De generatieve werkelijkheid spiegelt zich in onze binnenwereld . . . Zo binnen, zo buiten (Carl Jung).

*Onze binnenwereld is T.O.V. : Dat waar t.o.v. wij zijn wekt verlangen in ons op. Denk hier, bijvoorbeeld, aan een hevige verliefdheid. Die brandt niet alleen in ons innerlijke wezen, maar ook in ons hele lichaam: De binnenwereld drijft het lichaam aan. Terwijl ons lichaam ons innerlijke wezen op volle toeren laat draaien . . .

*Onze binnenwereld 1) is t.o.v. 2) werkt generatief 3) conform de natuur 4) kan ons in hogere gemoedstoestanden brengen en 5) ons het sublieme laten beleven. In de beweging van de liefde 6) drijven onze binnenwereld en ons lichaam elkaar aan. (Zodat, evenals bij een goed gedicht waar inhoud vorm wordt en vorm inhoud, lichaam en geest in elkaar draaien; 'coeur > corps > coeur . . . ')

*In en vanuit de binnenwereld kan de liefde volledig en volmaakt zijn. Ideaal. En derhalve bepaalde liefdeservaringen subliem.

*NB Voor vele 'Hoofse zielen' was de liefde een ladder naar het hogere, het goddelijke en/ of ideale. De weg voor Kunst.

C


C'est l'histoire de mon âme que j'ai promise, et pour l'écrire fidèlement je n'ai pas besoin d'autres mémoires : il me suffit, comme j'ai fait jusqu'ici, de rentrer au-dedans de moi.


*In onze binnenwereld 'slaapt' een heel universum dat 'gewekt' kan worden en dankzij ons voorstellingsvermogen in (misschien wel) al haar dimensies en (misschien wel) in haar volle lengte en breedte kan worden 'opgediept', beleefd en/ of innerlijk waargenomen.

*Delen en/ of lagen van onze binnenwereld kunnen worden 'gewekt' in interactie met onze directe omgeving. Onze zintuigen wekken, en ons innerlijke wezen HER- kent en/of RE- genereert. Creëert conform de natuur . . .

*Zijn het enkel zintuiglijke waarnemingen die een hele wereld in ons tot leven kunnen wekken? Zeker niet. Want ook herinneringen uit dit of uit een ander (?) leven- of waar vandaan?- kunnen van alles in ons laten herrijzen, herleven en herbeleven. En van daaruit kunnen we kruisen, combineren en creëren . . . , zodat we de lente kunnen schilderen in de winter, en de vrijheid in een gevangenis.


*Maar wat als die 'slapende' wereld in ons steeds minder en steeds moeizamer ontwaakt? Zoals bij een winter die niet wijken wil, en waarbij al het leven onder de grond en in de knoppen, in diepe rust blijft?


D

*Zijn wij steeds minder in en vanuit onze binnenwereld gaan beleven? En steeds meer 'van buitenaf'? 'Op afstand'? Minder vanuit ons hele lichaam? Minder vanuit onze ziel? Maar meer vanuit ons brein?

*Een dergelijke 'externalisering' of middellijk beleven middels ons brein zagen we al opduiken bij de scholastieken (waaronder Abaelardus). Maar vond die beweging van binnen naar buiten niet op grotere schaal plaats? En was Abaelardus benadering niet symptomatisch voor een veel bredere ontwikkeling? Bij de hele mensheid? Of toch op zijn minst bij een groot deel van de mensheid?

*Hoe dan ook kwamen wij steeds meer in een onnatuurlijke omgeving te leven, steeds meer en steeds verder afgesneden van natuur en platteland. Steeds minder streelden zij daarbij onze zintuigen en steeds verder stompte de beleving vanuit onze binnenwereld af.

*En ook ons leven ging steeds minder draaien om onze natuur. Om ons eigenlijke, eerlijke, oorspronkelijke mens-zijn. Om ons wezen- wie wij in de grond van onze natuur waren- en om ons wezenlijke leven. Als man, als vrouw, als vader, moeder, broer of zus, als zoon of dochter, neef of nicht, als vriend, vriendin, buurman of buurvrouw, als medemens, als naaste . . . Als mensen die er voor elkaar waren en die vergroeid waren met natuur . . .

*Daarentegen hulden wij elkaar steeds meer in een mist van mentale en maatschappelijke constructen. Een mist waarin we onze oorspronkelijke leven en leefwereld steeds verder uit het oog verloren. Erger nog: steeds minder beleefden en doorleefden.

*Gevolg: steeds minder werden onze lichamelijke verlangens gewekt, gevoed en aangedreven door onze binnenwereld. En steeds minder wisten we daarbij onze lichamelijke behoeften op een natuurlijke en bevredigende wijze te bevredigen. Ons natuurlijke voorstellingsvermogen sukkelde steeds verder in. En steeds minder raakten wij in een natuurlijke roes. Steeds kaler werd ons leven.

*Maar we voelden de leegte die de verlangens van onze binnenwereld in onze lichamen achterliet. Lichamelijke verlangens gierden nog in onze lijven, als wolven die huilden naar de maan. Hulptroepen traden aan: Ons brein nam het van onze binnenwereld over, en probeerde een draai te geven aan onze lichamelijke behoeften en bevredigingen. Paradoxaal genoeg werden deze 'primitiever'; minder mooi, minder romantisch en minder subliem, minder volledig en minder volmaakt . . . minder bevredigend. Minder 'suffisant'. Ze perverteerden. Terwijl wij 'suppleëerden'. We probeerden op een onnatuurlijke en oneigenlijke wijze invulling te geven aan iets waarvan de oorspronkelijke betekenis en de eigenlijke inhoud ons waren ontgaan. Ontsnapt.
*'Satanische' kanten overschaduwden nu het sublieme karakter van onze eigen, eerlijke en oorspronkelijke seksualiteit. In de malle molen van ons 'suppleëerende' brein draaiden vele verworden en verwrongen verlangens en fantasieën hun rondjes mee . . . Let wel: ook ons brein werkt generatief!

*Rousseau schroomde in zijn 'biecht' niet om de schaduwkanten van zijn seksuele behoeften en bevredigingen te schilderen. Niet alleen die van zichzelf, maar ook die van anderen. En dat laatste niet omdat hij zijn eigen straatje wilde schoonvegen of zijn eigen 'zonden' wilde laten verdwijnen in de overvloed aan 'zonden' van ons allen. Onze 'biechteling' stelde hier namelijk een belangrijk fundamenteel en filosofisch probleem aan de orde.

*Conclusie: er lijkt een groot verschil te bestaan tussen ons 'vanuit-de-binnenwereld-aangedreven en -gevoede' gevoel en ons 'vanuit-het-brein-suppleërende' gevoel. Het eerste werkt verbindend terwijl het tweede vervreemding in de hand werkt.

*Vanuit deze optiek kunnen we drie belangrijke kennisbronnen onderscheiden:

I De binnenwereld (waar wij o.a. onze intuïtie aan te danken hebben)

II Het brein dat kennis vanuit de binnenwereld opdiept en (los van het moment en van de directe context) verder kan overdenken en ontwikkelen (denk hierbij aan de wiskunde)

III Het brein dat (in verregaande mate) los van de binnenwereld werkt, en dat vanuit zijn eigen bubbel van allerlei mentale en maatschappelijke constructen voortbrengt (die steeds verder los komen te staan van de natuur en van de aard en het wezen van de mens)

*Wellicht bepaalt kennisbron II wel in hoge mate het succes van de mens, terwijl III weleens het einde van de mens en van onze aarde zou kunnen betekenen.

*Een van de belangrijkste uitdagingen voor de wetenschap is waarschijnlijk hoe we toegang kunnen krijgen tot de kennisschat die ligt opgeslagen in onze binnenwereld en hoe we deze verder kunnen ontwikkelen en gebruiken.

De verbanning

De aansturing vanuit onze binnenwereld verzwakte, met alle dramatische gevolgen van dien. Rousseau mocht dit aan den lijve ondervinden:

In de belevingswereld van de kleine Rousseau ademde de campagne een en al rechtvaardigheid. Maar zijn gevoel voor rechtvaardigheid zou helaas al gauw jammerlijk worden getart. Jean-Jacques en zijn neef werden namelijk valselijk beschuldigd van iets waar zij part noch deel aan hadden gehad. De tanden van de kam van mademoiselle Lambercier waren afgebroken en alleen de jonge Rousseau zou op haar kamer zijn geweest. Dat betekende, wat al te kort door de bocht geredeneerd, dat Jean-Jacques en zijn kameraad wel de daders moesten zijn. Ze kregen niet alleen billenkoek, maar meer nog het gevoel dat ze onrechtvaardig waren behandeld. Deze onheuse behandeling bracht een zware schok teweeg, die voor altijd zou blijven natrillen in de ziel van onze Frans-Zwitserse filosoof. Telkens wanneer hij werd geconfronteerd met wat alleen al in de verste verte naar onrechtvaardigheid rook, waar maar ook, vlamde zijn hart weer op, en was het alsof hij er zélf het slachtoffer van werd. Zijn oude wonden werden er weer van opengereten, en die oude pijn brandde weer in zijn ziel. Die van dat allereerste, onverteerbare gevoel van oneerlijkheid dat in zijn geheugen gegrift stond.


Ce premier sentiment de la violence et de l'injustice est resté si profondément gravé dans mon âme, que toutes les idées qui s'y rapportent me rendent ma première émotion , et ce sentiment, relatif à moi dans son origine, a pris une telle consistence en lui-même, et s'est tellement détaché de tout intérêt personnel, que mon coeur s'enflamme au spectacle ou au récit de toute action injuste, quel qu'en soit l'objet et en quelque lieu qu'elle se commette, comme si l'effet en retombait sur moi.


De gebeurtenis bracht een ware aardschok teweeg in de belevingswereld van Jean-Jacques. Zijn hele wereld stortte in. En het betekende onverbiddelijk het einde van zijn onbevangen kinderleventje. Erger nog: het voelde voor hem als Adam die in lijf en leden dan nog wel in het aardse paradijs mocht zijn, maar die daar met zijn hart al niet meer mocht verkeren. Die daar geen plezier meer aan mocht beleven. Voor wie al die genietingen voorbij waren . . .


Là fut le terme de la sérénité de ma vie enfantine. Dès ce moment je cessai de jouir d'un bonheur pur, et je sens aujourd'hui même que le souvenir des charmes de mon enfance s'arrête là. Nous restâmes encore à Bossey quelques mois. Nous y fûmes comme on nous représente le premier homme encore dans le paradis terrestre , mais ayant cessé d'en jouir.


Op slag veranderde Rousseaus blik op het platteland. Het werd in zijn ogen plotseling somber en kaal. Verlaten, leeg en desolaat. De leugen kwam bij hem niet vóór, maar ná de verbanning. Hij werd opstandig en welhaast blind voor al haar schoonheid. Het onschuldige leventje in harmonie met de natuur kwam ten einde.


/ . . . / nous commencions à nous cacher, à nous mutiner, à mentir. Tous les vices de notre âge corrompaient notre innocence, et enlaidissaient nos jeux. La campagne même perdit à nos yeux cet attrait de douceur et de simplicité qui va au coeur : elle nous semblait déserte et sombre ; elle s'était comme couverte d'un voile qui nous en cachait les beautés. Nous cessâmes de cultiver nos petits jardins, nos herbes, nos fleurs.


Alleen hoe kon dat?! Hoe kon de campagne zo haar charme verliezen?

We kunnen ons daar wel een beeld bij vormen. Laten we even terugkeren naar die voettocht waarop Rousseau niet langer in de Zevende Hemel was. De Franse filosoof zag de bergen, de beken en de bomen, maar zij vormden niet langer dat grote geheel dat hem altijd zo dronken voerde. Zeker, het waren mooie bergen, mooie beken en mooie bomen, alleen waren het losse bergen, losse beken en losse bomen. Zij namen hem niet langer mee in hun flux. En niet langer mee in hun reflux. Waardoor die eerlijke, die heerlijke en die betoverende sfeer ontbrak . . .

Laten we onze ontgoochelde filosoof weer even achter ons laten om weer te keren naar zijn kinderjaren. Naar het kleine ventje dat na een valse beschuldiging een geducht pak op zijn billen had gekregen, en dat meer dan fysieke pijn een gevoel van onrecht voelde branden.

De campagne had tot dan toe nog altijd het hart van ons kleine kereltje geraakt. Hij droeg haar . . . in zijn hart. In zijn binnenwereld. Evengoed als zijn ingeboren gevoel voor rechtvaardigheid.


/ . . . / que le sentiment du juste & de l'injuste fût inné dans le coeur de l'homme


Wanneer nu zijn binnenwereld als een web was waarin alles met elkaar samenhing, zo zullen daar ook zijn geliefde campagne en rechtvaardigheid met elkaar verweven zijn geweest. In de campagne moest hij rechtvaardigheid hebben gevoeld, en in rechtvaardigheid de campagne.

Tegelijkertijd verkeerde het ventje nog in die eerlijke, eigenlijke, oorspronkelijke toestand waarin zeker in van die idyllische landschappen binnen- en buitenwereld elkaar weerspiegelden. Waarin binnenwereld buitenwereld was, en buitenwereld binnenwereld. Waarin hij nog volledig geassocieerd was met de natuur.

Maar dan . . . kwam daar die kwade dag waarop het 'recht' van de buitenwereld in schril contrast kwam te staan met Rousseau's ingeboren gevoel voor rechtvaardigheid. De campagne ademde niet langer meer die vanzelfsprekende eerlijkheid. Niet om hem heen . . . , maar ook niet langer meer in hemzelf. In zijn beleving. Het geheel verbrokkelde. Viel uit elkaar in losse elementen. In losse bomen, in losse beken en in losse bergen. De campagne vormde niet langer meer die ladder naar het sublieme. Het tij keerde. De flux zwakte af. Verzwakte. Verstilde. Vervlakte. Alles werd somber en kaal . . .

Geen flux meer en geen reflux meer . . . Geen roes, geen vervoering, geen extase . . . Geen paradijselijke toestand meer . . . Rousseau voelde zich verbannen . . . Verbannen uit zijn binnenwereld en verbannen uit zijn paradijs. Verbannen uit zijn 'goddelijke' gemoedstoestanden. Waardoor de campagne om hem heen op slag haar charme verloor. Haar betoverende werking. Haar bekoring . . .

Rousseau's gevoelens van onrecht kwamen op zichzelf te staan, balden zich samen en konden daardoor, paradoxaal genoeg, weer tot een uitbarsting komen.

Verder weg van onze binnenwereld

Had de rede ons verdreven uit het paradijs? Uit een toestand waarin dé natuur en ónze natuur in elkaar overvloeiden? Waarin we ons terugvonden in de natuur? En de natuur in ons? Waarin we volledig geassocieerd waren?

Was het werkelijk dé rede die ons verbannen had? Of was het alleen díe 'rede' die onze binnenwereld op afstand zette? En was er misschien nog een andere rede? Eentje die wortelde in onze natuur? Die daar uit voortkwam? En daaruit voortsproot?

Hoe het ook zij, Rousseau moest tot zijn verdriet vaststellen dat wij mensen in verregaande mate waren vervreemd. Paradoxaal genoeg óók vanuit onze natuur, maar nu niet vanuit onze hele natuur, niet vanuit ons hele lichaam en niet vanuit onze hele binnenwereld, maar wel vanuit onze rede, ons verstand, ons brein, of zelfs, zoals later mocht blijken, maar vanuit een hersenschilletje. Vanuit een 'hoge toren', een functie, een orgaan dat de natuur, inclusief onze eígen natuur 'daar ergens in de diepte' op afstand zette en van buitenaf of 'bovenaf' bekeek. Van zo ver zelfs dat onze oorspronkelijke en eigen wereld uit het zicht raakte . . .

Maar onze hersenmolens draaiden door en 'spuwden' er in een niet of nauwelijks meer te stoppen beweging van allerlei vervreemde en vervreemdende gedrochten uit. Mentale constructen en maatschappelijke maaksels die ons nog verder de vervreemding in hielpen. Een vicieuze cirkel . . .

De vervreemding sloeg genadeloos toe. Iets dat zelfs Sint Franciscus al- wanneer was het?- ergens in de middeleeuwen alarmeerde. Als vissen waren wij uit ons water verjaagd. Onze oorspronkelijke leefwereld raakten wij goeddeels kwijt, en ons eigenlijke leven waarin ons wezenlijke zijn volop de ruimte kreeg, kwam zwaar in de verdrukking.

Een trieste stoet vervreemdingen trok aan onze observators voorbij: Van vervreemding van onze natuur tot aan institutionele vervreemding, van vervreemding van de natuur tot aan arbeidsvervreemding, en van vervreemding van je naaste tot aan seksuele vervreemding. Om van vervreemding van kunst en natuurschoon nog maar niet te spreken.

Ten Opzichte Van

Misschien is de essentie van Rousseaus filosofie wel dat niets op zichzelf staat. Alles is ten opzichte van . . . Zo kunnen we een vis niet los zien van het water, een vogel niet van de hemel, een slingeraap niet van de bomen en een mens niet van de natuur, het mannelijk niet van het vrouwelijk en een man niet van een vrouw . . .

Daarbij is de sleutel voor vrijheid, gelijkheid en broederschap verbinding en verbondenheid vanuit je natuur, en is het ook daar waar het geheim ligt van de liefde, en van de roes van campagne, kunst en wijsbegeerte.

'Ten opzichte van zijn'
levende wezens/ leefomgeving
vissen/ water ; vogels/ hemel ; slingerapen/ bomen
mens/ natuur
mens/ campagne
Mannelijk/ Vrouwelijk ; man/ vrouw
Vormen van het t.o.v.
Vanbuiten (extern)(lichamelijk)
vissen/ vinnen ; vogels/ vleugels ; slingerapen/ grijpvingers
man/ mannelijke geslachtskenmerken ; vrouw/ vrouwelijke geslachtskenmerken
Vanbinnen (intern)(ziel/ geest)
Instinct/ intuïtie/ gevoel/ kennis
Gedrag
Gevoelswereld ; belevingswereld
Ziel ; geest ; psyche
T.o.v. het Universele
Het Universele Mannelijk/Vrouwelijk:
Natuurkrachten/ -sferen / -energieën (m/v)
Kosmische krachten/ sferen/ energie¨n (m/v)
Metafysische/ spirituele krachten/ sferen/ energiën (m/v)
A Universeel Mannelijk t.o.v. universeel Vrouwelijk (en vice versa)
(bijvoorbeeld als universele natuurkrachten t.o.v. elkaar)
B Individueel mannelijk t.o.v. universeel Vrouwelijk (en vice versa)
(bijvoorbeeld een Cromagnon man t.o.v. het Vrouwelijk als natuurkracht, waarvan het symbool de bizon was)
T.o.v. het Ideale
Twee complementen die specifiek, 'volledig' en 'volmaakt' bij elkaar horen
Twee complementen waarvan de vormen/ eigenschappen elkaar veronderstellen
(Vgl. een puzzel waarvan de twee stukken precies op elkaar passen binnen het kader
Twee complementen waarbij de eigenschappen van de een volledig bepalend zijn voor die van de ander
Twee complementen waarbij het ene de eigenschappen in zich draagt van het andere . . .
. . . als dat waar het op gebouwd is / door en/of voor gevormd is
(Die noodzakelijkerwijs gepaard zijn en waarvan beide, op de een of de andere wijze, (t.o.v. elkaar) MOETEN bestaan)
Twee complementen die samen een zijn in verscheidenheid
Twee complementen waarbij het ene precies aanvult wat bij het andere ontbreekt (binnen het geheel)
De ideale man/ vrouw die precies bij je past (vgl. Mme de Warens & Rousseau)
De man/ vrouw die je in je draagt als dat wat bepaalt wie je (als man/ vrouw) bent
De complementerende man/ vrouw in je binnenwereld
T.o.v. het Sublieme
Generatieve werkelijkheden
*Het generatieve principe (de Geest)
*Het gegenereerde (het geactualiseerde)
*Dat wat gegenereerd kan worden (het potentieel)
*principe (geest)/ delen/ gehelen
*principe/ individuele/ universele/ hogere
*principe/ geactualiseerde/ potentiële
NB Het genererende principe (de Geest/ het goddelijke etc.) huist/ ligt in de delen en de gehelen (Augusinus)
Vgl.: Het zaad zit in de boom & de boom in het zaad
Het generatieve Mannelijk & Vrouwelijk
De beleving van generatieve werkelijkheden
De beleving van het geheel in een deel/ het universele in het individuele
De beleving van het principe in het geheel
Het opgaan van het individuele in het grootse (universele/ hogere/ goddelijke)
De overstijgende beweging (de flux)
Van het grootse/ hogere/ universele teruggaan naar de bron (de geest/ het generatieve principe)
De distillerende/ concentrerende/ intensifiërende beweging (de reflux)
De beleving van het sublieme 'van het Een naar het Al' en 'van het Al naar het Een'
De sublieme beleving van dat t.o.v. wat je bent/ het complement/ het Vrouwelijk of Mannelijk
Sublieme liefdeservaringen ; sublieme kunstzinnige ; wiskundige ; muzikale belevingen (Pythagoras)
Gevolgen van het T.O.V.
Vanuit je gepaarde zijn voelen/ weten t.o.v. wie/ wat je bent (gevormd/ gemaakt)
(Zoals het innerlijk kennen van de zee bij een zeeschildpad)
Verlangen naar dat- of diegene ten opzichte van wie/ wat je bent (gevormd/ gemaakt)


Rousseau vanuit het verleden en verder . . .

ROUSSEAU Vanuit het verleden & verder . . .
DE MENS IN DE NATUUR
CAMPAGNE
DE NATUUR IN DE MENS
ROMANTIEK
HET OORSPONKELIJKE & EIGENLIJKE MENS-ZIJN
VERBINDING
VERVREEMDING
Het 'Ten Opzichte Van Zijn'
*levende wezens/ habitat
*mens/ natuur
*Mannelijk/ Vrouwelijk
*man/ vrouw

*t.o.v. generatieve werkelijkheden

(met generatieve principes ; delen ; gehelen ; het individuele ; het universele ; het geactualiseerde en het potentiële)
De mens in de natuur/ op de campagne
Eigenlijke & oorspronkelijke leefomgeving
De natuur in de mens
*afdruk
*weerspiegeling
*kennis
*instinct/ intuïtie/ gevoel
Verlangen
*naar het complement(aire)
*naar datgene/ diegene waar ten opzichte van je bent
Het spel der verlangens

*aantrekking
*aantrekkelijkheid
*schoonheid
*gevoel voor schoonheid
*overgave
*verlangen / streven naar . . .

*dat wat je wilt bereiken/ krijgen/ geven . . . *een streefpunt / 'verlangpunt'

*het ideale/ het absolute/ het sublieme
(idealen)
bevrediging
*natuurlijke bevrediging
*volledige en volmaakte bevrediging

*onnatuurlijke/ oneigenlijke bevrediging
*ons suppleërende voorstellingsvermogen

(waarbij het oorspronkelijke verlangen wordt vervangen door een onnatuurlijk verlangen)
(waarbij het teken wordt bestolen van haar betekenis)
(Vgl.: prostitutie waarbij het willen voelen van de liefde en een geliefde wordt vervangen door betaalde seks)
Vormen van vervreemding:

*vervreemding van jezelf
(van de natuur in je/ van je binnenwereld)
*vervreemding van je mens-zijn
*vervreemding van je medemens
*vervreemding van de natuur
*vervreemding van de campagne
*arbeidsvervreemding
*seksuele vervreemding
*institutionele vervreemding
etc.
VRAGEN
*Hoe komen we aan al die kennis van de natuur in ons?
*Hoe kunnen we die kennis 'opdiepen' / activeren?
*Hoe kunnen we die kennis los van de directe context verder ontwikkelen?
*Hoe kunnen we de aansturing vanuit onze binnenwereld bevorderen?


STICHTING HIRONDELLE ARTS & CAMPAGNES



INTERESSANTE LITERATUUR:

Les Confessions, Jean-Jacques Rousseau

Essai sur l'origine des langues, Jean-Jacques Rousseau

Émile ou de l'éducation, Jean-Jacques Rousseau

De la Grammatologie, Jacques Derrida

hirondelle



Jean-Paul Sartre, 'C'est moi qui me tire du néant'

'Ik haal mezelf uit het niets'

Twee wereldoorlogen

In 'L'Essai sur l'Origine des Langues' plaatst Rousseau al bij de jagers-verzamelaars een oer-menselijk trekje: We zijn wezens die van nature in ons eigen groepje leven. In klein-stam-verband. Met alle gevolgen van dien: In ons eigen groepje halen we maar wat graag de banden aan. We zijn beter, mooier, sterker, slimmer . . . dan de rest. We creëren een sfeertje waarin we ons heerlijk superieur voelen. Tot zover lijkt het goed te gaan.

Maar dan de schaduwkant: In mensen uit een ánder groepje zien we al snel de vijand. Of ze nu supporters zijn van een andere voetbalclub, of ze nu een andere politieke partij aanhangen of naar een andere kerk gaan, of ze nu uit een andere cultuur komen of uit een ander land, of ze nu een andere taal spreken of in een andere wijk wonen, ze kunnen al snel rekenen op onze afkeuring, op onze minachting of zelfs op onze moordlustigheid. En dat vaak onberedeneerd, vanuit een reflex, vanuit vooroordelen, onderbuikgevoelens of clichés. Aan de borreltafel, op het slagveld of in beraad, reduceren we onze medemensen tot enkel gezichten van het kwaad. En zo tekende een simpel trekje de loop van onze geschiedenis vol gruwelijkheden en zinloos geweld.

Geen wonder dat twee wereldoorlogen de wereld in een vreemd, absurd licht zetten. En geen wonder dat met al die volkomen zinloze, en volstrekt absurde slachtpartijen het existentialisme en het absurdisme het licht zagen.

Jean-Paul Sartre

Les Mots



Jean-Paul Sartre

In zijn autobiografisch getinte boek hangt Jean-Paul Sartre (1905-1980) zijn leven op aan 'Lezen' (deel 1) en 'Schrijven' (deel 2). Een leven dat op zijn beurt van onechtheden en toevalligheden aan elkaar leek te hangen.

Het begon al met de verwekking waaraan hij zijn leven te danken had. De woorden die Sartre zich daarover laat ontvallen, wekken nu niet bepaald de indruk dat het een hoger gebeuren was of dat het in de sterren geschreven stond. Noch dat het op zichzelf nu allemaal zo zinvol was: Zijn vader liet wat druppeltjes sperma vloeien en stierf als een vreemdeling in de armen van zijn moeder.

Confronteert Sartre ons hier niet met het toeval van ons bestaan? Want die zaadlozing, had die niet net zo goed ergens anders kunnen plaatsvinden? Op een andere plaats? Op een ander tijdstip? In een andere vrouw? Of zelfs op de rotsen? Kortom, had het allemaal niet zomaar heel anders kunnen zijn? En dan de dood van zijn vader? Stierf hij niet aan zoiets voor ons mensen totaal zinloos en absurds als griep? En had hij met dit virus niet net zo goed wél als níet besmet kunnen raken? Ja, stel dat hij eens níet besmet was geraakt, hoe was het leven dan geweest voor onze existentialist? Had hij dan niet te maken gekregen met vaders strenge hand? En had zijn moeder van hem dan nog wel stiekem haar kleine meid kunnen maken, want had ze eigenlijk niet liever stiekem een dochtertje gehad?

Hoe dan ook wilde het toeval dat hij géén vader had en dat hij opgroeide bij zijn grootouders. Bij Karlémamie; bij grootma (mamie) en grootpa, Karl Schweitzer. Maar was Karlémamie wel écht? Was het niet slechts een hol vat? Een woord zonder inhoud? Stond het wel voor iets dat ook in de werkelijkheid bestond? Voor harmonische liefde? Of een idyllisch liefdespaar? Karl en mamie sliepen in werkelijkheid gescheiden, en het was meer ondanks dan dankzij hun relatie dat ze toch nog vier kinderen kregen.

Mamie bleef zich haar huwelijksleven lang groen en geel ergeren aan haar ronduit luidruchtige en theatrale man. Van de weeromstuit voedde zij haar kinderen katholiek op. Niet uit overtuiging dus, maar puur vanuit een allergische reactie tegen de protestantse Schweitzers.

En Sartres moeder? Was zij voor de kleine Jean-Paul wel echt? Een echte moeder? Ook al niet: Onder de vleugels van onze imposante en dominante Karl Schweitzer bleef er in de ogen van Jean-Paul niet veel meer van haar over dan een soort slavin; een grote zus die er was om hem te dienen.

Maar wie was de kleine Sartre dan zelf? Was hij zelf wel echt? De dominante Karl zag in het kleine ventje vooral zijn eigen grote hart, zijn generositeit, zijn edelmoedigheid. Want had hij zich daar toch maar niet even over dit vadersweeskindje ontfermd? Het gaf hem een trots gevoel dat uitstroomde in theatrale embrassades en poses waarbij de fotogenieke Schweitzer er altijd voor zorgde dat hij er goed op kwam te staan (of er nu foto's werden gemaakt of niet).

Schweitzer was een talenman, een literator, een leraar Duits. Spelling, stijl en grammatica waren voor de gewichtige Karl een bloedserieuze zaak. Ieder jaar weer was op de dag dat de postbode de nieuwe editie van grootpa's 'Deutsches Lesebuch' had gebracht, de spanning in huize Schweitzer om te snijden. Bij het miniemste foutje van de uitgever kon je het alweer horen donderen!

Grootpa Schweitzer was een opvallend grote, donkere man met een gitzwarte baard. Tijdens een mis waarin mijnheer pastoor een fikse donderpreek gaf, schrok de kudde zich wild toen de imposante Schweitzer daar plotseling als een boze god kwam binnenvallen. Karl was een patriarch en had zowat de allure van een god.

In de ogen van de kleine Jean-Paul was hij zeker ook een soort hoge priester der literatuur waarvan zijn bibliotheek een soort tempel vormde. Op de boekenplanken stonden monumentale werken van de Franse en Duitse Letteren. Literatuur met een grote L. Boeken voor grote geesten die zweefden in de hoge hoogtes van geestverheffende literatuur.

De kleine Jean-Paul wist het volumineuze werk van Corneille van de plank te toveren en liet zich graag publiekelijk bewonderen voor zijn hoog begaafdheid en exquise literaire smaak. Van wie zou hij dat nou hebben?! Zag grootpa niet zijn opvolger in de kleine jongen? Was hij niet ergens zijn spiegelbeeld? De continuering van zijn wezen? Ook al kwam er misschien later een kink in de kabel?

Karl moest namelijk vaststellen dat zijn kleinzoon uiterlijk meer een Sartre werd dan een Schweitzer: De Schweitzers waren groot en donker, de Sartres klein en blond. Hoe dan ook was het literaire spel met grootpa een en al komedie: Stiekem hield de kleine Jean-Paul namelijk veel meer van populaire tijdschriften met van die simpele avonturenverhaaltjes.

De kleine jongen ontdekte al snel dat hij een acteur was in de 'comédie familiale'. Hij leefde louter om aan de verwachtingen van volwassenen te voldoen. Hij vormde de schijnbare reden of het excuus van de dingen die hen bezighielden. Schijnbaar want de werkelijke reden of oorzaak lag meestal elders. Sartre was een toneelspeler en een bedrieger, een 'imposteur', want hij wás niet iemand, maar hij spéélde voortdurend iemand te zijn. Bijna niets was echt, hijzelf evenmin.

Al snel merkte hij dat de volwassenen hem niet ten diepste nodig hadden, en dat zij hem eigenlijk wel konden missen. Als familieleden met elkaar in gesprek waren, leken ze hem al gauw te zijn vergeten. Een pijnlijke constatering voor Sartre die gemist wilde worden, zoals dat gebeurde bij een belangrijke meneer op een bijeenkomst van grootpapa; er miste iemand; en dat was níet de kleine Jean-Paul.

Sartre voelde zich te veel, overbodig. Hij was een zwartrijder die zijn kaartje voor dit aardse bestaan lelijk miste. Zijn leven leek zinloos, onecht, en ook alle spanningen en conflicten tussen Frankrijk en Duitsland leken au fond redelijk zinloos.

De veldslagen om de Elzas hingen nog in de lucht, en we zitten in de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Frankrijk had de Elzas in handen. Karl of Charles Schweitzer had voor Frankrijk gekozen, een ander deel van zijn familie voor Duitsland. Ook de ruzies tussen Karl en zijn Duitse familie waren theatraal. De Duitsers waren slecht, al waren de Duitsers die een cursus Frans op Karls taleninstituut kwamen volgen, eigenlijk niet zo erg want het bleken gewoon mensen te zijn en ze wisten bovendien de kas van grootpa aardig te spekken.

Zelfs het Franse nationalisme kwam op Sartre over als een komedie. Vooral ook omdat de oorlogen zelf ten einde waren en de Elzas herwonnen was, maar tegelijkertijd het verlies ervan, en het heldendom van die dagen in de chauvinistische harten en hoofden nog lang en ergens liever niet (!) voorbij waren. Het doet een beetje denken aan van die helden die zwelgen in hun kruistochten uit de middeleeuwen. En après-tout waren dit soort zinloze slachtpartijen nu echt nodig?!

Bijna niets leek wezenlijk, echt of op zichzelf zinvol. Sartre zelf niet, de oorlog niet, het chauvinisme niet, de 'comédie familiale' niet, de mis met zijn theater en zijn poppenkast niet, de literatuur niet, de Larousse (de Franse van Dale) niet, het lezen niet, en het schrijven al evenmin. Lezen, literatuur en Larousse, encyclopedie, boeken- en woordenboekenwijsheid waren allemaal als het uitzicht vanaf de zesde etage van een torenhoog gebouw, ergens middenin Parijs. Sartre kende dat panorama maar al tegoed. De afstand tot de dingen beneden voelde hetzelfde als de afstand van woorden en definities tot de dingen zélf in hun eigen werkelijkheid. Het kantiaanse vraagstuk m.b.t. de kenbaarheid der dingen lijkt hier weer boven het tapijt te zijn gekomen.

Bovendien ontdekte de kleine Jean-Paul dat schrijven veel weg had van poppenspel: Je kon van alles wél of juist níet laten gebeuren. De mogelijkheden waren verbazingwekkend en verbijsterend grenzeloos. Je kon lukraak kiezen wat je wilde. Je kon zomaar de grote held zijn- meisjes waren voor je heldendom geschapen- of je kon juist de meest gruwelijke dingen en wel op de meest meedogenloze wijze laten geschieden. Bovendien kon je iets laten gebeuren en later lekker weer terugdraaien. Kortom, je kon je voorstellingsvermogen de vrije loop geven. Je voorstellingsvermogen, je fantasie. We herinneren ons Jean-Jacques Rousseau nog wel met zijn verbeeldingskracht (imagination) en met zijn zelfbevrediging in de figuurlijke zin van het woord (suppléer). En dan . . . al die hersenspinsels, al die spelletjes van ons verbeeldingsvermogen, wat stelden ze in hemelsnaam voor in de wereld om ons heen? Hoe werkelijk waren ze? Hoe echt?

Fragmenten uit'Les mots' voorgelezen door Denis Podalydès

De existentiële misselijkheid ('La Nausée')

In 'La nausée', de Misselijkheid, komen we Sartre tegen in de dagen die hij sleet met het schrijven van een biografie. Die van de Rollebon, een Frans diplomaat die had gespioneerd in Rusland. Van de verering die Sartre aanvankelijk voor hem leek te hebben, bleef weinig meer over: Bij vlagen vervulde dit opgeblazen kereltje onze Franse filosoof zelfs met gevoelens van afschuw.

Aan het sterfbed van een- wat was het? een verstokte zondaar?- die koppig de laatste sacramenten bleef weigeren was de Rollebon in zijn 'glansrol'. Terwijl meneer pastoor de moed allang had opgegeven, verwedde Sartres hoofdrolspeler dat hij dit verdoolde schaap wel weer eens bij de kudde zou weten te brengen. Of althans dat hij bij deze halsstarrige stervende wel weer vrome, christelijke gevoelens zou weten aan te wakkeren. De Rollebon won de weddenschap glansrijk: Binnen twee uur had onze zondaar al zijn zonden opgebiecht en binnen vier uur stierf hij als een braaf christen. Hoe de Rollebon dat voor elkaar had gekregen? Met verhaaltjes waarvan hij nota bene zelf geen jota geloofde en door eens stevig bij onze stervende de helleangst aan te jagen.

Met verhaaltjes, en dat was nu juist het punt. Het was- we herinneren ons 'Les mots' nog wel- allemaal niet echt. Maar was de Rollebon uit zijn biografie dat eigenlijk wel? Was hij daarin niet veranderd? Nog wel trouw aan de Rollebon van vlees en bloed die ooit was geweest? En was zelfs díe niet meer dan een schim uit het verleden?

In 'La nausée' krijgt Sartre onrustige gevoelens van alles wat hij hoort of ziet veranderen. Van alles wat draait, flitst, beweegt of wegsterft, of het nu gaat om de veranderende lichtval op zijn handen, spiegels, weerspiegelingen, lichtflitsen of cafés waar je draaierig van wordt. Om nog maar niet te spreken van kleuren die veranderen in het licht, mist, tijd- de landerige zondag waarin het weekend ten einde loopt- en trams die in de ruiten voorbijrijden. Of wat te zeggen van de loop der gebeurtenissen, vage gedachtestromen, herinneringen die vervagen of de tonen van muziek die hij hoort komen en gaan . . . wegsterven? Verliefdheden, passies vlammen op en doven uit.

De verandering woekert niet alleen in de wereld om hem heen, maar werkt ook in hemzelf. Is de Sartre van nu dezelfde als die van een minuut geleden? En bestaat die van een minuut geleden eigenlijk nog wel? Bestaat het verleden überhaupt wel? En is niet alleen wat nu is? In het heden?

Minder inconsistent lijkt de minerale wereld, lijkt het bomen- en plantenrijk, lijken kiezelstenen, bronzenbeelden, bomen, die wortelen en vastigheid vinden in de aarde, of zelfs krabben en kreeften, die verbonden zijn met de zee.

Toch gaven van die glibberige kiezelstenen aan het water of van die boomwortels die met hun ruwe massa de grond in kronkelden, Sartre niet minder een misselijk gevoel ('la nausée'). In de ogen van Sartre is er duidelijk een soort oermaterie waaruit alles gevormd is; de aarde, de stenen, de bomen en de wortels, de krabben en de kreeften. Ja zelfs zijn handen, zijn 'vissenkop' . . . zijn lichaam. En toch komt die oermaterie- of hoe je het noemen wilt- vreemd, absurd op hem over.

Neem nu de zee. Is zij werkelijk een brevier dat van God spreekt, zoals meneer pastoor dat zo mooi op het strand leek te denken? Of is zij in werkelijkheid donker en koud en vol van- wat zijn het?- van allerlei vreemde beesten? Sterker nog: Hoe bevreemdend is wel niet het lichaam van een gewurgd meisje?!

Die existentiële misselijkheid kwam ook opzetten bij een vrijpartij. De gastvrouw van een restaurant waar Sartre net had gedineerd, had haar prooi zo juist haar nest ingelokt. Sartre had uit beleefdheid moeilijk kunnen weigeren, al had hij van meet af aan een zekere weerzin gevoeld. Tijdens het vrijen zag de onthutste filosoof met enig afgrijzen hoe zeer haar lichaam deel uitmaakte van het planten- en dierenrijk, en dus van de oermaterie (zoals we die zo-even noemden). Haar lijf was een tuin met bosjes haar waarin mieren en duizendpoten krioelden. Of erger nog: walgelijke beestjes met krabbenpoten. Seks schuurde, was voor Sartre meermaals misselijkmakend.

In de ogen van Jean-Paul is ons lichaam duidelijk getrokken uit de 'oer-klei'. We komen voort uit de materie. Ook met ons denken? Opvallend genoeg heeft Sartre het over de 'krabben- en kreeftengedachten' van eenzame mensen of 'einzelgängers' als hijzelf. Over gedachten als die van krabben en kreeften die nog direct uit de oer-massa lijken weg te kruipen. Over van die organische gedachten die bij ons kunnen komen opborrelen. Over van die vage gedachtestromen.

Ons mentale leven lijkt daarmee terug te keren in die oer-massa of in de zee. In dat donkere, koude, ons mensvreemde water. Sartre laat het lichaam uit de 'klei' komen, en ons 'primitieve' denken weer uit ons lichaam.

Toch gaat dat denken duidelijk een eigen leven leiden: Want het lichaam leeft als vanzelf. Uit zichzelf. Vanuit die oermaterie. Terwijl wij ons denken juist zélf voort laten gaan en verder laten gaan.


Moi, le corps ça vit tout seul une fois que ça a commencé. Mais la pensée, c'est moi qui la continue, qui la déroule.


Denken wij, dus zijn wij- we herinneren ons de woorden van Descartes nog wel, 'cogito, ergo sum'- . Zijn wij ons denken? Of zijn wij omdat wij denken?


J'existe parce que je pense


In dat laatste geval zou de materie 'niets' zijn. Sartre schrijft hierover:


C'est moi qui me tire du néant


'ik haal mezelf (d.w.z. met mijn denken) uit het niets'.

Bedoelt Sartre hier met 'le néant' letterlijk 'niets'? Nee. Wat hij eerder lijkt te bedoelen is dat die oermaterie ons vreemd is, absurd is. D.w.z. voor óns vreemd is of aan ons dénken vreemd is. Dus níet dat deze op zichzélf vreemd of absurd is.

De materie is vreemd, de dingen zijn vreemd, ons lichaam is vreemd, onze lichaamsbeharing is vreemd, schaamhaar is vreemd, onze vissenogen zijn vreemd, lichtflitsen zijn vreemd, mist is vreemd, krabben zijn vreemd, kreeften zijn vreemd, ruwe, kronkelende wortels zijn vreemd, de zee is vreemd, het donkere, koude water is vreemd . . . en dat allemaal TEN OPZICHTE VAN ons denken, en t.o.v. onze hersenspinsels.

Ze hebben OP ZICHZELF geen reden, en ze hebben OP ZICHZELF geen zin. In die zin zijn ze niets.

Sartre lijkt zich hier aan te sluiten bij Kants idee van de kenbaarheid der dingen, namelijk dat wij de dingen zelf, in wat of in wie zij zijn, juist níet kunnen kennen. Ze zijn en blijven vreemden voor ons.

Sartres filosofie leidde tot een harde confrontatie tussen de ideeënwereld van een autodidact die de wereld letterlijk van a t/m z vanuit de encyclopedieën in de bibliotheek dacht te kunnen leren kennen, die geloofde in het humanisme, die geloofde in zielsverbondenheid en die geloofde in hogere idealen, en die van onze kleine existentialist. Toen onze autodidact grootst zat uit te pakken over al zijn broederliefde in de Eerste Wereldoorlog, over al zijn liefde voor al die soldaten die daar bij elkaar zaten opgesloten en die daar bij elkaar stonden opgepakt, en over al zijn liefde voor twee tortelduiven die hij daar toevallig in het café gezellig bij elkaar zag zitten, kwam Sartre met een ietwat pijnlijke vraag: Zeg, ken jij ze eigenlijk wel? Weet je eigenlijk wel wie ze zijn?

Toch geeft 'La nausée' onze humanist, die Sartre in de stadsbibliotheek zo'n beetje stalkte, ergens niet helemaal ongelijk. Want als de dingen dan op zichzelf zo zinloos zijn, laten we er dan zélf, met ons denken, zin aangeven. 'Ik ben OMDAT/ DOORDAT ik denk'.

Voortdurend krijgen we te maken met van allerlei mogelijkheden, en met van allerlei keuzes. Het begint al bij een straat: Ga ik links? Ga ik rechts? Rechtdoor? Het is alsof de keuzes op ons liggen te wachten, en wij met de keuze die wij maken, dingen laten zijn of juist niet laten zijn. De keuzes die wij maken geven ons daardoor een grote verantwoordelijkheid. Met ons denken laten we in zekere zin de dingen zijn. En onszelf zijn.


J'existe parce que je pense . . . C'est moi qui me tire du néant


Een mooi voorbeeld is de loop der gebeurtenissen. Onze autodidact stelt Sartre een belangrijke vraag: Een beetje beschaamd vraagt hij de filosoof of hij wel eens een avontuurtje heeft meegemaakt. Maar wat is dat een avontuurtje? Een avontuur? Een geschiedenis? Zijn dat de gebeurtenissen zélf? Die vinden vaak zomaar plaats. Niet van bovenaf bestuurd of van te voren bepaald. Niet vanuit een soort pre-existentie. Zonder enig verhaal vooraf. Iedere lijn in de loop der gebeurtenissen wordt er dus niet vooraf, maar achteraf in aangebracht. Wij zijn het namelijk zélf die de gebeurtenissen achteraf tot een logisch geheel of een samenhangend, consistent verhaal maken. Daardoor loopt de lijn der gebeurtenissen niet van achter naar voor, vanuit een soort voorbestemming, maar juist van voor naar achter, vanuit een soort beschouwing achteraf, terugblikkend vanuit een hoogtepunt of climax.

De loop der gebeurtenissen zelf is dus (tamelijk) inconsistent. Consistent is het verhaal dat wij er zelf vervolgens van maken. En consistent is de muziek die wij halen uit allemaal losse, wegstervende tonen . . .

Te midden van groepen mensen die bij elkaar en met elkaar lekker hun eigen sfeertje zitten te kweken en lekker hun eigen verhaal zitten te maken, voelt Sartre zich een krab, een kreeft. Want deze mensen hebben hun sociaal geconstrueerde werkelijkheid. En vanuit die werkelijkheid zijn ze echt, d.w.z. echt voor zichzelf en echt voor elkaar. Echt in hun eigen werkelijkheid. Echt in hun eigen spiegel.

Maar onze eenzame filosoof, onze 'einzelgänger', zit nu juist niet in zo'n groepje. Verstoken van zo'n sociaal geconstrueerde werkelijkheid, voelt hij zich teruggeworpen in die lege, zinloze zee. In de oer-massa, in het vreemde 'niets'.

Het vreemde, zinloze niets? Paradoxaal genoeg vindt Sartre bij vlagen juist ook weer verbinding in dat 'niets', als hij zijn denken als het ware heeft uitgeschakeld. Als hij zich erin laat opgaan. Als hij zich laat opgaan in de kou. Als hij zich laat opgaan in de mist. Of als hij leeft vanuit die oermaterie? Vanuit die brute massa? Vanuit zijn lichaam? Vanuit die 'zinloze' zee? Als een kreeft of als een krab? Vreemd genoeg lijkt hij dan zelfs vastigheid te vinden in wat hij anders zo veranderlijk vindt, zo onstandvastig, zo inconsistent.

Dat overkwam hem, bijvoorbeeld, toen hij in een ijzige wind en in het duister door een groezelige, vergeten straat van Parijs liep, de Boulevard Noir. Sartre voelde zich er puur, en voelde zich gegrepen door de puurheid van alles om hem heen. Juist omdat alles er ruw, bruut, onversierd en niet menselijk was. Sartre voelde zich er gelukkig. Waarom? Omdat hij zelf een ijskoude luchtstroom geworden was, tocht? Omdat hij zichzelf langs een lang kanaal voelde trekken als de wind? Omdat hij zelf een en al kou was geworden? Of omdat zijn lichaam erin was opgegaan en erin verdwenen? Was hij toen niet teruggekeerd in de dingen? En was hij toen niet echt geworden met de echtheid der dingen?

Misschien dat Sartre in zijn conclusies zo ver nog niet wilde gaan. Maar hij zette de deur wel op een kier . . . Met ons brein kunnen we de dingen op zichzelf niet kennen. Met ons brein komen ze zinloos, vreemd of absurd op ons over. Maar betekent dat dan ook dat we er met ons lichaam niet in op kunnen gaan, en dat we er met ons lichaam niet mee verbonden kunnen zijn? Met ons lichaam dat deel uitmaakt van die oer-massa, of hoe je het ook maar noemen wilt?

Bovendien, als wij er als levende wezens zo in op kunnen gaan, is het dan logisch om te veronderstellen dat de oerstof volledig leeg of onbezield zou zijn? Hoewel Sartre het over het 'niets' heeft, lijkt hij minder rechtlijnig of star dan je misschien zo zou vermoeden. De dingen op zichzelf zijn 'niets' ten opzichte van ons menselijke denken, maar zijn daarmee de dingen op zichzelf ook werkelijk 'niets' of onbezield?

Opmerkelijk genoeg laat Sartre ergens de grenzen vervagen tussen de harde materie (stenen, mineralen en brons), het bomen- en plantenrijk, het dierenrijk, het menselijk lichaam en zelfs ons denken. Let wel: krabben en kreeften zijn nauw verbonden met de oermaterie, met de zee waar ze zo uit komen kruipen. Tegelijkertijd kunnen we van die 'krabben- en kreeftengedachten' hebben. Van die gedachten die zo uit de zee lijken te komen. Die zich nog maar net uit de oermaterie lijken te hebben losgemaakt. Uit de oer-massa waaruit ze zijn ontstaan, en waarin ze ergens al op de een of de andere manier moeten hebben gezeten.

Met zijn beeldspraak of symboliek zelfs lijkt Sartre het leven en ook ons denken te laten ontstaan in en uit de materie. Wanneer hij uitweidt over het bronzenbeeld van Gustave Impétraz, maakt hij in deze een opmerkelijke opmerking. Hij schrijft namelijk, 'hij [de in brons gegoten Impétraz] leeft niet, nee, maar hij is ook [weer] niet zonder leven'. Ook hier vervagen de grenzen.

Sartre- we zeiden het zo-even al- zet de deur op een kier . . . maar wat als je de deur wagenwijd openzet . . . ? Sartre is geen starre systeemdenker, noch een rechtlijnige filosoof.

In zijn meesterwerk 'De misselijkheid' komt allereerst het veranderlijke vreemd op hem over: Het flitst, glipt, glijdt, draait of sterft weg. Of we het hier nu hebben over mist of licht of over muziek, het maakt hem allemaal misselijk vanwege een ernstig gebrek aan standvastigheid. Vanwege een duizelingwekkend niet vast en zeker zijn.

Vast en zeker daarentegen zijn stenen en mineralen, en van die mensen van houvast. Van die mensen die stevig staan in onze sociaal geconstrueerde werkelijkheid. Belangrijke heren en model pappa's als meneer Parrotin.

Wie zich wil vast klampen aan deze associaties wordt volledig in de war gebracht. Want in wat zo vreemd en zo veranderlijk was vind je ook weer verbinding- je gaat erin op en je verdwijnt erin-, en in wat vast en zeker was vind je vreemde, ruwe massa's of maatschappelijke maskers, maaksels en verzinsels. Nu weer vind je verbinding met je brein of in je groepje en dan weer juist zonder al dat menselijk denken en zonder van al die groepjes; puur vanuit je lichaam. Sartre laat alles draaien:

Wat veranderlijk is wordt vreemd, en wat vast is zeker. Maar even later weer wat vreemd is verbindend, en wat vast is vreemd. Tegelijkertijd redt ons brein ons uit het niets en bestaat het niets weer uit de brouwsels van ons brein . . .

Duizelt het je al? Word je al langzaam misselijk? Niet voor niets heeft Sartre zijn filosofie in literaire vorm gegoten. In zijn tollende, duizelingwekkende, literaire spel draaien Sartres inzichten als een boor diep bij je binnen.

Verbinding en vervreemding

Belangrijker dan wat Sartre hier nu allemaal wel of niet precies bedoeld heeft, is hier voor ons het spoor waar hij ons op zet, en de historische aarde waarin zijn werken wortelen. Enerzijds wijst hij ons brein aan als een belangrijke bron van vervreemding. Met ons denken zoeken we de zin van het leven, en de zin van alle dingen, de reden van hun bestaan.

Die zin en die reden zijn echter niet intrinsiek aanwezig; Ze hebben op zichzelf geen zin en geen reden van bestaan. Wijzelf evenmin. Die constatering werkt buitengewoon confronterend. In die complete zinloosheid zou je zomaar de hand aan jezelf kunnen slaan, iets dat, jammerlijk genoeg, een aantal lezers van Sartre ook daadwerkelijk hebben gedaan (zonder dat- we benadrukken het- dit strookt met Sartres ideeën in hun geheel, en zonder dat dit ooit zijn bedoeling was geweest).

Anderzijds kunnen we juist met ons brein zelf zin geven aan de dingen en zelf zin geven aan ons leven. We kunnen ons met ons denken, paradoxaal genoeg, ook weer verbinden met de ander. Middels mentale en sociale constructen. Met de nadrukkelijke waarschuwing dat wij ons kunnen hullen in een waanwereld met alle gevolgen van dien, zoals het ontstaan van zieke ideologieën en het uitbarsten van absurde oorlogen.

Ons brein verbindt en vervreemdt. Hetzelfde geldt voor ons lichaam. Ons lichaam heeft geen zin, ons lichaam kent geen waarom, en ons lichaam heeft geen reden van bestaan, maar ons lichaam maakt wel deel uit van de dingen, deel uit van de oer-massa, deel uit van de oermaterie en deel uit van het sterrenstof. Ons lichaam kan erin verdwijnen en kan erin opgaan. We kunnen het voelen, ervaren, beleven. Een zinloos niets wordt dan welhaast een alles waar we ons diep mee verbonden kunnen voelen. Ons mee één kunnen voelen. Zo zelfs dat het de vraag oproept of nu niet juist in ons lichaam ons voelen ligt en of niet juist in de oermaterie ons diepere wezen of onze ziel huist. Het is immers ook de materie waaruit ons diepere denken is opgedoken als een krab uit de zee . . .

Van Sint Franciscus via Rousseau naar Sartre

Met Sint Franciscus kwam een beweging op gang die zich afkeerde van de vervreemding. De vervreemding van God, van de kerk, maar zeker ook van de natuur. Jean-Jacques Rousseau zette in zijn werken uiteen hoezeer wij met z'n allen zijn afgedwaald van ons eigenlijke, oorspronkelijke leven in de natuur en van de natuur in onszelf. Hij weidde zijn leven zo'n beetje aan het omzwerven door de natuur waarin wij thuishoren, en aan het terug-zwerven naar de natuur in zichzelf. Dat was misschien wel het enige constante in het leven van deze zonderlinge filosoof.

Waar Rousseau zich al verzette tegen het al te rationele denken van de Verlichting, legde Jean-Paul Sartre de oorzaak van de vervreemding duidelijk bij ons brein. Een hersenmolen die uit de materie was ontstaan, maar die ons er tegelijkertijd van vervreemde.

Jean-Paul Sartre et Simone de Beauvoir se racontent

INTERESSANTE LITERATUUR

Les mots, Jean-Paul Sartre

La nausée, Jean-Paul Sartre

hirondelle



Albert Camus, 'Koninkrijk & Ballingschap'

Albert Camus

In 1953 kreeg de Frans-Algerijnse regisseur en filosoof Albert Camus (1913 - 1960) de Nobelprijs voor de literatuur voor zijn roman 'L'étranger' (De vreemdeling). Het boek maakte furore. Zijn absurdisme sloeg in als een bom. In het bruisende Parijs van die dagen werd in cafés en op terrassen druk over zijn werk gediscussieerd.

Albert Camus

Maar waar kwam zijn verhaal eigenlijk vandaan? Camus was, om te beginnen, geïnspireerd door Sartre. Toch werd zijn verhaal eerst en vooral uit het leven gegrepen. Camus groeide als Europese jongen- zijn vader was Frans en zijn moeder Spaans- op in het Noord-Afrikaanse Algerije. In die zin zal hij zich weleens een vreemdeling hebben gevoeld. Evengoed als hij in de inheemse bevolking weleens vreemden zal hebben gezien.

Vreemden, maar waren zij dat in de denigrerende zin van het woord? Opmerkelijk is dat we in de werken van Camus bij deze 'woestijnmensen' naast iets vreemds, in de ogen van sommige Europese personages althans, juist ook iets 'eigenlijks' ruiken, iets wezenlijks en puurs. Iets dat misschien zelfs wel ons oorspronkelijke mens-zijn in de herinnering roept.

Dat geldt ook zeker voor dit mediterrane land, en in het bijzonder voor de Middellandse Zee, 'la Méditerranée', waarin de jonge Camus maar wat graag een duik nam. Met hart en ziel- want zoveel mogen we wel stellen- . Het vrije leven in de Noord-Afrikaanse natuur stond bovendien in schril contrast met het gestreste stadsleven in Parijs dat Camus als regisseur maar al te goed kende.

'L'Étranger'

(De Vreemdeling)

De moeder van Meursault is net gestorven. Was het gisteren? Was het vandaag? Meursault is ijzingwekkend onverschillig. Tijdens de busrit naar zijn overleden moeder dommelt hij in; als hij verlof vraagt aan zijn baas, laat hij zich ontvallen dat het toch niet zíjn schuld is dat hij een paar dagen niet kan komen werken; als ze hem vragen of hij zijn moeder nog eenmaal wil zien voor de deksel weer op de doodskist gaat, luidt zijn antwoord botweg 'nee'; en als de concierge van het bejaardenhuis onder de protestbetuigingen van zijn vrouw vertelt dat je in het stikhete Algerije je doden beter maar snel kunt begraven, merkt Meursault op dat hij dat eigenlijk wel interessant vindt. Kan het nog ongepaster? Bij zijn opgebaarde moeder laat de onbehouwen zoon zich de koffie met melk goed smaken en gaat hij met de concierge'gezellig' sigaretjes staan roken. Daags na de begrafenis gaat Meursault zich vermaken met een vriendinnetje op het strand. Ze tortelen wat en ze dartelen wat in het water en sluiten het 'feestje' af met een lachfilm van Fernandel. Tijdens de voorstelling streelt Meursault Maries borsten.

Ondertussen lijkt deze lompe zoon meer bezig te zijn met zijn zintuiglijke belevingen, van het schommelen van de bus tot het verblindende licht, van het gegons van vliegen tot de onverdraaglijke hitte, en van zijn trek in koffie met melk tot zijn vermoeidheid . . . , dan met de dood van zijn moeder, laat staan met zijn verdriet.

Maar ook in de richting van zijn vriendin kan Meursault verbazingwekkend onverschillig zijn. Terwijl zij zijn zinnen prikkelt, en hem ten huwelijk vraagt, geeft hij haar een koude douche. 'Voor mijn part, als jij dat wilt', luidt op haar aanzoek zijn ontluisterende antwoord. En als zij aan hem vraagt of hij van haar houdt, krijgt zij te horen dat zoiets niets betekent; 'cela ne veut rien dire'.

Wanneer Meursault voor de rechter moet verschijnen voor een absurde, zinloze moord, bevreemdt hij de rechter, de getuigen, de journalisten en zowat alle andere aanwezigen met zijn onverschillige houding. Maar onverschillig ten aanzien van wat? Met zijn lichamelijke beleving staat hij duidelijk afstandelijk tegenover mentale en maatschappelijke constructen, zoals huwelijken, waken en begrafenissen, gewoonten, kantoren en zondagen, kerkelijke leringen en gebruiken. Ze zeggen hem allemaal niet veel.

Zelfs onder het Christusbeeld dat de onderzoeksrechter bezwerend boven zijn hoofd heft, gaat Meursault niet op de knieën: De moordenaar gelooft niet in God. 'Maar wil je dan dat mijn leven totaal geen zin heeft?!', roept de onderzoeksrechter uit, voor wie een leven zonder God tot zinloosheid gedoemd zou zijn. Met de vraag WAAROM Meursault na het eerste schot op zijn slachtoffer even gewacht had met het lossen van het tweede schot, oogst onze 'juge d'instruction' evenmin succes. De verdachte blijft hem het antwoord schuldig.

Het waarom, evengoed als de rede, de christenleer en een 'huwelijks-houden-van' zijn nu eenmaal vruchten van ons verstand.

Maar in ons lichaam en in de natuur is er geen waarom, en is er geen rede en is er geen 'huwelijks-houden-van'. Het zijn menselijke concepten vanuit een menselijk denken. Ze zijn gelieerd aan onze logica, aan onze taal en aan onze cultuur.

Meursault leeft vanuit zijn lichaam. Vanuit zijn zintuiglijke belevingen. In die zin staat hij vreemd tegenover van allerlei maatschappelijke maaksels en menselijke ideeën. Evenals deze maaksels en ideeën in zekere zin weer vreemd zijn aan zijn lichaam: DE VERVREEMDING WERKT TWEE KANTEN UIT.

Maar betekent dat dan ook dat Meursault een soort monster is? Een harteloze, liefdeloze vlerk? Met zijn lichaam voelt hij zich verbonden met de zee. Met het hele maritieme landschap. Zon, zand en zee verkwikken hem, schaduw, strand en waterbronnetjes lokken hem. Stromend water en spelletjes met zeeschuim vermaken hem. Hij houdt van de Noord-Afrikaanse natuur met haar natuurverschijnselen, zoveel is zeker. En hij voelt zich lichamelijk verbonden met zijn vriendin. Haar lichaam en haar lach trekken hem aan. Hij heeft zin in haar en hij voelt haar het liefst tegen zich aan. Lichamelijk contact is onmisbaar voor hem.

Dat is wat hij ook ten diepste ervaart in de gevangenis. Niet alleen overvallen hem daar eerst nog de gedachten van een vrij mens: Zo wil hij naar het strand gaan, het water in; zo hoort hij in gedachten het geluid van de golven die komen aanrollen onder zijn voeten, en zo beleeft hij het bevrijdende gevoel van zijn lichaam in de zee . . . Maar meer nog verlangt hij naar, of 'denkt'(*) hij zo sterk aan een vrouw, aan vrouwen en aan al die mooie momenten waarop hij hen beminde, dat al hun gezichten en al zijn verlangens zijn cel bevolken.

Meursault (*)'denkt' duidelijk niet in woorden, maar in zintuiglijke waarnemingen, in belevingen, in verlangens, in gevoel. Hij 'denkt' meer vanuit zijn lijf dan vanuit zijn brein. Camus laat de lezer voelen dat ons denken gelaagd is. Met in de diepere lagen een belevings- en gevoelswereld die nog niet talig is, en die zich als zodanig niet zomaar laat vangen in de netten van onze taal. Het zijn duidelijk voortalige of onder-talige lagen waarin ons diepste voelen en denken huist, of liever leeft.

We herinneren ons hier vast Sartre wel met zijn krabben- en kreeftengedachten. Gedachten die evenals deze Crustacea zo uit de zee of uit de materie lijken te komen. Bij Sartre kwamen ze nog schoorvoetend uit de kille Noordzee kruipen. Maar bij Camus komen ze veel warmbloediger uit de subtropische Middellandse Zee zetten.


Zouden lichamen en lijven leeg of onbezield zijn, dan kun je je afvragen waarom mensen zo dol zijn op kussen, strelen en aaien, knuffelen, voelen en vrijen. Waarom ze zitten te flikflooien met honden, katten en konijnen. Of waarom ze zoveel kinderen maken. Kijk maar eens om je heen!


Opmerkelijk genoeg lijkt Camus zoiets als de ziel eerder te zoeken in ons lijf dan in ons brein. Eerder in ons lichaam dan in onze rede of ons verstand. Het cartesiaanse dualisme tussen lichaam en geest wordt daarmee zowat omgekeerd. Augustinus met zijn gestolde wantrouwen jegens onze zintuiglijke waarnemingen is ver uit het zicht, terwijl Aristoteles weer om de hoek komt kijken: Want de ziel hoort bij het leven, en het leven bij ons lijf. (We komen hier later op terug.)

Blijft natuurlijk de vraag of Meursault een soort monster is of niet? Met het leven vanuit zijn lichaam haalt hij zich heel wat morele verontwaardiging op de schouders. Vanuit ons maatschappelijke denken wordt hij veroordeeld. Ter dood zelfs. Hem wacht . . . de guillotine. In deze harde confrontatie krijgt Meursault inderdaad de contouren van een monster.

Maar Camus keert de confrontatie ook om. De andere richting op: van brein - lijf naar lijf - brein. Meursaults moeder wordt in de wereld van zijn rechters welhaast gereduceerd tot wat holle rituelen, gestes en gebruiken. Met haar dood wordt ze een gesloten dossier. Terwijl in de beleving van ons 'monster' zijn moeder nu juist ergens nog voortleeft. Terwijl hij helemaal haar dood niet wil, en terwijl hij zeker wel van haar houdt, maar niet zoals dat moet of zoals dat hoort vanuit ons maatschappelijk verantwoord denkend schilletje. Zijn liefde is waarschijnlijk dierlijker en gaat daarbij waarschijnlijk dieper.

Maar een moord is natuurlijk monsterlijk, en een moordenaar als snel een monster. Of ligt dat laatste minder simpel? In een bizarre onenigheid tussen een groepje Arabieren en een groepje Fransen krijgt Meursault het aan de stok met deze Noord Afrikanen. Als hij later over het zonovergoten strand loopt, en de snikhete zonnestralen ongenadig op hem neer regenen, geeft zijn instinct hem in verkoeling en verfrissing te gaan zoeken bij een bronnetje, in de schaduw van een rots. Maar dan . . . vindt hij een van de Arabieren op zijn pad.

Meursault knarsetandt op het strand, weet niet waar hij kruipen moet in deze vuurzee van de zon. Hij kan in deze verstikkende hitte en in dit verblindende licht niet stil blijven staan: Puur vanuit een lichamelijke reactie (!) zet hij een stap naar voren . . . , maakt hij onbedoeld een bedreigende beweging in de richting van zijn vijand . . . , en escaleert de toestand meteen. De Arabier trekt een mes. Het lemmet weerkaatst het verblindende zonlicht. Zweet loopt in Meursaults gekwelde ogen en vanuit een tweede lichamelijke reactie lost hij een schot op zijn slachtoffer. Één schot, twee schoten . . . vier schoten.

Meteen dringt het diep tot hem door dat hij zojuist een wereld zoals die was, had verwoest . . . Vragen rollen aan: Want hoe moeten wij deze gebeurtenis begrijpen?

*Staat de Arabier die Meursault op zijn weg trof, symbool voor menselijk denken en menselijk gedoe? Voor mentale en maatschappelijke constructen? Voor absurde ruzies en vervreemding van onze natuur, die onze natuurlijke neigingen en ons natuurlijk leven onverbiddelijk in de weg staan?

*Of rappelleert onze Noord-Afrikaan nu juist aan dat waarmee we verbonden waren, maar waar we vanuit onze natuur mee gebroken hebben? En moeten we de oorzaak van deze moord eerder zoeken in onze primitieve instincten?

*En zijn we, paradoxaal genoeg, niet alleen vervreemd geraakt van onze eigen natuur, maar ook VANUIT onze eigen natuur?

Je kunt er lang of kort over gaan, maar waarschijnlijk kwam Camus niet met een eenduidig antwoord of met slechts één mogelijke interpretatie.

L'Étranger

Luisterboek L'Étranger (Xavier Le Lecteur)

Trailer Franse film 'L'Étranger'

'L'Exil et le Royaume'

Koninkrijk en Ballingschap

'Les Muets' (De Stommen)

Meursault voelt zich eerder verbonden vanuit zijn lichaam dan vanuit zijn brein. Die niet talige, stille verbondenheid vinden we ook in Camus novellen-bundel 'L'Exil et le Royaume'. 'Les Muets' (De stommen) is daarvan een meer dan sprekend voorbeeld. Het verhaal speelt zich eveneens af in het Noorden van Algerije.

De arbeiders van een tonnenfabriek hebben zonet bakzeil gehaald: Mokkend hebben ze hun staking opgegeven. Maar het verzet zit nog in hun hele lijf. Voor Yvars voelt alles zwaar; zwaar zijn benen, zwaar zijn pedalen, zwaar zijn fietstocht naar de fabriek, zwaar zijn hart. En ook zijn werk valt zwaar. Zwijgend zwoegen de arbeiders, zwijgend zagen ze en zwijgend schuren ze.

Als hun baas binnenkomt om hen te groeten, valt er even een bedrukte stilte. Zwijgend hervatten ze echter hun werk; zonder terug te groeten. Maar in hun gezaag en geschaaf vonden ze elkaar: Meer dan woorden sprak hun werk op indringende wijze van hun verzet en solidariteit.

Stil verzet, stille verbinding & stille solidariteit; voelen, leven en beleven vanuit je lijf; dat is wat je proeft in 'Les Muets'. Je voelt de vermoeidheid. Je voelt hoe de dagelijkse sleur je in je benen gaat zitten. En je voelt hoe de malle molen van het leven je afstompt.

Want toen je jong was, was daar de zee . . . Met haar heldere water, haar meisjes, en haar zon. Met het weldadige, lichamelijke leven waarin zij je baadde. Ja, die zee . . . was er nog steeds, alleen . . . gingen al die geluks-belevingen met de jaren heen, en bleef zij alleen, alleen achter, daar ergens aan de ginder. Zij was er nog wel, en je keek nog wel naar haar, alleen stond zij daar op afstand. Althans zo ging het voor Yvars die werkte in de Algerijnse tonnenfabriek, en die met weemoed terugdacht aan de tijd dat hij jong was, en zijn vrouw nog jong was, en in zichzelf verzuchtte dat als zij dat nog altijd hadden mogen zijn, zij op reis zouden zijn gegaan, helemaal naar de andere kant van de zee . . .

'Jonas ou l'artiste au travail' (Jonas of een kunstschilder aan het werk)


Was al die lichamelijke beleving zielloos? Leeg? Kaal? Banaal? Bedrog?


Neem nu Jonas- ou l'artiste au travail-. In deze novelle treffen we een kunstenaar aan die bijna letterlijk de sterren van de hemel schildert. Deze kunstschilder geloofde in zijn ster, meer dan in zijn eigen verdienste. Alleen . . . wat was dat, zijn ster?

Zijn ster kwam in ieder geval zeker niet rijzen vanuit kunstkringen. Met de raadgevingen van zijn bewonderaars kwam zijn werk zeker niet tot zijn hoogtepunt. Zijn school, zijn lessen en zijn discipelen, die vooral naar complimentjes visten voor hun eigen werk, waren een aanslag op de natuurlijke charme van zijn kunst.

Maar waar kwam die natuurlijke charme dan vandaan? En van waar zijn ster? Van waar anders had dat kunnen zijn, dan vanuit hemzelf? En als dat dan zo was, zetelde zijn kunstzinnigheid dan niet in zijn brein? In zijn rede? In zijn verstand? Duidelijk niet. Toen hij zich had teruggetrokken op zijn eigen zolder, weg uit alle drukte, luisterde hij daar naar zijn eigen hart, naar de stilte in zichzelf, en wachtte op . . . zijn ster. 'Blink, blink, /blink toch/', zei-hij, 'en onthoud mij niet van jouw licht'.

Jonas wachtte en wachtte en . . . vond een 'gelukzalige kracht in zich, zijn kunst, en van die gedachten die hij niet verwoorden kon, en die voor altijd stil waren, maar die hem /tegelijkertijd/ boven alles lieten uitstijgen in een vrije en helder licht badende ruimte'. Jonas vond zijn ster welhaast als een kluizenaar; teruggetrokken uit de waan van alle dag.

Maar had hij zich daarom afgekeerd van de mensen? Van zijn dierbaren? Integendeel. Want het was juíst in die teruggetrokken ruimte, juíst in zichzelf, en juíst vanuit zichzelf dat hij zielsveel van hen hield en zich diep met hen verbonden voelde.

Stelde dit Jonas niet voor een dilemma? Kon hij solidair zijn zonder ook solitair te zijn? Zonder zich terug te trekken in zichzelf? Zonder zijn geliefden terug te vinden in zijn hart? In zijn ziel? In zijn lichaam? In zijn innerlijke kunstzolder? Om daar van ze te houden? En om ze daar te koesteren?

Maar als dat zo was, hoe kon hij dan ooit zijn vrouw van binnenuit beminnen als hij haar niet eerst ook vanbuiten had leren kennen? Solidair of solitair? Een van beiden? Of beiden tegelijk? Jonas zag zijn ster en blies, zo lijkt het, zijn laatste adem uit. Op het doek van zijn laatste schilderij stond een raadselachtig woord; Was het 'solidair' of 'solitair' . . . ?

*Toile et étoile (Schildersdoek en ster)

Van Meursault tot aan 'les muets', van 'les muets' tot aan Yvars; van een moordenaar tot aan een kunstschilder en van een kunstschilder tot aan een arbeider in een tonnenfabriek; het zijn allemaal mannen die zich verbonden voelen met vrouwen en met de zee . . .

Niet vanuit hun brein. Niet vanuit mentale constructen. Niet vanuit een maatschappelijk denken. Maar vanuit hun zintuiglijke beleving. Vanuit hun lichaam. Vanuit hun hart. Vanuit hun gevoel. Vanuit diepere, voortalige of onder-talige lagen.

Descartes dualisme lijkt omgedraaid. Maar als dat zo was, wat beleefden zij dan in die zee? Of wat voelden zij dan bij die vrouwen? Was het leegte? Loze materie? Projectie? Fictie?

In Yonas laat Camus daar een bijzonder licht over schijnen. Letterlijk bijna. In het verhaal komen de woorden 'toile' (doek) en 'étoile' (ster) in een betekenisvol verband te staan. Het is hier verre van maar een woordspeling.

Als we aan een ster denken, denken we aan iets dat heel ver weg staat. Ergens ver weg in de BUITENWERELD. Ver van ons vandaan.

In 'Yonas' vindt de kunstschilder zijn ster echter IN ZICHZELF. Zodat we ons kunnen afvragen of buiten hier misschien soms binnen wordt. Een astrologisch idee welhaast volgens welke we vanbinnen worden getekend door sterrenbeelden ver buiten ons.

Met deze vraag in gedachten zien we dat Yonas zich juist van binnenuit met zijn dierbaren verbonden voelde. Van binnenuit, wat betekent dat hij hen VERINNERLIJKT moest hebben. (Of HERKENDE hij ze vanuit een soort innerlijk weten?) In die zin wordt buiten binnen. Wij verinnerlijken vrouwen en wij verinnerlijken de zee.


Maar wat wij verinnerlijken, kan dat lege materie zijn?


'La femme adultère' (De overspelige vrouw)

In een andere novelle uit Koninkrijk en Ballingschap reizen we mee met Janine. Dit verhaal, getiteld 'De Overspelige Vrouw', speelt zich eveneens af in Algerije. De man van Janine neemt haar mee op zakenreis. Hij wil zijn boetiekje voorlopig even achter zich laten om zijn doeken te slijten aan Arabieren tot ver in den lande. Met de bus gaan zij de grenzeloze woestijn in. Dwars door zandstormen en vinnige kou schommelt de bus verder over zand en nog eens zand . . .

Het slapende lijf van haar man hopst mee met de hobbels van de woestijn. Met zijn afwezige blik en met zijn passieve, op en neer schuddende lichaam roept Marcel het beeld op van een zak aardappelen op transport. Het lichaam van dit losse individu komt ergens vreemd, absurd op Janine over. Net als die vlieg die daar maar heen en weer blijft vliegen door de bus.

Maar ook haar eigen te zware, dikke, witte lijf voelt ze contrasteren met de eindeloze woestijn om haar heen. Een koninkrijk waarin een paar nomaden vrij rondzwerven, en waarin zij volledig opgaan . . .

Laten we een fragment uit deze novelle even op de voet volgen. We nemen het vrijwel letterlijk over ('L'exil et le Royaume', Albert Camus, Édition Gallimards 1957, pg. 27) : Janine staat op een hoge stadsmuur en kijkt uit over een onmetelijk leeg land. Daar, ver weg in het zuiden, daar waar aan de horizon hemel en aarde samensmelten in één lijn, voelt zij dat er iets op haar wacht. Zij weet niet wat. Ze voelt de knoop in haar hart, die met de jaren, gewoontes en dagelijkse sleur steeds meer ging knellen, losser en losser worden; los raken . . .

In de verte ziet ze de stippen van een nomadenkamp. Het is er stil. Er is geen beweging. Toch moet zij denken aan dat handjevol mannen die daar altijd al, sinds een eeuwigheid geleden rondzwerven, zonder huis en zonder haard. Aan de mannen die daar in die grenzeloze woestijn rondtrokken en nog altijd rondtrekken, die niets bezaten en niemand dienden. Die nog áltijd niets bezitten en nog áltijd niemand dienen. Tijdloos. Vrij. Kortom, ze wordt in gedachten meegenomen naar die vrije heren van dat vreemde koninkrijk.

Een paar regels verder schrijft Camus dat Janine wel wist dat dit koninkrijk haar altijd al was beloofd. Al zou zij het alleen nooit beërven. Behalve dan dat zij het op vluchtige momenten als deze heel even mocht beleven. Een ogenblik slechts is zij weg uit de waan van alle dag en doorgedrongen tot de oorsprong, het eigenlijke van ons bestaan. Zij is verbonden met de woestijn als de hemel en de aarde aan de horizon . . .

Camus laat ons hier op indringende wijze het contrast voelen tussen het een en het al. Tussen het individuele en het universele. Tussen ons geïndividualiseerde zijn- ons bewustzijn maakt ons los van het totaal- en ons totaal zijn- we vinden ons terug in het totaal-. Tussen de verbinding- we voelen ons één- en de vervreemding. Tussen je geássocieerd en je gedíssocieerd voelen. Tussen opgaan in en afsteken tegen. Tussen diepere, verbindende lagen in ons lichaam en ons maatschappelijk denkend hersenschilletje.

De nacht breekt aan. Houdt Marcel van Janine? Overdag? Nee. 's-Nachts? Ja. Want wie kan er nu alleen slapen? Alleen, in zijn geïndividualiseerde-zijn, alleen in het nachtelijk duister, alleen in die zwarte zee? 's-Nachts, wanneer je voelt dat je alleen bent, dat je ouder wordt en dat je sterven zal?

Dat is precies het punt. In ons geïndividualiseerde, geatomiseerde zijn zijn wij een soort Marcel, wezentjes die gevangen zitten in ons eigen boetiekje, binnen de muren van onze belangen, berekeningen en maatschappelijke ambities. Een Marcel die overdag langs zijn vrouw heen leeft. Die afwezig is, afwezig is voor haar, ook al zit zij naast hem in de bus.

Maar dat is niet ons wezenlijke, diepere zijn. En in die oppervlakkige hoedanigheid zijn wij sterfelijk. We voelen het. We weten het. Het maakt ons bang. Vooral 's-nachts, wanneer het wijde, nachtelijk duister ons omgeeft . . .

Koortsachtig willen wij dan uit ons boetiekje ontsnappen. Buiten ons ikje treden. Als een Marcel: Wanhopig 'werpt' hij zich 's-Nachts op het lichaam van zijn vrouw om er zijn angsten te begraven.


Y-a-t-il un autre amour que celui des ténèbres, un amour qui crierait en plein jour?


We treden buiten ons ikje, in onze man of vrouw.

We komen weer terug bij het opgaan in en het verbonden zijn met. Het is nacht. Janine houdt het niet meer op haar nauwe hotelkamertje. De palmen ruisen in de wind. De woestijn roept. Ze moet erop uit. Ze moet naar buiten, naar de stadsmuren om vanaf de hoogte uit te kijken over het grenzeloze land. Over dat vreemde rijk van vrije heren . . .

En dan gebeurt het, we volgen de tekst weer even op de voet: Janine staat op de stadsmuur. Het is stil om haar heen. Boven haar draait de hemel, zo komt het haar voor. En ook zijzelf draait, draait met de sterren mee . . .


Au bout d'un instant, pourtant, il lui sembla qu'une sorte de giration pesante entraînait le ciel au-dessus d'elle. Dans les épaisseurs de la nuit sèche et froide, des milliers d'étoiles se formaient sans trêve et leurs glaçons étincelants, aussitôt détachés, commençaient de glisser insensiblement vers l'horizon. Janine ne pouvait s'arracher à la contemplation de ces feux à la dérive. Elle tournait avec eux et le même cheminement immobile la réunissait peu à peu à son être le plus profond / . . . /


De sterren nemen haar mee, mee in hun kosmische dans. Het universum werkt in haar en verbindt haar met haar diepste wezen. Een geheel dat onsterfelijk is en waarin zij volledig opgaat. Waarbij zij één wordt met het onsterfelijke vanuit de diepere, verbindende lagen van haar lichaam. Een lichaam dat met haar verbindende kracht geen lege materie kán zijn, maar waarin zij haar wortels vindt. Waarin zij terugvindt waaruit zij was ontstaan en terugvindt waaruit zij was voortgekomen. Waarin zij, tot slot, zichzelf terugvindt in het geheel . . .

In die magische woestijnnacht van toen voelde Janine het levenssap weer door haar lichaam stromen. Het levenssap van haar eigen, oorspronkelijke leven . . .

Luisterboek 'L'Exil et le Royaume' (Frans)

Luisterboek 'L'Exil et le Royaume' (Engels)

'Le Mythe de Sisyphe'

De Mythe van Sisyphus

Tegenover onze diepere, verbindende lagen staat ons brein in de zin van ons bewustzijn, onze rede en ons verstand. Van waaruit we vragen stellen als 'wat is de zin van het leven?'. Die vraag zit in ons hoofd, in onze gedachtewereld. Maar die vraag zit níet in ons lichaam. Evenmin in de natuur om ons heen. Want daar- we zagen het zo-even al- is er geen reden en is er geen waarom.

Zin is een hersenschim. Op zichzelf is het leven zinloos. Zinloos als Sisyphus die eindeloos doorgaat met maar stenen de berg op dragen. Ook al rollen ze steeds weer naar beneden. En ook al moet hij ze steeds weer opnieuw naar boven sjouwen. Het is allemaal zinloos, zinloos, en nog eens zinloos . . .

Moeten we er daarom maar in berusten? De vraag is of er een weg terug is. Of we ons van onze manier van denken kunnen bevrijden. Of we onze vragen het zwijgen op kunnen leggen en of we die (natuurlijke!) behoefte aan zin in ons leven wel kunnen uitbannen. Evenals Sartre kwam Camus tot de conclusie dat het aan onszélf is om zin te geven aan ons leven. Iets dat een grote verantwoordelijkheid schept.

Afbeelding 'Le Mythe de Sisyphe'

Luisterboek 'Le Mythe de Sisyphe'

De geheimen van verbinding

Uit de werken van Camus rijst het beeld op van een gelaagde mens. Vanuit zijn diepere, voortalige lagen (waarin hij 'denkt' in gevoel, gevoelens en zintuiglijke waarnemingen) kan de mens zich diep verbonden voelen met de wereld om zich heen. Hij kan er de kosmische krachten in zich voelen werken en de natuur met al haar verschijnselen intens beleven.

In die lagen regeren zijn diepste en meest wezenlijke gevoelens. Gevoelens die zó diep en zó wezenlijk zijn dat ze zich niet, of niet makkelijk in woorden laten vangen. Of zich überhaupt niet tot uitdrukking laten brengen in onze taal (zelfs niet in onze dichtkunst).

We vinden er- we herinneren ons Rousseau nog wel- de mens in de grond van zijn natuur. In zijn meest pure, eigen, eigenlijke en wezenlijke manier van zijn. We vinden er het totaal en wie we ten diepste zijn.

Geen wonder dat we daar onze verbondenheid, daar onze liefde en daar onze kunstzinnigheid kunnen vinden. Zij gaan dieper dan onze woorden, onze rede en ons verstand ook maar ooit kunnen komen.

Als krabben en kreeften uit de zee zijn onze voortalige 'gedachten' uit de materie gekropen. Ze zijn eruit, maar zeker ook erín ontstaan. Erín. Maar als dat zo is, betekent dit dan niet dat zij er ergens al in zaten?! Op welke manier of in welke hoedanigheid dan ook?

En als dat op zijn beurt óók zo is, mag het ons dan verbazen dat wij zoveel kunnen voelen in de zee? Bij een sterrennacht? Of in het lichaam van een vrouw? Grenzen vervagen en alles lijkt bezield te raken . . .

Vanuit hart en nieren kunnen wij ons- zo zagen we- verbinden met de wereld om ons heen. Alleen hoe werkt dat? In onze beleving wordt een stukje zee al snel een hele oceaan, als een boom een bos, een vrouw een wereld vol vrouwen of liever vrouwelijk en een stukje woestijn een hele woestijn, een universum. Van wat natuur komen natuurverschijnselen, natuurkrachten. En van wat sterren een heel kosmisch spel. Houden we onszelf daarbij voor de gek? Voelen we wat niet is? Zien we spoken? Of hebben we een zesde zintuig? Een innerlijk weten misschien van waaruit we herkennen? Al is dan alras de vraag hoe wij daar aan komen.

Het probleem van de verbinding

Camus stelt echter tegenover de verbinding een haarscherp probleem: Door ons bewustzijn zijn we (hopeloos) geïndividualiseerd. Daardoor zijn wij verbannen uit ons paradijs, d.w.z. dat wij ons eigenlijke wezen en ons eigenlijke leven steeds verder zijn kwijtgeraakt. We zijn vreemden geworden voor de natuur, en de natuur een vreemde voor ons. Gevolg: 'In de mallemolen van het leven draait ieder zijn rondje mee'. Gevangen in onze eigen mist en maaksels. De natuur lijkt absurd vanuit ons verstand. Evenals ons verstandelijk doen en laten absurd is t.o.v. de natuur. Het absurde staat niet op zichzelf, maar in verhouding tot het andere. Het is een relatief begrip.

INTERESSANTE LITERATUUR

L'Étranger, Albert Camus

L'Exil et le Royaume, Albert Camus

Le Mythe de Sisyphe, Albert Camus



hirondelle

Eugène Dubois, over het ontstaan van de mens


Wat is onze binnenwereld? Het huis van God? (Sint Augustinus) Een ideeënwereld? (Plato) Een fijnzinnige, kunstzinnige of dichterlijke wereld? (Hoofse dichters) De ziel die met haar interne zintuigen de wiskundige werkelijkheid waarneemt (of kan waarnemen)? (Pythagoras) De natuur in ons? (Rousseau) Een streven in of van levende lichamen? De verwerkelijking daarvan? (Aristoteles) Wordt zij door de sterren getekend? (Astrologie) Of komt zij uit de materie kruipen als krabben en kreeften uit de zee? (Sartre/ Camus) Waar komt zij toch vandaan?! En hoe is zij toch ontstaan?! Ja, hoe zijn wij mensen überhaupt ontstaan . . .?


Eugène François Thomas Dubois (1858 - 1940)

Eijsden, 1858.

In een klein katholiek dorpje aan de Maas, die daar met hoge snelheid vanuit de Ardennen naar beneden kwam snellen, werd Eugène François Thomas Dubois geboren. De Dubois waren van Waalse afkomst. Zijn vader was een echte dorpsnotabel: de burgemeester en apotheker van het Limburgse plaatsje. Hij was een grote, statige man. Het gezicht van het dorp. Eugènes moeder daarentegen was een klein, tenger vrouwtje. Een fervent katholiek met een vurig karakter.

Het geboortehuis van Eugène Dubois

Dubois groeide op te midden van potten, poeders en vijzels, weegschalen en geleerde boeken. De ouderwetse apotheek maakte deel uit van zijn ouderlijk huis. Rondom lachten de Zuid-Limburgse heuvels hem toe. In deze inspirerende omgeving werd al snel zijn wetenschappelijke belangstelling gewekt. Botten, veren en fossielen trokken zijn aandacht. Hij had oog voor het biologisch, geologisch en paleontologisch rijke landschap, waarin hij uren kon rondstruinen.

Krantenartikelen en geruchten over de evolutietheorie wakkerden het vuur van zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid aan. In haar pakkende biografie van Eugène Dubois, getiteld De ontbrekende schakel, schrijft de Amerikaanse Pat Shipman, '/Dubois/ werd geboren op 28 januari 1858, anderhalf jaar nadat in Duitsland het eerste Neanderthalerskelet gevonden was en iets meer dan een jaar voor in Engeland Charles Darwins The Origin of Species verscheen'.

'De ontbrekende schakel'

De evolutietheorie hing in de lucht en Eugène ademde die met volle teugen in. De middelbare schooltijd brak aan. Als twaalfjarige jongen al getuigde Dubois van zijn doorzettingsvermogen en ijzersterke karakter. Hij wilde coûte que coûte naar de HBS in Roermond. Want in deze stad, waarin de kathedraal tijdloos boven de kudde uittorende, en de katholieke kerk de klok liever terug dan vooruit draaide, werd in het hol van de leeuw modern natuurwetenschappelijk onderwijs gegeven. In het conservatieve Eijsden konden dit soort vooruitstrevende scholen al op weinig goedkeuring rekenen, laat staan dat de roekeloze bevlieging van zo'n snotaap er met enthousiasme kon worden begroet. Ondanks de schuine blikken en achterklap van vrome dorpsgenoten die vast snel overstaken om de Dubois maar niet te hoeven groeten, kreeg Eugène zijn pa en gewichtig burgervader om; de jongen mocht gaan. Après tout was goed natuurwetenschappelijk onderwijs een mooie weg om apotheker te worden, en dan in Eijsden, wel te verstaan.

De oude HBS te Roermond

Dubois stoomde van de HBS door naar de universiteit. Hij verliet het Bronsgroen Eikenhout om medicijnen te gaan studeren in Amsterdam. Na zijn studie wijdde hij zich aan de anatomie (de vormleer van het menselijk lichaam). Dubois deed daarbij een opzienbarende ontdekking die hem in de wetenschappelijke wereld zeker faam zou gaan bezorgen . . . althans dat dacht hij: Want dan was daar zijn grote leermeester, professor Fürbringer, die onmiddellijk door had dat Dubois hier met wereldschokkend nieuws kwam, en daarbij niet terugschrok om met andermans veren te pronken. Fürbringer schreef Dubois namelijk voor om onder aan zijn artikel nog wel even te vermelden dat hij, 'de grote professor Fürbringer', het hier natuurlijk allemaal al tijdens zijn colleges uitvoerig over had gehad. Een aperte leugen. Dubois was perplex.

Eugène Dubois

Gezichten van Limburg: Eugène Dubois

Alle reden dus om onder de vleugels van deze valsspeler vandaan zien te komen. Eugène moest een goed plan beramen. Het gistte in zijn hoofd. En toen gebeurde het . . . In België waren twee neanderthalerskeletten gevonden. Nu stond het skelet uit Duitsland niet meer alleen, en kon het niet langer worden afgedaan als de overblijfselen van een ziek en afwijkend persoon van onze soort (Homo sapiens). Nieuws dat als de bliksem insloeg in het brein van de briljante Dubois. Hij wist op slag wat hem te doen stond. Hij had een belangrijke missie te vervullen.

Neanderthalers

Hij verbrandde zijn schepen achter zich, verliet huis en haard, zag af van het comfortabele leven van een gevestigde professor in de stinkend rijke Amsterdamse grachtengordel, liet zich beschimpen en bespotten door notoire wetenschappers die hem niet meer voor vol aanzagen, haalde zich de diepe afkeuring van zijn familie en conservatieve katholieken op zijn schouders, en dat allemaal om zich in te schrijven voor een tropenbaan in de letterlijke en figuurlijke zin van het woord om zijn vrije tijd aan de een of andere 'idiote hobby' te verspelen.

Dubois vertrok naar de Oost; eerst naar Sumatra en later naar Java om zijn wetenschappelijke plicht- zo voelde hij dat zeker- te kunnen vervullen en om te bewijzen, nee, om onomstotelijk en wetenschappelijk te bewijzen dat de mens langs evolutionaire weg was ontstaan.

Was hij geslaagd op zijn missie? Dubois voelde zich miskend. In de herfst van zijn leven leefde hij teruggetrokken op zijn landgoed de Bedelaer in het Limburgse Haelen. Pat Shipman verwoordde zijn gemoedsstemming als volgt: 'Dubois voelde zich oud, koud en moe'.

Charles Darwin (1809-1882)

Hoe anders was zijn stemming als kind en als jongeman! Dubois had een passie: Hij wilde vurig weten hoe alle planten en dieren in elkaar zaten en hoe zij waren ontstaan. Zijn leven draaide om Darwins evolutietheorie.

Daarin was The Origin of Species (1859) een monumentaal werk. In zijn beroemde boek liet Darwin (1809-1882) zien hoe planten- en diersoorten zijn ontstaan. We stuiten hier op een ingewikkeld stuk biologie. Eén constatering is echter bloedsimpel en onbetwistbaar: Levende organismen passen zich aan hun leefomgeving aan. In een doorlopend proces, van generatie op generatie.

Daarbij brengen (vooral) de best aangepaste organismen nageslacht voort. Hierdoor worden bepaalde kenmerken doorgegeven en versterkt (terwijl andere juist verloren gaan). Natuurlijke selectie vindt plaats. Deze wordt veelal gezien als de grote aandrijver van evolutie.

In Jip & Janneke taal gezegd, hebben vissen vinnen omdat ze in het water leven, vogels vleugels omdat ze in de lucht leven, giraffen lange nekken omdat ze onder een hoog, sappig bladerdak leven en apen lange armen en grijpvingers om mee van tak tot tak te kunnen slingeren.

N.B.: DAT dieren dankzij evolutie aangepast zijn/raken aan hun natuurlijke leefomgeving is duidelijk. HOE evolutie precies in zijn werk gaat ligt een stuk gecompliceerder. Bekend zijn, bijvoorbeeld, de verschillen in inzicht tussen Darwin en Lamarck.

Grijpvingers

De gevolgen van evolutie zijn duidelijk:

*In warme gebieden heb je heel andere planten en dieren dan in koude, en in droge weer heel andere dan in natte gebieden.

Dat was ook wat Darwin opviel tijdens zijn lange bootreis met The Beagle. Zo ontdekte hij dat zich op de afgelegen Galapagos eilanden een hele eigen flora en fauna hadden ontwikkeld.

*Miljoenen jaren geleden leefden er op aarde (voornamelijk) andere organismen dan nu.

Evolutie is immers een proces waarbij alles zich blijft ontwikkelen en waarbij alles langzaam verandert (al kunnen er zich ook plotselinge veranderingen voordoen). Darwin legde een fossielenverslag aan: Aan de hand van fossielen onderzocht hij hoe het leven op aarde geëvolueerd was. Daarbij speelde natuurlijk de vergelijking tussen de levende en uitgestorven diersoorten een belangrijke rol.

Door goed naar fossielen, planten en dieren te kijken kun je (met een goede achtergrondkennis) achterhalen:

*waar ze leven/ hebben geleefd
*wanneer ze hebben geleefd.

Daarbij kun je stambomen van planten- en diersoorten maken: Door alle zowel levende als uitgestorven planten- en diersoorten met elkaar te vergelijken kun je aan de hand van de uiterlijke kenmerken (vaak) inzichtelijk maken hoe de ene soort uit de andere soort moet zijn ontstaan.

illustratie van de afstamming van de mens

Het bestuderen van die uiterlijke kenmerken noemen we de vormleer of ook wel de morfologie. Deze wetenschappelijke discipline die deel uitmaakt van de biologie, heet de anatomie wanneer deze specifiek de vormen van de mens onderzoekt. Anders dan in de negentiende en begin twintigste eeuw brengt tegenwoordig vooral de genetica genoemde afstammingslijnen in kaart.

Ernst Haeckel (1834-1919)

Dankzij Darwin, of mede dankzij Darwin, was Dubois doordrongen van het cruciale belang van de morfologie. Beslissend voor Dubois verdere wetenschappelijke ontwikkeling, inzichten en missie was zeker ook het werk van Ernst Haeckel (1834-1919). Wie was hij? En waarom waren zijn ideeën voor Dubois zo belangrijk?

Haeckel was een zoöloog die zich o.a. bezighield met de fylogenie. Binnen de fylogenie worden de verschillende afstammingslijnen (fyla) opgespoord. Het uiteindelijke doel is natuurlijk de stamboom op te stellen van alle levende organismen, compleet met al zijn hoofd- en zijtakken. Die boom stond al redelijk snel. Niet in al zijn details en complete bladertooi, maar dan toch wel met zijn stam en hoofdtakken.

Levensstamboom

De afstammingslijn van vogels

Laten we, om ons een beeld te vormen, een paar grote lijnen voor de geest halen: Het eerste leven ontstond in het water en bestond uit eencellige organismen. Uit deze minuscule wezentjes ontstonden vissen. Toen de aarde steeds meer land begon te krijgen, kwamen er uit de vissen amfibieën voort, uit de amfibieën reptielen, uit de reptielen langs de ene lijn dinosaurussen en vogels, en langs de andere lijn zoogdieren.

Haeckel was ervan overtuigd dat we deze evolutionaire geschiedenis konden terugvinden in onze embryonale ontwikkeling: Voordat we als baby ter wereld komen, zouden we volgens hem vanuit de bevruchte-eicel-fase in een soort vis-fase komen, vanuit die vis-fase in een soort amfibie-fase, van daaruit in een soort reptiel-fase en tenslotte in een soort zoogdierfase. (Hoewel er tegenwoordig volgens de meeste biologen zeker wel een kern van waarheid schuilt in dit idee, draafde Haeckel hier overigens wel door.)

Haeckel kon nu natuurlijk moeilijk meer om de conclusie heen dat ook wij mensen langs evolutionaire weg moesten zijn ontstaan.

Zijn bevindingen konden bepaald niet overal rekenen op een warm onthaal! Hoe haalde Haeckel het in zijn hoofd! Want had God niet alles geschapen naar zijn soort?! En de mens zelfs niet naar zijn beeld?! In het overwegend christelijke Europa vielen Darwins bevindingen al niet lekker, laat staan dit soort 'krankzinnige hersenkronkels' van een Haeckel. Hoe kwam hij erbij: de mens ontstaan uit een aap! Het moest niet gekker worden!

Vele christelijke zielen waren hevig gechoqueerd. Maar waarom precies? De Bijbel schildert Gods schepping namelijk af als iets dat klaar/ voltooid was; God had geschapen. Al zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat we betreffend tekstgedeelte in de Hebreeuwse grondtekst beter met 'God is scheppende' (een doorlopend proces in lijn met het idee van evolutie) hadden kunnen vertalen dan met 'God schiep' (een afgeronde handeling).

Strottenhoofd

Terug naar Dubois. Onze Limburger las en herlas het werk van Haeckel. Hij was letterlijk gebiologeerd.

Tijdens zijn werk als anatoom richtte hij zich niet zonder reden op het strottenhoofd. Twee kenmerken onderscheiden de mens namelijk van alle andere dieren:

*Onze rechtop gaande gang

*Ons strottenhoofd
(dat als gevolg hiervan, onder de werking van de zwaartekracht, indaalde)

Ons strottenhoofd maakt deel uit van onze spraakorganen. Het zorgt ervoor dat wij lucht op gecontroleerde wijze door ons spraakkanaal (mond en keel) kunnen sturen, iets dat zelfs onze nauwst verwante familieleden, de chimpansees en de bonobo's, in het geheel niet kunnen. Experimenten om deze primaten te leren praten zijn op niets uitgelopen terwijl deze zich tot op een verrassend hoog niveau een gebarentaal als LSA kunnen eigen maken. Meer dan hun begripsvermogen bleek hier hun strottenhoofd in de weg te staan.

Ons strottenhoofd maakt het verschil; het heeft niet alleen onze taal mogelijk gemaakt, maar in het verlengde daarvan ook ons talige- en dus menselijke- denken.

Dubois dacht met de anatomische kennis van ons strottenhoofd een belangrijke sleutel in handen te krijgen. En die kreeg hij! Zijn vergelijkend morfologisch onderzoek bracht aan het licht dat ons strottenhoofd was ontstaan uit . . . de vierde en vijfde kieuwboog van de vis!

Dit was wereldschokkend nieuws! In ons lichaam droegen wij mensen dus nog altijd sporen van vissen! Haeckel had gelijk: de mens is inderdaad een verre afstammeling van de vis.

Logica

Dubois was het roerend met Haeckel eens: De mens moest langs evolutionaire weg zijn ontstaan. En dat moest en dat zou hij bewijzen ook! Alleen hoe? Een paar logische redeneringen hebben Dubois duidelijk op een belangrijk spoor gezet: Een paar bloedsimpele redeneringen, maar briljant in hun eenvoud en trefzekerheid.

Laten we ze hier even schetsen:

I
*Evolutie verloopt geleidelijk.
(Een muis verandert nu eenmaal niet van het ene op het andere moment in een olifant.)

*Mensapen (gorilla's, orang-oetans, chimpansees en bonobo's) lijken verdacht veel op mensen.

*Mensapen staan dus evolutionair gezien dicht bij de mens.

*Ze lijken alleen weer te weinig op mensen om onze directe voorouders te kunnen zijn; daarvoor zijn de verschillen te groot.

*Dus ontbreekt er een schakel tussen de mensapen en de mens; de aapmens dus.

II
*Als de ontbrekende schakel (missing link)/ aapmens heeft bestaan, dan moeten er fossiele resten van te vinden zijn.

*Deze vormen een tastbaar en hardwetenschappelijk bewijs.

III
*Alle mensapen leven in de tropen (Afrika/ Azië).

*Dus ontstonden de aapmensen naar alle waarschijnlijkheid ook in deze gebieden.

*Conclusie: we moeten in tropisch Afrika en/ of Azië op zoek gaan naar hun fossiele resten.

IV
*In Europa waren Neanderthalerskeletten gevonden.
*Eerst een in Duitsland en later twee in Wallonië.
*De skeletten van deze mensachtige zijn alle drie gevonden in grotten.
*Grotten zijn een geschikte plaats om op zoek te gaan naar fossielen van de missing link.

III + IV
*Je kunt het beste speuren naar de missing link in de grotten van tropisch Afrika en/ of Azië.

Maar dan die ene redenering die Dubois op een belangrijk spoor zette . . .

Indonesië

Dubois wilde de missing link gaan zoeken in de tropen. Maar waar moest hij zijn? In Zuid-Amerika? In geen geval want daar zitten geen mensapen. In Afrika? Of in Azië? Want daar zitten ze allebei. Het was een ronduit moeilijke keuze.

Twee overwegingen gaven de doorslag, de eerste was vooral praktisch van aard: Indonesië was een Nederlandse kolonie waar hij als tropenarts goed terecht kon. In zijn vrije tijd kon hij zich daar volledig aan zijn missie wijden.

De tweede reden was wetenschappelijk. In de negentiende eeuw rekende men (ten onrechte) de gibbon nog onder de mensapen. Kenmerkend voor de gibbon was dat deze aap volledig rechtop kon lopen en dit zelfs regelmatig ook deed. De afstammingslijn van de mensachtigen zou daarom weleens bij de gibbon (of eventueel bij een gemeenschappelijke voorouder) hebben kunnen uitkomen. Anders gezegd: De missing link moest in hetzelfde gebied hebben geleefd als de gibbon. Dat was in Azië en niet in Afrika.

Een rechtoplopende gibbon

De keuze was duidelijk. Dubois scheepte zich in voor Sumatra. Zoals verwacht vond hij daar in de grotten schitterende fossielen, alleen na vijf jaar intensief zoeken nog altijd niet die van de aapmens.

Nederland geeft Dubois collectie terug aan Indonesië

Dubois krabde zich eens achter zijn oren en vroeg zich af of al zijn zoektochten nog wel zin hadden. De bergen op Sumatra waren bovendien vaak erg steil en de grotten . . .

Pat Shipman beschrijft op een kostelijke manier hoe de groep inheemse mannen die Dubois (in deze koloniale dagen) ter beschikking waren gesteld, bijna letterlijk met geen stok waren te bewegen om door een nauwe ingang een grot in te gaan. Wat bezielde hen? Dubois was boos. De grote professor zou ze wel eens laten zien hoe je dat deed! Dubois wurmde zich door de nauwe spleet en wist niet hoe snel hij weer moest omkeren: De geur van rottend vlees dreef hem tegemoet. Maar veel erger nog: De aanwezigheid van een Sumatraanse tijger was griezelig voelbaar. De boze reus, die omgerekend naar deze tijd rond de 1.90 (m) moet zijn geweest, kon alleen nog maar achterwaarts terug en kwam met zijn dikke achterste hopeloos vast te zitten. Wanhopig smeekte hij de inheemse mannen om hulp, die hem daarop aan zijn benen braaf weer naar buiten trokken. Wat zullen zij zich stiekem vermaakt hebben!

Dubois bekeek de kaart en ontdekte op Java het duizend grotten gebied. In het zachte kalksteen hadden krachtige waterstromen daar vele cavernes uitgeslepen. Een voor onze Limburger veelbelovend karstlandschap was zo ontstaan. Bovendien waren de bergen er minder steil en de grotten toegankelijker. Dubois verhuisde daarom met zijn gezin naar Java.

De Bengawan Solo rivier

In de periode die volgde kwam een hele schat aan fossielen tevoorschijn, maar nog altijd niet de felbegeerde overblijfselen van de missing link. Dubois moet mistroostig naar de Bengawan Solo rivier hebben gekeken die daar beneden hem tussen de bergen door kronkelde . . . tot hem een werkelijk geniale gedachte te binnenschoot:

De Bengawan Solo rivier op Java

V
*Rivieren slijpen zich in het landschap in.
*Zeker in bochten komen daarbij oudere grondlagen boven te liggen.
*In die lagen liggen overblijfselen (botten, beenderen, schedels etc.) van dieren die daar vroeger hebben geleefd.
*In de diepere lagen kunnen ook fossielen liggen van de missing link.
*Op zoek naar de ontbrekende schakel, moeten de vrijgekomen lagen in de bochten van de Bengawan Solo rivier worden uitgekamd.

En dat gebeurde met . . . succes! In een meander van deze Javaanse rivier werden drie overblijfselen van een aapmens gevonden:

*een kies

*een schedeldak
Op basis van dit fossiel kon berekend worden dat de bijbehorende herseninhoud rond de 2000 CC moet hebben gelegen. Ter vergelijk: een chimpansee heeft er een van rond de 1000 CC en de moderne mens een van omennabij de 2500 CC. Daarmee vertoonde de schedel onbetwistbaar een menselijke trekje.

Maar was het dan wel de schedel van een aapmens en niet een van een mens of van een mensachtige uit vroeger tijden? Opmerkelijk genoeg had deze nog zeer uitgesproken chimpansee trekken: De wenkbrauwbogen vormden namelijk het voor mensapen zo kenmerkende 'afdakje' boven de ogen. Qua schedel zou je het wezen aan wie deze heeft toebehoord half mens-half aap kunnen noemen, of liever: aapmens.

Het schedeldak van de Javamens

*een dijbeen
Vanwege de wenkbrauwbogen dacht Dubois aanvankelijk dat hij met een chimpansee te maken had. De herseninhoud van de schedel leerde hem echter wel anders, evenals het dijbeen. Dubois was een meester in het botten lezen. Hij kon er heel veel uit opmaken. Vaak kon hij zien van welk dier of van wat voor soort dier de overblijfselen waren geweest, hoe het had geleefd en hoe het zich moest hebben voortbewogen.

Het dijbeen dat Dubois had gevonden leek daarentegen bijzonder sterk op dat van een mens, en een ding was wel duidelijk: We hadden hier de fossielen van een wezen dat rechtop moest hebben gelopen.

Het dijbeen van de Javamens

Pithecanthropus erectus of 'Javamens'

De kies, het dijbeen en het schedeldak waren gevonden binnen een straal van 15 meter. Bovendien lagen zij alle drie in dezelfde geologische laag. Dat betekende dat ze uit dezelfde periode moesten dateren en dat het om de overblijfselen van één en hetzelfde individu moest gaan.

Op basis van alle andere vondsten die in deze geologische laag werden gedaan, kon worden geconcludeerd dat onze half-aap half-mens in het Pleistoceen moest hebben geleefd; precies de periode waarin de aapmens moest zijn ontstaan. Later kon wetenschappelijk worden vastgesteld dat de overblijfselen van onze 'Javamens' ruim een miljoen jaar oud waren.

Dubois missie was geslaagd! Hij had zijn ontbrekende schakel gevonden. Een vrouw, zoals uit de skeletresten nog viel op te maken. Hij gaf haar de wetenschappelijke naam Pithecanthropus erectus en noemde haar in het Nederlands 'Javamens'.

Pithecanthropus erectus/ Javamens

Het harde wetenschappelijke bewijs was geleverd: wij mensen stammen via aapmensen af van (mens)apen.

Maar hard wetenschappelijk bewijs wilde nog niet zeggen dat dit overal werd aanvaard! Zoals te verwachten viel werd Dubois in katholieke kringen nu niet bepaald gevierd om zijn vondst. Maar zelfs in de wetenschappelijke wereld werd schamper gereageerd.

Simpele logica met een materieel bewijs!

Wonderen bestaan niet, is een heersende, of in bepaalde culturen zelfs alles overheersende opvatting. Toch valt Dubois verhaal best wonderlijk te noemen: Onze Limburgse natuurvorser had in zijn leven vanzelfsprekend heel wat mensen gezien, en mensapen ook. Van hun bestaan had hij kennis kunnen nemen in de fysieke werkelijkheid of in de materiële wereld, zo je wilt. Maar een aapmens was hij natuurlijk nog nooit in levende lijve tegengekomen.

Toch wist hij dat dit wezen moest hebben bestaan . . . dankzij een logische redenering (redenering I) We herhalen hem hier even:

*Evolutie verloopt geleidelijk
*Mensapen lijken sterk op mensen
*Mensapen zijn evolutionair gezien nauw verwant
*Mensapen kunnen niet onze directe voorouders zijn; daarvoor zijn de verschillen te groot
*Dus moet er een ontbrekende schakel zijn geweest (tussen mensapen en de mens in)

Kortom, Dubois wist dat iets moest hebben bestaan ook al had hij het nog nooit gezien (op welke wijze dan ook). En dat allemaal vanuit een immateriële of metafysische logica. Grijpen het materiële en het immateriële hier in elkaar?

Dubois lijkt in deze overigens sterk op onze Franse inspecteur Maigret. Hoeveel politiezaken zijn er niet opgelost door implicaties of redeneringen van het type 2 uit 3: Ik weet A en ik weet C, dus weet ik ook B.

puzzel

In een bocht van de Limburgse Maas

Terug in Nederland keerde Dubois weer in zijn Bronsgroen Eikenhout. Hij trok zich terug op zijn landgoed de Bedelaer nabij het Midden-Limburgse Leudal.
De naam 'Bedelaer' komt van het Limburgse biej laer dat 'bij het bosven' betekent. Op Dubois landgoed te Haelen lag een pittoresk ven, waar aan de oever de professor heel wat uren heeft moeten zitten mijmeren.

laorEen bosven op het landgoed de Bedelaer




Hadden meanderende rivieren iets magisch voor hem gekregen? Bij een bocht van de Maas, ergens in de buurt van Tegelen, onderwierp Dubois in een groeve de blootgelegde grondlagen aan een grondig onderzoek. Goed geconserveerde zaden, botten, schedels en slagtanden, beenderen, fossielen en wat dies meer zij, kwamen eruit tevoorschijn.

Hoe dieper hij kwam, hoe verder hij terugging in de tijd, naar de tastbare getuigstukken van flora's (bomen- en plantenwerelden) en fauna's (dierenwerelden) van langer en langer geleden.

Per laag kon hij uit de zaden en dierlijke resten die er waren gevonden, opmaken welke bomen, planten en dieren er in de bijbehorende periode moeten hebben geleefd. In Dubois wetenschappelijke beleving moesten zich uit wat botten en zaden hele werelden hebben geopend als bloemen uit hun knop, of zoals bij de Franse schrijver Marcel Proust een hele kinderwereld uit een lepeltje lindebloesemthee, die vele, vele jeugdherinneringen in hem opriep.

Bomen-, planten- en dierenwerelden uit gematigde perioden, barre ijstijden en subtropische perioden trokken voor Dubois geestesogen met de lagen voorbij.

Subtropische perioden? Heeft Limburg dan werkelijk een subtropisch klimaat gekend? De zaden die afkomstig waren uit de diepere rivierlagen kon onze Limburgse natuurvorser gaan vergelijken met zaden van nu. Daarbij kwam hij uit bij de flora van warme, vochtige landen!

In het bosrijke Limburg van toen, het Tiglien van 2,2 tot 1,8 miljoen jaar geleden!, groeiden torenhoge rubberbomen, tulpenbomen, vleugelnoten en cypressen. Terwijl vele soorten bamboe er weelderig tierden.

In het Tegelse rivierlandschap van weleer moet het gewemeld hebben van velerlei exotische en uitgestorven dieren, zoals reuzenherten, reuzenbevers, wolharige neushoorns, hyena's, mammoeten en apen (makaken).

Het Tegelse landschap in het Tiglien

Tegels reuzenhert

Reuzenbever

In het Limburgse kloosterdorp Steyl ligt de Jochumshof. Daar zijn geweldige reconstructies gemaakt van Tegelen zoals het was tijdens het Tiglien.

Biodiversiteit

Geen wonder dat Dubois was gebiologeerd door biodiversiteit. De flora van het pittoreske Leudal (het beekdal van de Leubeek) moet Dubois gecharmeerd hebben. Uit de kruiden die hij daar vond stelde hij het recept samen van een kruidenbitter waarin je het betoverende Leudal kon proeven!

Dit recept was geheim! Dubois vertrouwde het alleen toe aan een drankenhandelaar uit Heythuysen, 'de oude Storms', die zijn wijnzaak had aan het kerkplein. De kruidenbitter wordt tot op de dag van vandaag nog verkocht in schitterende aardewerken kruiken, en in de Sint Elizabeth's Hof te Haelen kun je met een goede kop Leudalkoffie een magische omgeving met een mooie geschiedenis tot je nemen!

De Bedelaer

Dubois kocht een schitterend landgoed, de Bedelaer, vlakbij het Leudal.

In het vennetje mocht de grote, sterke Garouda graag een frisse duik nemen. De professor, die door de Indonesische bevolking naar zijn hybride god, half-mens half-adelaar, was vernoemd, hield van zwemmen. Als kind al oefende de Maas in zijn Zuid Limburgse Eysden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit. En als hij maar even kon, sprong hij daar in het woelige, krachtig stromende water. Ook al was dat levensgevaarlijk. Zijn moeder stond regelmatig bezorgd op de uitkijk.

Garouda

Dubois hield van zwemmen en van vis. Gerookte paling! Regelmatig stuurde hij zijn huishoudster erop uit om er een paar te gaan halen bij een vishandel in Roermond. Een stevige wandeling!

Onze natuurvorser kon het vorsen niet laten. Op zijn landgoed bouwde hij een uilen- en een vleermuistoren want Dubois wilde weten, weten en nog eens weten! Alles weten!

uilentoren


Evolutie & intuïtie

Door de eeuwen heen waren vele grote geesten, van Plato tot aan Rousseau en van Sint Franciscus tot aan Camus, ervan doordrongen dat wij mensen een hele wereld aan kennis in ons droegen, die we met onze geboorte hadden meegekregen. Die ingeboren was. De Frans-Zwitserse filosoof Jean-Jacques Rousseau wees er zelfs op dat wij ons leven én óverleven aan deze kenniswereld te danken hadden.

Spiegelde de macrokosmos zich in de microkosmos? Dat leek langs intuïtieve weg wel vastgesteld. Alleen als wij nu zulke schatten aan kennis in ons droegen, waar kwamen zij dan vandaan? Dat was natuurlijk de grote vraag.

Het natuurwetenschappelijke bewijs dat wij langs evolutionaire weg waren ontstaan, leverde ons een buitengewoon verhelderend antwoord op. En het was uiteindelijk de Limburgse professor Dubois die maakte dat we er niet meer omheen konden: Hij toonde aan dat ons strottenhoofd was gevormd uit de vierde en vijfde kieuwboog van vissen uit een ver, heel ver verleden, en als klap op de vuurpijl had hij de missing link gevonden!

Wat betekende dit?

*Wanneer in ons lichaam heel oude bouwlagen liggen, van organismen die miljoenen en miljoenen jaren geleden leefden,

*en er een correlatie bestaat tussen de bouw van een dier en zijn gedrag, belevingswereld, kennis, intuïtie en instinct, oftewel tussen zijn uiterlijk en zijn innerlijk
(zoals bij een vis die vanbinnen en vanbuiten op het water is gebouwd)

*mogen we wel aannemen:

*dat er óók in onze binnenwereld heel oude lagen liggen

*met heel oude kennis, intuïties en/ of instincten

*en mogelijk belevingswerelden

Zodat zich de vraag opdringt of wij mensen in ons gedrag en in onze belevingswereld nog altijd de sporen dragen van zeedieren die de zeeën 'in het begin der tijden' bevolkten. Om die vraag te kunnen beantwoorden, zullen we ons tot de gedragsbiologen moeten richten.

Duidelijk lijkt in ieder geval wel dat onze binnenwereld, van waaruit we de wereld om ons heen (ergens) kunnen HER- kennen, veel aan onze evolutionaire ontstaansgeschiedenis te danken heeft.


Expeditie Limburg: Dubois 1/3

Expeditie Limburg: Dubois 2/3

Expeditie Limburg: Dubois 3/3

INTERESSANTE LITERATUUR

The Origin of Species, Charles Darwin

The Missing Link, Pat Shipman

Man-ape, ape-man, Richard E. Leakey, L. Jan Slikkerveer

hirondelle

Geschiedenis van de geest

Hoe is onze geest of ziel ontstaan?

In het Oud Hebreeuws wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ziel en geest. De geest (רוח / ruach) is onstoffelijk, terwijl de ziel (נפש / nefesh) het geheel is van lichaam en geest; je wezen. In die zin heb je geen ziel, maar ben je een ziel. De vraag is natuurlijk of er zoiets als de geest bestaat en hoe de ziel is ontstaan.

Dubois toonde niet alleen aan dat wij verre afstammelingen zijn van de vis, maar leverde bovendien het tastbare bewijs dat wij via de aapmens uit (mens)apen zijn voortgekomen. Zijn bewijsvoering was in beide gevallen volledig morfologisch van aard. D.w.z. dat hij alleen keek naar de uiterlijke kenmerken. Maar in hoeverre zegt de evolutie van de buitenkant ook iets over die van de binnenkant? Iets over onze ziel?

Bevrijdingen

De Franse paleontoloog André Leroi-Gourhan koppelt in Le Geste et la Parole de evolutie van lichamen en lijven aan die van de ziel in de aristotelische zin van het woord. De ziel is hier datgene dat maakt dat een organisme leeft en de voor zijn soort kenmerkende levensfuncties kan vervullen. Zo geeft de ziel hem, bijvoorbeeld, het vermogen zich te voeden, zich te verplaatsen, zich voort te planten, te groeien, te reageren, te redeneren te communiceren en/ of waar te nemen.

Le Geste et la Parole

In de optiek van Leroi-Gourhan zijn er een aantal mijlpalen in de evolutie naar de mens. Niet alleen naar de mens in lijf en leden, maar ook naar de mens met al zijn mentale vermogens. Naar de mens als talig en creatief wezen. Naar een wezen dat denkt, zich uit, creëert, kunst en instrumenten maakt. Kortom, naar Homo sapiens. De 'wetende mens'. De mens die zich bewust is van zichzelf, de ander en de wereld om zich heen.

Laten we op basis van Le Geste et la Parole de evolutie van de ziel even in grote lijnen schetsen:

I
Het leven ontstond in de zee. Er was nog geen land. Eencellige wezentjes (protozoa) bevolkten de oceaan die de aarde omspande. Ze vermenigvuldigden zich door celdeling.

II
Cellen klonterden samen, en meercellige organismen (metazoa) kwamen ter wereld.

III
Die cellen gingen steeds nauwer samenwerken. Sommige vertakten zich en verstrengelden zich. Neuronen ontstonden. Het zenuwstelsel ontstond. Hiermee kon een organisme steeds georganiseerder en doelmatiger handelen.

IV
De eerste organismen hadden geen harde delen (net als bij de huidige weekdieren). Maar daar kwam verandering in: Krabachtige dieren doken op in de zee. Wezens met een uitwendig skelet. Met pantsers, schilden, schelpen en wat dies meer zij. Het gaf het dier stevigheid en structuur. Bovendien bood het grote voordelen voor zijn mobiliteit.

V
In de Cambriumexplosie (500 miljoen jaar geleden) vond de natuur allerhande ledematen en andere uitsteeksels uit, zoals poten, scharen, van allerlei soorten staarten en antennes. Dit verrijkte veel dieren met een grotere bewegings- en handelingsvrijheid. Ze konden met deze instrumenten steeds beter jagen, vluchten, pakken, grijpen en reiken. Al kon een overmaat aan toeters en bellen tot een zekere logheid leiden. In de verdere loop van de evolutie werd dan ook duidelijk minder druk geëxperimenteerd met van dit soort uitsteeksels. In deze periode nam de complexiteit, en daarmee het handelingsvermogen van veel organismen aanzienlijk toe.

Sporen van de Cambriumexplosie

VI
Op de uitvinding van het uitwendige volgde die van het inwendige skelet. De wervelkolom verstevigde, beschermde en structureerde het zenuwstelsel. Zij droeg bij aan haar verdere ontwikkeling en in het verlengde daarvan aan het ontstaan van hersenen. Een buitengewoon belangrijke fase in de evolutie van de geest!

VII
Een gouden combinatie voor de evolutie van de ziel was ontstaan: Met enerzijds de ontwikkeling van het zenuwstelsel en het ontstaan van de hersenen en anderzijds de uitvinding van de ledematen. Veel dieren beschikten nu over de geschikte vermogens en instrumenten om alles wat voor hen lag (in hun voor-veld) te onderzoeken en te leren kennen. De omgeving prikkelde en stimuleerde de hersenen. Tegelijkertijd werd de omgeving voor de hersenen nog stimulerender en nog prikkelender waardoor deze nog meer werden gevoed en nog verder werden ontwikkeld. Geen neerwaartse, maar hier een 'opwaartse spiraal' dus. De evolutie van de ziel nam een grote vlucht.

VIII
Miljoenen jaren gingen voorbij. Het droge ontstond. Vanuit de zee kwam er leven op het land. De strijd met de zwaartekracht was begonnen. Want in het water konden de dieren zich vrijelijk bewegen, maar op het droge schuurden hun kop en buik akelig over de grond. De evolutie deed zijn werk. Veel dieren werden van deze last bevrijd. Het was in die zin een ware bevrijding van de gravitatiekracht. Terwijl bij vissen de kop geïncorporeerd en gevangen was in het bovenlijf, kwam deze bij veel dieren die geheel of deels op het land leefden, steeds verder naar voren (waarbij de wervelkolom werd verlengd, en halzen zich vormden). De kop kwam los en kreeg zo veel meer bewegingsvrijheid. Deze kon omhoog, zijwaarts en, niet onbelangrijk, ook weer naar beneden gaan. Veel dieren kwamen namelijk steeds hoger op hun poten te staan om kop en buik los van de grond te krijgen. Tegelijkertijd moesten ze wel met hun snuit bij de grond kunnen om, bijvoorbeeld, bij hun voedsel te kunnen komen.

Longvis

Crocodile

Giraffe

IX
Na deze eerste bevrijding van de gravitatiekracht, waarbij de kop vrij kwam van de aarde, volgde er (op land) een waarbij de poten steeds minder sterk aan de grond gebonden raakten. Die bevrijding valt vooral waar te nemen bij knaagdieren, omnivoren (alleseters) en carnivoren (vleeseters) (met als grote uitzondering de hondachtigen waaronder de wolf).

Eekhoorn

Planteneters zijn om te beginnen in natuurkundig opzicht ver in het nadeel. Om de planten te kunnen kauwen en verteren, hebben ze enorme kaken, lange snuiten, lange halzen en grote magen nodig. Een log apparaat dat zwaar op de voorpoten drukt. Bovendien hebben ze die veel minder nodig om hun voedsel te kunnen pakken of vangen dan knaagdieren, omnivoren en carnivoren.

Koe

Zoals we hebben gezien, speelt het vrij krijgen van de voorpoten een essentiële rol in de evolutie van de geest of ziel.

X
Nog afgezien van de concurrentie tussen hersenactiviteit, die werkelijk energie slurpt, en het kauwen, herkauwen en verteren van bergen plantenmateriaal die dat ook doen- iets wat planteneters in de evolutie van de geest al ver op achterstand zet-, werken de grote kaken, lange snuiten, zware koppen en lange halzen van de meeste planteneters niet mee in de race naar de hoogste intelligentie.

Probleem is dat ook hier de zwaartekracht deze herbivoren parten speelt:

*Wil je een evenwichtige verdeling van de massa (het gewicht) van de kop, dan moet deze links en rechts van het zwaartepunt gelijk zijn.

*Vanwege de grote kaken is de snuit van een planteneter al snel lang en zwaar. Het evenwichtspunt ligt daarom ook ergens in het midden van de snuit. Het achterdeel van de kop speelt in het evenwichtsspel nog nauwelijks een rol.

Schedel van een koe

*Bij omnivoren en carnivoren hoeven niet meer van die enorme hoeveelheden plantenmateriaal (waarvan de cellen harde celwanden hebben) te worden gekauwd en verteerd. Gevolg: de kaken slinken en de snuit wordt korter.

Het evenwichtspunt komt daardoor verder naar achter te liggen. Met deze verschuiving legde het achterdeel van het hoofd steeds meer gewicht in de schaal:

1)Het werd groter t.o.v. de snuit

Schedel van een gorilla

2)Het kwam steeds verder in verticale richting op de hals te staan

Skelet van een koe

Skelet van een mens

3)De hersenruimte nam daardoor aanzienlijk toe

XI
Bij de mensapen, aapmensen en mensen liep bovengenoemd proces door. Het hoofd kwam vrijwel volledig verticaal op de hals te staan. Steeds verder bevrijd van de werking van de zwaartekracht, kon de hersenruimte in de schedel flink blijven groeien. Dit was eveneens een enorme stimulans voor de toename in volume van de hersenen zelf.

Dit volume nam zelfs sneller toe dan de groei van bijbehorend schedeldeel zelf. De hersenen moesten zich daarom steeds meer gaan oprollen. Extra hersenwindingen ontstonden, waaronder de hersenschors (neo-cortex).

Hoewel er geen sprake is van een strakke evenredigheid, mogen we, heel in het algemeen, wel stellen dat een groter hersenvolume gepaard gaat met een grotere intelligentie. (Al dient dit begrip overigens wel nader te worden gedefinieerd.)

XII
Het hoofd kwam in verticale richting op de hals te staan. In combinatie met de rechtop gaande gang kregen de hersenen vrij spel om te groeien en het strottenhoofd de gelegenheid om in te dalen. Met onze vrije handen, strottenhoofd, taal en hersenen lag de wereld voor ons open. Homo sapiens sprak, vond instrumenten uit en creëerde kunst. De 'wetende mens' was voortaan een begrip.

Frans de Waal

Vanuit een heel andere invalshoek geeft de Nederlandse gedragswetenschapper en psycholoog, Frans de Waal, een mooi beeld van de evolutie van de geest. In zijn boek Een tijd voor empathie laat hij op magistrale wijze zien hoe wij mensen met ons medelijden en ons medeleven zijn voortgekomen uit het dierenrijk, of sterker nog, hoe wij in feite gewoon dieren zijn. We ontdekken er niet alleen het dier in de mens, maar vooral ook de mens in het dier! In die zin dat heel veel van wat wij puur menselijk achten in het dierenrijk is terug te vinden, in eerste aanleg, in ontwikkeling of zelfs volledig.

Frans de Waal 'Een tijd voor empathie

Dieren zijn verre van die zielloze robotjes waar ze maar al te veel en al te lang voor zijn versleten. Met een groot aantal observaties, scherpe waarnemingen, heldere analyses en roerende dierenverhalen laat Frans de Waal daar geen twijfel over bestaan! In de Waals evolutie van de geest- als we die zo even mogen noemen- zien we eveneens een aantal mijlpalen opdoemen:

A
De Waal opent zijn geschiedenis van de empathie met een school vissen miljoenen en miljoenen jaren geleden. Zo moet het eens begonnen zijn: Plots ziet een vis gevaar en schiet als de bliksem weg. In een splitsecond volgt de gehele school haar voorbeeld, nog voordat de vissen zelf weten wat er aan de hand is. En nog voor dat ze het gevaar zelf hebben gezien of zelfs maar hebben kunnen zien. Het is een reflex. Een collectieve reflex. Een automatische reactie voor hun eigen veiligheid. Voor hun leven en overleven. Van ieder los individu en van de hele soort.

Dat was in een ver verleden, maar nog altijd kunnen we hele scholen vissen in één beweging zien wegschieten, of hele zwermen vogels in éé wolk zien wegvliegen. En bij ons mensen? Verschuilen wij ons niet achter dieren wanneer we ons gedrag typeren met dat alom bekende spreekwoord? Wat was het? 'Als er één schaap over de dam is . . . , volgen er meer'?

Frans de Waal noemt dit verschijnsel lichamelijke synchronisatie.

Alle mensen of dieren reageren daarbij synchroon: allen tegelijk en op dezelfde manier.

B
Dit allen tegelijk en op dezelfde manier bewegen biedt een diepgeworteld gevoel van veiligheid. Dat was bij de vissen van lichtjaren geleden zo, en bij ons mensen nog steeds(!) zo. Het is een oer-gevoel dat verankerd ligt in onze diepste en meest fundamentele, emotionele lagen.

Niet voor niets spreekt de Waal hier van emotionele synchronisatie.

Een verschijnsel dat volgens deze gedragswetenschapper verklaart dat mensen zo dol zijn op dansen, disco's en met zijn allen kijken naar lachfilms. Of wat te zeggen van twee tortelduiven die elkaar kussen of elkaars hand pakken?!


In de mens zijn niet alleen fysieke sporen van onze afstamming van de vis te vinden (zoals de kieuwbogen waaruit ons strottenhoofd is ontstaan), maar ook psychische, die zich kunnen manifesteren in ons gedrag (emotionele synchronisatie).


C
De emoties ontstaan of zwellen aan. Want had die eerste vis daar ergens ver weg aan de voet van de evolutionaire ladder die naar onze ziel of geest leidt, geen gevoel bij haar schrikreactie? Geen emotie? Samen, of collectief een gevoel kunnen delen van veiligheid, vreugde of anderszins, is een belangrijke voorwaarde voor empathie, maar is het als zodanig nog niet.

De Waal illustreert dit met een mooie observatie. Een kleine baviaan staat te krijsen aan de waterkant. Het beestje durft niet over te steken en is doodsbang. De moeder deelt zichtbaar alle pijn van het jong. Toch komt zij niet in actie; ze voelt de ellende, maar weet duidelijk niet precies wat er aan de hand is of wat zij moet doen. Waar ontbreekt het aan? Doorziet zij het probleem niet? Of niet ten volle? Of ontbreekt het aan nog iets anders?

Natuurlijk is er in de loop van de evolutie moederzorg ontstaan, zeker bij zoogdieren. De Waal benadrukt de kapitale rol die deze heeft gespeeld (en speelt) binnen de evolutie van empathie. Empathie loopt vooral via de vrouwelijke lijn (waardoor mannetjes er zeker niet van verstoken zijn). Zelfs bij baby's valt op dit vlak al een duidelijk verschil in gedrag tussen jongetjes en meisjes waar te nemen.

Moederzorg van een koe

Toch zijn die natuurlijke neigingen, ook al gaan ze gepaard met van allerlei emoties, gevoelens en gevoel, en ook al danken vele dieren er hun leven en hun overleven aan, op zichzelf nog altijd geen empathie.

Onze baviaan zal zeker geen ontaarde moeder zijn geweest die haar jongen zwaar verwaarloost. Maar wat is er dan wel aan de hand? Zeker bij dit soort specifiekere of complexere situaties is er meer nodig om het jong te kunnen helpen. Er moet hier namelijk oplossings- of doelgericht worden gehandeld.

Maar hoe krijg je dit ooit voor elkaar als je niet kunt inschatten wat joúw situatie is- wat jí&jacute; allemaal kunt en wat jíj allemaal kunt doen- en wat de situatie van de ánder is? Je moet immers weten wat er met de ander aan de hand is en welke hulp jij kunt bieden.

Emotionele synchronisatie werkt zeker mee, maar het vereist ook een zeker bewustzijn. Je moet je bewust zijn van de ander- je moet je in hem of haar kunnen verplaatsen- en tegelijkertijd van jezelf- want je moet voelen/ weten wat jij voor die ander kunt betekenen-. Zelfbewustzijn is hier het geheim of de sleutel.

Zelfbewustzijn is verre van een vaag of louter theoretisch begrip. De Waal laat uitgebreid zien hoe je deze bij dieren kunt testen. Tegelijkertijd moet je de ander vanuit jezelf (vanuit een innerlijk weten) kunnen herkennen.

D
We stuiten hier op het correspondentieprobleem. Opmerkelijk genoeg is hulp vaak soort-overschrijdend: een dier van de ene soort, bijvoorbeeld een dolfijn, helpt dan een dier van een andere soort, bijvoorbeeld een mens. Wonderlijk genoeg weten dieren vaak perfect waar welk lichaamsdeel zit van een ander dier, zelfs als deze van een totaal andere soort is.

Kat redt klein kind van valse hond

De Waal haalt hier het voorbeeld aan van een duif die op een dag tegen een raam in een dierentuin is gevlogen. Een bonobo vindt het slachtoffer, pakt het zachtjes op, klimt in een boom, spreidt haar vleugels!, en laat het vogeltje het luchtruim nemen.

Even los van de Waals verhandeling, en meer in het algemeen, speelt een soortgelijk vraagstuk ook bij zoekbeelden- hoe weet een uil, bijvoorbeeld, hoe zijn prooi eruit ziet?-, en soortherkenning - hoe weten solitair levende dieren zonder mankeren hun soortgenoten te vinden en te herkennen, en dat terwijl ze zichzelf nog nooit hebben gezien?!-.

Bij veel van dit soort dingen is het praktisch onmogelijk dat zij de benodigde kennis zelf in hun korte leventje hebben vergaard. We komen hier in een volgend artikel op terug.

De evolutie van de geest

In een paar kernwoorden verloopt de evolutie van de geest in de Waals optiek langs de volgende lijn:

Evolutie van de geest
I Lichamelijke synchronisatie
II Emotionele synchronisatie
III Zelfbewustzijn
(weten wie je bent en wat je kunt)
IV Doelgericht hulp kunnen bieden

*weten wie je bent en wat je kunt
*weten hoe de ander in elkaar zit (correspondentie)
*weten wat de ander nodig heeft
*weten hoe je doelgericht hulp kunt bieden
NB Moederzorg

*Sleutelrol in de evolutie van de geest
V Sociale en politieke slimheid
(in complexere samenlevingen)


Bij hogere zoogdieren die in groepsverband leven, zoals chimpansees en bonobo's, doen zich steeds complexere situaties voor. De dieren moeten sociale netwerken bouwen om te kunnen leven, overleven en nageslacht voort te brengen. Politiek komt in het spel. Zelfs bij deze mensapen al.

Het behoeft geen betoog dat de moderne mens, die het in steeds ingewikkelder samenlevingen moet zien te rooien, ook voor steeds complexere problemen komt te staan. Hij krijgt onverbiddelijk te maken met religieuze, culturele, en economische werkelijkheden (of schijnwerkelijkheden), om van de politieke, juridische en administratieve nog maar niet te spreken. Wetenschappelijke en technische problemen stapelen zich hier voor velen nog eens bovenop, en dan hebben we het nog niet eens gehad over militaire en fictieve/ virtuele werkelijkheden.

Nu is niet alleen doelgericht, maar vooral ook sociaal slim kunnen handelen van kapitaal belang. In de maatschappelijke jungle doen zich voortdurend nieuwe en complexe problemen voor.

Metazoa (Peter Goddfrey-Smith)

Hoe waren emoties ooit ontstaan?

Zowel bij André Leroi-Gourhan als bij Frans de Waal zien we zich een prachtig stuk evolutie ontvouwen. Maar dan wel vanuit ieders eigen invalshoek en binnen ieders eigen domein. Beiden blinken uit op hun vakgebied, maar bij beiden vormen de bevindingen slechts een deel van het verhaal. Hoe waar en hoe goed gefundeerd deze ook mogen zijn.

Want wat mist er aan hun uiteenzettingen? Waarin zijn zij incompleet? Of op welke vragen geven zij geen antwoord? In beide wetenschappelijke verhandelingen volgt het een logischerwijze op het ander. Bijvoorbeeld, als bepaalde dieren hun kop en buik onhandig over de grond moeten sleuren, komen hun nakomelingen als vanzelf hoger op hun poten te staan, of als we samen wegvluchten ontstaat er als vanzelf een soort gemeenschappelijke emotie.

Natuurlijke selectie- waarbij toevallige mutaties in het spel kunnen zijn, en waarbij individuele eigenschappen die een hogere overlevingskans bieden, worden doorgegeven van generatie op generatie, en die zich zo versterken in de loop van de tijd- kan best een deel van de verklaring zijn. Zeker in het eerste geval.

Maar in het tweede voorbeeld wordt het al ingewikkelder. Stel dat er ooit een vis is geweest die bij het samen wegzwemmen een speciaal gevoel had i.t.t. haar soortgenoten. Dan blijft natuurlijk de vraag hoe zij aan dat gevoel kwam. Was dat stom toeval? Was er een aandrijfkracht die vissen naar dit stadium bracht? Ging dat bewust? Of onbewust? Van binnenuit? Of van buitenaf? Was dat gevoel er plotseling? Of was het al in de maak? Ontstond het geleidelijk? Gradueel?

Zijn cellen bezield?

Kunnen we überhaupt nog voor het moment kijken waarop dit vissengevoel zich manifesteerde? Bij deze vraag komt Henrik Jan Houthoff in beeld. Een specialist op het gebied van de celbiologie. In een interview met Rogier van Bemmel komt hij met een verrassende constatering. Wat we zien- zo legt hij uit- is dat cellen reageren op van alles. Willen zij dit kunnen doen, dan zullen zij toch echt moeten kunnen waarnemen. En dat niet alleen, want ze moeten daarbij veel dingen kunnen onthouden. En dat ook weer niet alleen, omdat ze veel moeten kunnen weten. Want hoe zouden ze anders hun reacties kunnen afstemmen op de precieze omstandigheden? Bovendien valt ook nog eens makkelijk vast te stellen dat cellen communiceren.

Wanneer we ervan uitgaan dat ze niet door 'een onzichtbare hand' van buitenaf bestuurd worden, kunnen we er niet omheen dat cellen weten en waarnemen, reageren en communiceren, informatie opslaan en onthouden. En zijn dat- zo vraagt Houthoff zich hardop af- eigenlijk geen psychologische functies?!

Stel dat dit zo is, mogen wij dan niet van bezielde cellen spreken? Laten we hier even aannemen dat een cel in de bovengenoemde zin van het woord, een ziel heeft, of bezield is. Dan willen we natuurlijk weten hoe dat komt en hoe dat kan. Kunnen we om daar achter te komen onze blik nog verder verruimen? Of liever nog, kijken wat er aan het ontstaan van cellen voorafging?

Ionen

In zijn boek Metazoa geeft de Australische bioloog en filosoof Peter Godfrey-Smith hiervan een schitterend beeld.

Voordat er leven op aarde ontstond, was onze planeet aan de buitenkant één grote zee. In die gigantische watermassa was weliswaar nog geen enkel levend organisme te vinden, maar toch gistte er al iets . . .

Laten we op dit punt aangekomen onze blik wenden naar de niet-levende natuur. Materie is opgebouwd uit deeltjes, moleculen. En die moleculen bestaan op hun beurt weer uit atomen. In een atoom vinden we een kern met positief geladen protonen, waar weer negatief geladen elektronen omheen cirkelen. Zijn er meer protonen dan elektronen? Dan is het atoom positief geladen. We spreken dan eigenlijk van een positief geladen ion.

Als er daarentegen minder protonen dan elektronen zijn, dan is het ion juist negatief geladen. Zo hebben we dus positieve en negatieve ionen. Tot zo ver niets nieuws.

Toch is het hier van belang om ons dit even helder voor de geest te halen. Nu kent de natuur haar wetten, haar streven en haar neigingen. Dat geldt voor de niet-levende natuur evenzeer. En dat is hier van kapitaal belang.

Stel je de zee eens voor. Door het water kunnen de ionen zich vrij bewegen. (Water geleidt stroom.) Iets dat ze in zand, klei, lucht en stenen, bijvoorbeeld, niet zomaar kunnen. Op het land is dat dus een stuk lastiger. In de oceaan waarin het leven was ontstaan, had je i.t.t. tot later op het land een ionenregen of ionenstorm.

Terug nu naar die neigingen in een zee vol ionen. In een ionen-zee. Bepaalde moleculen die zich inmiddels in die oerzee gevormd hadden, begonnen positief geladen ionen binnen te laten terwijl ze de negatief geladen weerden. Of andersom. Ionenkanalen ontstonden. Kanalen waar positieve of juist negatieve stroom doorheen werd geleid. Dat laatste hing af van de ionenklep die voor de ene soort ionen openstond, maar voor de andere potdicht.

Deze moleculen selecteerden, reguleerden en laadden zich op. Kortom, ze wekten energie op en kregen misschien zelfs wel levenskracht. Want bestaat er leven zonder energie?!

Geen wonder dat zich uitgerekend rond deze ionenkanalen cellen vormden. Levende cellen. Het eerste leven?

We begonnen bij de geest en kwamen uit bij ionen, atomen en moleculen. Bij de materie. Hadden Sartre en Camus gelijk? Kwamen onze krabben- en kreeftengedachten uiteindelijk niet uit de zee?

Hoe dan ook, een ding is duidelijk:ionen zorgen voor lading, voor stroom en energie. En niet onbelangrijk; voor chemische reacties. Hun ladingen roepen aantrekkende (positief/negatief) en afstotende (positief/positief ; negatief/negatief) krachten in het leven. Onder hun werking ontstaan uit de deeltjes talloze configuraties en bouwsels. God mag weten hoeveel moleculen, mengsels en stoffen ontstaan die de motor van het leven draaiende houden. Die helpen de levensfuncties te vervullen. Die signalen geven of ontvangen. Die informeren of interpreteren. Die percipiëren, reageren of propageren. Die lezen, schrijven of kopiëren. Die verdedigen, vermenigvuldigen of verspreiden. Die rijzen, delen of laten groeien. Die opdrijven, aandrijven of remmen. Die onderzoeken, aftasten of de wacht houden. En nog veel meer. Of van alles tegelijk . . .

Ontstond de geest in en uit de materie?

Welk beeld rijst erop uit de visies die we hier hebben besproken? Vooralsnog een materialistisch beeld. De geest lijkt uit de materiële mist op te doemen en gaandeweg steeds zichtbaarder te worden. Getuige de grote lijnen die we uit een aantal monumentale werken hebben gedistilleerd:


I
Ionen > ionenkanalen > cellen > neuronen > zenuwstelsel > hersenen


Van ionen tot hersenen
Ionen
Lading

*positieve lading (+)
(elektronen te weinig)
*negatieve lading (-)
(elektronen te veel)
Aantrekking (+/-)

Afstoting (+/+ ; -/-)
*polariteit

*complementariteit

*energie/ krachtwerking
Chemische reacties

*aantrekking/ afstoting tussen deeltjes

*configuraties/ bouwsels

*moleculen (complexer wordende moleculen)
Ionenkanalen
Ionen

*aantrekking/ afstoting/ neigingen

*gezamenlijke aantrekking/ afstoting

*stromen

*Ionenkanalen

Bijvoorbeeld:
*ringen negatief geladen ionen
*poort die positief geladen ionen doorlaat

*signaalwerking
Cellen
Ionenkanalen

*lading
*energie
*stroom/ beweging
*chemie
*neigingen
*reageren/ transporteren/ doorgeven
*signalen
cellen ontstaan rond ionenkanalen

*leven ontstaat
psychische functies

*waarnemen
*communiceren
*reageren
Neuronen
Dwarsverbindingen tussen cellen

*signaalwerking tussen cellen
*samenwerking tussen cellen
Zenuwstelsel
aaneenschakeling van neuronen

Systeem/ stelsel van neuronen
Hersenen
*mijlpaal in de evolutie van de geest

*toenemend bewustzijn


II

Evolutie: natuurlijke selectie > geleidelijke aanpassing aan de leefomgeving


III

Cellen > vissen > landdieren > bevrijding van de buik, kop en staart > bevrijding van de voorpoten > bevrijding van de hersenen + indaling strottenhoofd > talig denken/ bewustzijn



Vissen > amfibieën > reptielen > zoogdieren > apen > mensapen > aapmensen > mensen


IV

Lichamelijke synchronisatie > emotionele synchronisatie > zelfbewustzijn + doelgericht hulp bieden > empathie


V

Vissen . . . > zoogdieren > moederzorg > empathie


Wie storm zaait, zal storm oogsten. Of wie onderzoek doet vanuit een primair, op de materie gerichte wetenschap, dreigt al gauw ook alles vanuit de materie te bezien en te benaderen. Onder de wetenschappen waar we hier mee te maken hebben, draait het eerst en vooral om de fysieke werkelijkheid. Denk aan de chemie, de morfologie, de neurologie, de celbiologie en de paleontologie. Dit geldt misschien iets minder voor de psychologie en de gedragswetenschappen. Een morfoloog kijkt vooral naar de uiterlijke kenmerken van dieren.

Terwijl gedragswetenschappers als Frans de Waal zeker ook oog hebben voor meer innerlijke kenmerken. Voor wat ons drijft. Voor wat ons aanzet tot bepaald gedrag. Voor wat ons bezielt. Van de buitenkant gaat hij naar de binnenkant. Van een school vissen die in één beweging wegschiet, naar een gevoel van blind vertrouwen en veiligheid.

En die binnenkant is bij ons mensen gelaagd. Met in een van de diepste lagen . . . de drijfveren van ons vissengedrag en ons vissengevoel. Zo zijn we niet alleen van buiten, maar ook van binnen getekend door de wereld waarin wij langs evolutionaire weg zijn ontstaan. Niet alleen vinden we uiterlijke sporen van de vis in ons lichaam (zoals in ons strottenhoofd), maar ook innerlijke, die diep verankerd liggen in onze belevingswereld.

We komen nu eenmaal niet als een onbeschreven blad, of als een tabula rasa ter wereld. Niet vanbuiten en niet vanbinnen.

Natuurlijk is een deel van het gedrag van dieren aangeleerd (culture). En natuurlijk is hen een deel van hun kennis hier in dit korte leventje op aarde bijgebracht, zeker bij hogere zoogdieren die in groepsverband leven. Maar het is schier onmogelijk dat al hun gedrag en al hun kennis is aangeleerd. Om nog maar van hun belevingswerelden en emoties niet te spreken. En dat al helemaal bij solitair levende dieren. Heel veel van wat organismen in zich dragen is niet aangeleerd, maar overgeërfd (nature).

HOE dat precies gaat, is een ingewikkelde kwestie. DAT het gebeurt is wel zeker.

Het behoeft geen betoog dat dieren niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk aan hun leefomgeving (habitat) zijn aangepast en dat zoiets moeilijk over een nacht ijs kan zijn gegaan. Het is en blijft een kwestie van evolutie: van informatie verzamelen, opslaan en weer doorgeven aan het nageslacht, dat op zijn beurt weer aftast, aanpast, en overdraagt.

Gevolg: de vis zit niet alleen in het water, maar ook het water in de vis. In haar instinct. In haar intuïtie. In haar belevingswereld en in haar gedrag. Want het water is ingedaald in haar innerlijke wezen.

Bonobo's, chimpansees en 'demonic males'

Dat de lijnen van ons gedrag en de emoties die daarbij horen, heel lang lopen wordt zonneklaar in het schokkende boek van Dale Petersen en Richard Wrangham, Demonic Males- Apes and the Origins of Human Violence- .

'Demonic Males'

Demonic Males, 'Duivelse mannetjes', de titel is veelzeggend. Is het zomaar een provocerend of puur op de sensatie gericht boek? Niet in het minst. Waar Richard Wrangham de lezer in volle ernst mee confronteert, is griezelig echt. Hij is een begrip op het gebied van de evolutie van de mens. Een natuurwetenschapper pur sang.

Demonic Males, maar vanwaar deze titel? We krijgen in dit puur wetenschappelijke werk een huiveringwekkende inkijk in de wereld van drie mensapen; de gorilla, de orang-oetan en de chimpansee. Heel anders dan bij de vrouwtjes, valt bij de mannetjes maar al te vaak duivels gedrag waar te nemen. Soort- en geslachtsgebonden, duivels gedrag, met bij de orang-oetangs verkrachtingen, bij de gorilla's kindermoord en bij de chimpansees dodelijke vechtpartijen. Iets waar je zelfs als nuchtere natuurwetenschapper niet onbewogen bij kan blijven.

Goed. Maar zijn van dit soort afschuwelijke apenmannetjes niet een beetje ver van mijn bed? Kunnen we niet als bij een horrorfilm de tv uitdoen en ons er verder niets meer van aantrekken? Dat is nu juist het punt, namelijk dat dit NIET kan. Erger nog: langs de bladzijden van het boek komt het allemaal steeds dichterbij. Griezelig dichtbij: Want zij zijn onze meest nauwverwante familieleden!

Nu is niet zo dat wij mensen direct afstammen van deze mensapen. Dat niet. Maar we hebben wel gemeenschappelijke voorouders. De orang-oetans splitsten zich als eerste van hen af (+/- 18.000.000 jaar geleden) en daarna de gorilla's (+/- 10.000.000 jaar geleden). Ongeveer zeven miljoen jaar geleden scheidden zich de wegen van de chimpansees en die van de aapmensen die onderaan de directe afstammingslijn van de mens staan.

Goed. Maar het zijn toch apen?! Van wiens afstammingslijnen de onze al miljoenen jaren geleden is afgescheiden?! Nota bene! Maar helaas! Op evolutionaire schaal zeggen die zeven- tot achttien miljoen jaar bitter weinig. We staan dichter bij deze mensapen, veel dichterbij, dan wij misschien zouden willen of denken. Ongeveer 99% van ons DNA is hetzelfde als dat van de chimpansee. We zijn belast met een zware erfenis. In de man van onze 'verheven' soort Homo sapiens schuilen nog altijd dezelfde driften, dezelfde emoties en dezelfde natuurlijke neigingen tot duivels gedrag. Iets waar vrijwel iedere gedragswetenschapper het over eens zal zijn.

Het wereldtoneel spreekt boekdelen. De misdragingen van de 'demonic males' vieren hoogtij. De conclusie van Richard Wrangham is dan ook dat als wij werkelijk vrede willen, wij eerst deze schaduwkant zullen moeten erkennen. Dat wij moeten inzien dat die duivelse aap in ons zit en dat wij die moeten temmen. Dat wij die moeten overwinnen, iets dat natuurlijk niet kan, als je hem niet wilt zien.

En dan nog . . . is het überhaupt wel mogelijk om je natuurlijke neigingen te overwinnen? Misschien verkeert de mens wel in de unieke positie dat hij met zijn rede of verstand zijn gedrag kan bijsturen of corrigeren. (We komen daar in een volgend artikel op terug.) Maar zelfs dan is het de vraag of ons dat ooit zou lukken, als er niet ook die andere, veel VREEDZAMERE KANT in ons zat.

We reizen af naar westelijk, equatoriaal Afrika. Naar Kongo met haar grenzeloze tropisch regenwoud. Ten noorden van rivier de Kongo leven de chimpansees. Alleen ten noorden, niet ten zuiden. Alleen ten zuiden leven de bonobo's, en weer niet ten noorden. Ze lijken qua uiterlijk als twee druppels water op elkaar. Zo zelfs dat bonobo's heel lang voor dwergchimpansees zijn versleten. Toch gaat het hier om een andere, zij het nauwverwante diersoort.

Qua uiterlijk zijn bonobo's nauwelijks van chimpansees te onderscheiden. Qua uiterlijk, maar qua innerlijk ligt dat totaal anders. Iets dat mooi tot uitdrukking komt in hun gedrag. Niet voor niets hebben deze aapjes veel wetenschappelijke belangstelling gewekt. En niet voor niets hebben ze volop in de picture gestaan. Deze 'hippie apen' die het bekende make love, not war vol verve in praktijk brengen.

Wat een wereld van verschil met hun noordelijke broers! Net als bij de chimpansee laait er onder de bonobo mannetjes regelmatig een vuurtje op. Maar hier komen de vrouwtjes direct in het spel. Zij sussen de ruziënde mannetjes en blussen de brandjes met seks. Tijdens het copuleren komen er vrijwel onmiddellijk agressie-remmende stoffen in de oververhitte mannenlijven vrij. Sterker nog: ze raken high. Ze genieten met volle teugen van de liefde. Hun ruzie en rivalen zijn alweer lang verleden tijd. Het oorlogsgeweld is uit de lucht.

Chimpansee oorlog

Bonobo's, 'make love, not war'

Was het een sprookje? Was het te mooi om waar te zijn? En zijn bonobomannetjes helemaal niet zo van die lieverdjes? Ontgoochelende artikelen verschenen. Gedragsonderzoek wees namelijk uit dat deze 'hippie aapjes' minstens zo agressief zijn als hun chimpanseebroertjes.

Was er weer een mooi fabeltje de wereld uitgeholpen? Alweer een heilig huisje geslecht? Mocht opnieuw alles alleen maar kaal en ontgoochelend zijn?

Het onderzoek focuste op de agressieve neigingen van het bonobo mannetje. Daar is natuurlijk op zichzelf niets mis mee. En dat niet alleen: Het is uiteraard aan de gedragsbiologen zelf om met al hun kennis en kunde op dit vakgebied het onderzoek en de onderzoeksresultaten te beoordelen. Zij zijn per slot van rekening de specialisten. Wij zullen daarom, tot vanuit het vakgebied zelf het tegendeel bewezen is, aannemen dat hier alles klopt.

Maar daar ligt niet het probleem. Het punt is juist dat deze gegevens vervolgens in de media verkeerd (niet logisch!) zijn geïnterpreteerd. En dat ze de belangrijkste conclusies uit voorafgaand onderzoek niet onderuit halen, maar juist bevestigen!

Wat waren de oorspronkelijke observaties?

1
Bij bonobo's vinden geen geweldsuitbarstingen plaats met doden en ernstig gewonden, heel anders dan bij chimpansees

2
Bij bonobo's worden oplaaiende conflicten onder mannetjes door de vrouwtjes gesust

3
De mannetjes laten zich volledig kalmeren door de vrouwtjes

4 Bij bonobo's is er geen sprake van een gewelds-, maar van een sekscultuur (heel anders dan bij de chimpansees)

5
Seks vervult bij deze primaten naast de voortplantingsfunctie nog drie andere belangrijke functies:

*het beteugelen van geweld
*het opbouwen van een groepsband
*en ontspanning

6
Bij bonobo's wordt de groep doorgaans geleid door twee vrouwtjes en niet door een alfamannetje (zoals bij chimpansees)

7
Bij bonobo's wordt de positie van een mannetje bepaald door die van zijn moeder (anders dan bij chimpansees waar deze wordt bevochten)

8
Bij bonobo's is eerder sprake van een matriarchale dan van een patriarchale 'cultuur' (anders dan bij chimpansees)

Maar wat wijst nu bovengenoemd, meer recent onderzoek uit? Geen van de acht bovengenoemde punten wordt erdoor tegengesproken of onderuit gehaald. Er is alleen een belangrijke toevoeging: bonobo mannetjes zijn licht ontvlambaar.

Logischerwijs zou de conclusie eerder moeten zijn:

*dat de vrouwtjes DES TEMEER succes hebben in het sussen van de mannetjes

*dat de mannetjes zich DES TEMEER laten kalmeren
(een eigenschap van hun innerlijke natuur, die getuigt van een belangrijke psychische en emotionele kant)

*dat de mannetjes niet alleen een agressieve, op andere mannetjes gerichte kant hebben,

*maar JUIST ook een vredelievende, (primair) op de vrouwtjes gerichte kant (!)

*dat die (primair) op de vrouwtjes gerichte kant uiteindelijk sterker/ dominant is (!)

*dat de natuur een DES TE DOELTREFFENDER 'uitvinding/ ontdekking' heeft gedaan om geweld in te dammen

*en dat seks bij de bonobo's een buitengewoon belangrijke sociale functie heeft

Adieu speelse seksaapjes . . . ? Niets lijkt minder waar.

Terug naar onze gemeenschappelijke voorouders; het dier dat enerzijds aan de voet van de afstammingslijn van de chimpansees en de bonobo's staat, en anderzijds aan die van ons mensen. In dit wezen moeten eveneens die 'vecht' en die 'vrij' kant hebben gezeten; die chimpansee en die bonobokant.

En ook wij mensen moeten beide kanten hebben meegekregen. Iets wat mooi valt terug te vinden in de resultaten van cultuurhistorisch onderzoek. Naast oorlogszuchtige, patriarchale samenlevingen heeft de mens gelukkig ook meer vredelievende, matriarchale samenlevingen gekend. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de culturen uit het Oude Europa die we eerder hebben besproken.


In ons mensen zit een heel dierenrijk, van vissen en reptielen tot aan mensapen en aapmensen. In ons uiterlijk, van ons strottenhoofd (vissen) tot aan onze grijpvingers (apen) en in ons innerlijk. In onze emoties en ons gedrag. We zeiden het al; de lijnen lopen lang. Heel lang.


Over 'zijn' en 'ten opzichte van zijn'

Dubois kon 'botten lezen'. Aan botten, beenderen en wat dies meer zij kon hij meestal al snel zien waar, wanneer en hoe het betreffende dier moest hebben geleefd. Het dier was uiterlijk/ vanbuiten gevormd en getekend door zijn leefomgeving. Maar- zoals we hebben gezien- ook innerlijk/ vanbinnen.

Je kunt daarom een dier niet los zien van de wereld waarin zijn soort is ontstaan en geëvolueerd. Je kunt het evenmin zien als een los geheel, als iets dat volledig op zichzelf staat, of op zichzelf is. Een dier IS niet alleen, maar IS vooral TEN OPZICHTE VAN. VANBINNEN EN VANBUITEN. Innerlijk en uiterlijk. Fysiek en mentaal- of hoe je het ook bij dieren wilt noemen-. Zo is de vis ten opzichte van het water en een dromedaris ten opzichte van de woestijn.


Manieren van zijn

Het dualisme waarbij materie en geest lijnrecht tegenover elkaar worden gezet, is al zo oud als de weg naar Rome. Bij denkers als Sint Augustinus en Descartes valt deze harde tegenstelling niet weg te denken. Volgens de mééste, zo niet bij álle aanhangers van deze zienswijze zijn lichaam en geest scheidbaar.

Reeds bij Aristoteles zagen we echter een andere denkrichting ontstaan: Zo hoorden in zijn optiek lichaamsfuncties niet alleen bij het lichaam, maar óók bij de ziel. Een wormenlichaam paste nu eenmaal niet bij een mensenziel, en andersom een wormenziel niet bij een mensenlichaam. Lichaam en ziel vormden derhalve een ónscheidbaar geheel. (Grotendeels dan, omdat een denkend-deel onsterfelijk zou zijn geweest.)

Bovendien bestond in de ogen van Aristoteles de ziel uit de 'mogelijkheid tot leven' van een gestructureerd lichaam, en de verwerkelijking daarvan, d.w.z. dat dit lichaam tot leven kon komen en zich (in meer of mindere mate) verder kon ontwikkelen. Daarbij nam het streven een belangrijke plaats in: Streven naar voedsel, streven naar groei, streven naar wasdom en streven naar overleving en vermenigvuldiging.

Meer naar de moderne tijd toe keerde het wetenschappelijke tij en kantelden zich steeds meer denkers tegen het creationisme: Een religieuze opvatting volgens welke een onstoffelijke God de geest van buitenaf in een stoffelijk lichaam zou hebben gestopt of zelfs geblazen.

Met de opkomst van de evolutiebiologie raakten steeds meer wetenschappers ervan overtuigd dat de geest in en uit de niet-levende materie moest zijn ontstaan.

Kort gezegd, moest in hun optiek uit niet-levende materie leven zijn ontstaan, en uit leven geest.


Niet levende materie > leven > geest [ bewustzijn ]


Toch viel er wel een zekere verschuiving in deze analyse waar te nemen: Zo constateerde de celbioloog Hendrik-Jan Houthoff dat zelfs cellen in zekere zin al bezield moesten zijn: Ze namen immers waar, sloegen informatie op, beschikten over een kenvermogen en wisten hoe ze moesten reageren op verschillende prikkels en in verschillende omstandigheden. Met al deze psychologische functies konden we ze inderdaad moeilijk meer voor zielloos verslijten, al is het waar dat er van gevoel, gevoelens en een dieper bewustzijn nog geen sprake leek, of dat deze slechts nog aanwezig waren in de dop. In eerste aanleg. Daarmee deed de geest in bovenstaand schema een stapje naar links:


Niet levende materie > eerste levensvormen/ cellen met psychologische functies/ geest in aanleg > geest

Niet levende materie > leven [ geest/ geest in aanleg ] > geest


Of konden we nog verder terug? Nóg een stapje verder naar links? In zijn Metazoa zette Peter Godfry-Smith uiteen hoe het begon te 'gisten' in de oerzee. Hoe er in de niet levende materie deeltjes waren die energie begonnen op te wekken en te reguleren. Die begonnen samen te werken en die op elkaar reageerden. Die bouwden en ontwikkelden. Zó zelfs dat je je kon gaan afvragen of niet óók deze materie ergens al bezield was, nog afgezien van het feit dat er al een duidelijke aanzet werd gegeven naar het ontstaan en/ of de verdere ontwikkeling van de geest.


'Niet levende' materie [ geest/ geest in aanleg ] > leven [ geest/ geest in aanleg ] > geest


Rest natuurlijk de vraag of we niet wederom een stapje naar links konden doen, zodat we zouden uitkomen bij een metafysische werkelijkheid :


Metafysische werkelijkheid [ geest ] ? > 'niet levende materie' [ geest/ geest in aanleg ] > leven [ geest/ geest in aanleg ] > geest


Stel dat dit zo was, dan was de geest niet alleen immanent aan de materie, maar ook transcedent. D.w.z. dat zij daar van 'buiten- of van bovenaf' in terecht was gekomen.

Kunnen we het vergelijken met een zaadje dat vanuit een hoge boom van bovenaf in de aarde valt? Dat daar ontkiemt? Dat zich daar ontwikkelt en daar uitgroeit? Daar? In en uit de aarde?

Maar waarom zou dit zo zijn? Of zelfs maar zo kúnnen zijn?

Om te beginnen zijn we twee tegengestelde, of schijnbaar tegengestelde werkelijkheden tegengekomen: de fysische en de metafysische. In de eerste hebben we het leven zien ontstaan of ontkiemen. En we zijn er getuigen geweest van de geschiedenis van de geest. Van haar evolutie. Althans, we hebben een aantal geloofwaardige scenario's mogen bekijken.

Toch kunnen we in ons verhaal over het ontstaan van de geest, gevoelens en gevoel niet zomaar om de metafysische werkelijkheid heen:

Ten eerste omdat we haar bestaan niet zomaar kunnen ontkennen. Wanneer nu de kosmos en de natuur ogenschijnlijk in het spel zijn, valt te verwachten dat die ándere, derde werkelijkheid dat óók is.

Maar waarom zouden we überhaupt mogen aannemen dat er zoiets als een metafysische werkelijkheid bestaat? Dat is op zichzelf geen onbesproken kwestie, maar er zijn zwaarwegende argumenten om dat wel te doen:

*De wiskunde is (evenals de andere domeinen van de metafysische wereld) immaterieel van aard.

*De fysische werkelijkheid (met de kosmos en de natuur) steekt wiskundig in elkaar. Zij ligt in de greep van de wetten, verbanden, verhoudingen en samenhang (coherentie) van de Wiskunde.

*De wiskunde heeft niet alleen een grote beschrijvende, maar zelfs een voorspellende kracht. Daarmee overstijgt zij de fysische werkelijkheid, en mogen we haar met recht metafysisch noemen.

NB Architecten en waterbouwkundigen- om maar eens wat te noemen- kunnen in principe vooraf berekenen hoe iets in de fysische werkelijkheid gaat uitpakken.

Bovendien liep de wiskunde nog weleens vooruit op de kwantumfysica. Zo voorspelde zij zaken die later langs experimentele weg konden worden vastgesteld! (We komen hier later op terug.)

Te denken valt ook aan de stelling van Pythagoras die opgaat voor álle driehoeken die er bestaan, die er geweest zijn én voor alle driehoeken die nog komen gaan!

Dit vraagt echter om een tegenwerping: De wiskunde zou immers kunnen voortkomen uit de eigenschappen van de materie, of in bredere zin uit die van de fysische werkelijkheid. En dat niet als een werkelijkheid die buiten, of onafhankelijk van de mens bestaat, maar als een mentaal construct. M.a.w. wij zijn het zélf die de wiskunde hebben uitgevonden om de werkelijkheid om ons heen te kunnen beschrijven en begrijpen.

Toch is het maar de vraag of dit tegenargument steekhoudend is. Want:

*Wiskunde is universeel.

Indien de wiskunde slechts een mentaal construct was geweest, hadden we naar alle waarschijnlijkheid verschillende wiskundes gehad.

Een belangrijk tegenargument kan zijn dat onze wiskunde in lijn met de ideeën van Kant een soort gebonden manier van begrijpen/ beleven is, zoals, bijvoorbeeld, onze (lineaire) tijdsbeleving dat is.

Er is echter sprake van een zodanig sterke correspondentie tussen de mathematische en fysische werkelijkheid, dat een (soort) specifieke manier van begrijpen/ beleven hier niet aan de orde lijkt. Ook niet wanneer we middels wetenschappelijk denken en/ of onderzoek onze natuurlijke manier van begrijpen/ beleven overstijgen.

*De wiskunde heeft een sterk generatief karakter. Denk hierbij aan algoritmes, en vooral aan het wiskundig/ logisch verbanden systeem. (We komen hier later nog uitgebreid op terug.)

Generatieve systemen kunnen tot in het oneindige blijven genereren. Zo kun je in principe eeuwig blijven doorgaan met iets door twee te delen ( . . . > 4 > 2 > 1> 0,5 > 0,25 > 0, 125 . . . ). Er moet volgens Leibniz een immateriële kracht zijn (een monade) die dit mogelijk maakt. Oftewel een generatieve kracht vanuit een generatief principe.

Wanneer wij mogen aannemen:

*dat er een metafysische werkelijkheid bestaat (waaronder een mathematische werkelijkheid)

*dat deze metafysische werkelijkheid de fysische overstijgt en in haar greep heeft

*en dat deze metafysische werkelijkheid een generatief karakter heeft

dan kunnen we constateren:

*dat we enerzijds een generatieve, metafysische werkelijkheid hebben

*die de fysische werkelijkheid overstijgt en in haar greep heeft

*en dat we anderzijds een fysische werkelijkheid hebben (met de natuur en de kosmos)

*die eveneens generatieve trekken vertoont, zoals bij de evolutie van de natuur en zelfs die van de hele kosmos

Wat maakt dat het voor de hand ligt om te veronderstellen dat de metafysische werkelijkheid met haar generatieve karakter werkzaam is in de fysische werkelijkheid, en dat zij daar generatieve (waaronder evolutionaire en evolutieve processen) op gang brengt. Zoals de evolutie van de natuur, en zelfs die van de hele kosmos.

Of wat te zeggen van dat zaadje van de reuzensequoia? Dat minuscule zaadje dat kan uitgroeien tot een reusachtige, torenhoge boom? Ja maar . . . een zaadje kun je pakken, kun je zien, kun je voelen, is grijpbaar, tastbaar, zichtbaar, stoffelijk . . . materieel. Daar valt niets op of aan af te doen.

Blijft:

*dat zich uit het zaadje langs generatieve weg een gigantische boom kan ontvouwen

*dat in het zaadje de mogelijkheid lag om uit te groeien tot een reuzensequoia

*dat de reuzensequoia-boom in potentie in het zaadje zit

*dat dit generatieve proces verschillende vormen van zijn veronderstelt, waaronder het potentiële zijn en het geactualiseerde / verwerkelijkte / verwezenlijkte zijn

*dat er in het zaadje de kennis of informatie moet liggen die nodig is om het korreltje te kunnen laten uitgroeien tot een reuzensequoia

*dat die kennis 'gevangen' zit in of gedragen wordt door materie (het zaadje),

*maar dat die kennis op zichzelf geen materie is

NB 1 Het zaadje is immers geen kennis, maar draagt kennis.

NB 2 De kennis om uit te kunnen groeien tot een boom, is niet die boom zelf.

NB 3 Kennis kan opgeslagen zijn, gedragen en getransporteerd worden. Zo hebben we van allerlei chemische stoffen die signalen kunnen afgeven en informatie kunnen overbrengen. Die chemische stoffen zijn echter niet de informatie zelf. Hetzelfde geldt voor onze gedachten. DAT we bepaalde gedachten, gevoelens en/of gevoel hebben (de vorm) kunnen neurologen in de fysische werkelijkheid wél waarnemen. Alleen WAT we precies voelen en/of denken (de inhoud) kunnen zij (daarin) niet vaststellen. De kunst van het gedachtenlezen verstaan zij nog altijd niet, al hun moderne kennis, kunde, instrumenten en technieken ten spijt. Kortom, vorm (verschijningsvorm) en inhoud (kennis) zijn niet hetzelfde, al zijn ze nauw met elkaar verweven (en kan in de communicatie inhoud vorm worden bij het zenden en vorm inhoud bij het waarnemen).

Langzaam zien we een beeld verrijzen dat ons voorlopig de volgende inzichten biedt:

*Geest bestaat ín en buíten de materie

*Geest is immateriële kennis die op generatieve wijze tot uitdrukking kan komen in de materie, en dat op individueel niveau (in een levend wezen) en op universeel niveau (in de evolutie).

*Geest heeft een generatief karakter

NB Dit laatste punt kan in de universaliënstrijd ter verdediging van de ideeën van Plato worden aangevoerd. Een van de tegenargumenten was immers dat je naast het idee voor een geheel (bijvoorbeeld een mens) ook het idee voor een deel (bijvoorbeeld een haar) moest hebben.

*Geest is immanent én transcedent


INTERESSANTE LITERATUUR

Le Geste et la Parole, André Leroi-Gourhan

Metazoa, Peter Godfrey-Smith

Een tijd voor empathie, Frans de Waal

hirondelle